Essay Poetin als kroon op de sovjetcivilisatie

Held, heilige, ideale tsjekist

In het Rusland van Vladimir Poetin – die op 8 april Nederland komt bezoeken – is de nieuwe mens opgestaan. Een tsjekist mag stelen, liegen, molesteren en moorden, zolang hij maar aan één ding trouw blijft: de heilige zaak van de revolutie.

7 november 2017 is het honderdste jubileum van de Oktoberrevolutie, de dag waarop de sovjetcivilisatie werd geboren. Als er tegen die tijd geen nieuwe revolutie uitbreekt of een verdwaalde meteoriet neerstort op het Kremlin, dan is aldaar in het senaatspaleis Vladimir Poetin inmiddels een jaar bezig aan zijn vierde termijn als president van Rusland. Met de vijfde voor de boeg. Wie is de man die in 2000 uit het niets leek opgedoken, een kleine tien jaar later eigenhandig de grondwet wijzigde om zich tot 2024 verkiesbaar te kunnen stellen en wiens portretten inmiddels ook in de crèches hangen? En hoe is hij verbonden met de sovjetcivilisatie en de revolutie, het woord dat onder zijn bewind opeens weer vlees dreigt te worden?

Honderd jaar zou natuurlijk een veel mooier moment zijn om een revolutie te evalueren. Maar zo ver is het nog niet en bovendien lenen ook 96 jaar zich er uitstekend voor. Het is misschien niet zo’n feestelijk getal, maar imposant genoeg vanuit historisch en algemeen menselijk perspectief. Per slot van rekening passen er drie generaties in, wat dat menselijke perspectief volmaakt rechtvaardigt, ja zelfs opeist, aangezien alle revoluties en de Russische in het bijzonder het geluk van de mens als hun hoogste doel beschouwden.

‘Rusland Lethe Lorelei…’ mijmert een balling uit een gedicht van Osip Mandelstam, geschreven in de zomer van 1917, vlak voor de Oktoberrevolutie. Dat gedicht speelt zich af in de negentiende eeuw. De balling wilde zijn land bevrijden van de tirannie, maar zijn missie is mislukt. Er resten hem slechts de eenzaamheid, kou en hersenschimmen. Maar die beroemde woorden rijgen zijn fantasieën over het lot van Rusland aan hun betoverende ritme en vullen zijn herinneringen met een mystieke gloed. Ze genezen hem van de krankzinnigheid, maar Rusland is gedoemd. Verleid door de Lorelei verzinkt ze in de Lethe, de rivier der vergetelheid. De balling zelf mag blijven leven, al is het aan het einde van de wereld. In die oude, prerevolutionaire tijden toen het geluk van de mens nog niet zo hoog in het vaandel stond, konden de vijanden van het regime nog op genade rekenen.

In de twintigste eeuw was er geen plaats meer voor poëtisch ingestelde ballingen, mystiek gemijmer en overige burgerlijke geestesuitingen van dichtertjes die van die decadente, verdorven woorden gebruikten als Lethe en Lorelei. Mochten die dichtertjes hopeloos verdwalen in hun visioenen over de toekomst van Rusland, de nieuwe machthebbers wisten precies hoe die toekomst eruit moest zien. Na 1917 kwamen er ook heel andere kreten in de mode. Er werd bijvoorbeeld luidkeels de dood geëist van de vijanden van het volk en de Sovjet-Unie. Iedereen kon zomaar zo’n vijand worden, daarom kon je maar beter zelf zo hard mogelijk meebrullen. Misschien bleef je dan gespaard of hoorde Hij jou – want Hij hoorde en zag alles – en werd je een uitverkorene. Of overschreeuwde je je eigen angst die als een parasiet je ingewanden teisterde. Intussen verorberde de revolutie stuk voor stuk haar kinderen, maar er moesten steeds nieuwe offers bij om haar honger te verzadigen. De revolutie leek nog lang niet voltooid.

Met de dood van het Opperwezen in de tweede helft van de twintigste eeuw is haar bloeddorst eindelijk gestild, er mocht weer geleefd worden, zij het volgens de regels van de communistische leer. Het Opperwezen werd van het altaar gestoten, maar het heimwee naar de stalen vuist bleef. De komende decennia hield de revolutie zich redelijk gedeisd, al ging de jacht op andersdenkenden onverminderd door. De bouw van de communistische heilstaat mocht door niemand gehinderd worden. Intussen werden de kannibalen in de hoogste machtechelons opgevolgd door de zakkenvullers – de fanatici en de haviken bleven op hun stoelen zitten – terwijl de jaren steeds magerder werden. Cynisme, lamlendigheid en roes waren de dominanten, alle energie was uit het communistische luchtruim verdampt. Maar wat wilde je van een land dat bestuurd werd door aan pillen verslaafde bejaarden? De natie leed duidelijk aan een poststress-syndroom, expansiedrift moest de tanende levenskracht compenseren om wille van de wet van behoud van energie. Geld- en goederenstromen breed als de Russische rivieren gingen richting vreemde revoluties, maar de barbaren die bekeerd moesten worden waren onberekenbaar, sluw en ondankbaar. Toen tegelijk met hun schurkenstreken en economische rampspoed een nieuwe, roekeloze leider een paar voorheen ongehoorde begrippen losliet op het land was het hek van de dam. Het imperium dat op de bloedigste revolutie aller tijden was gebouwd viel als een kaartenhuis uit elkaar. Exit communisme, exit Oktoberrevolutie.

Veertig jaar voor al die woelige gebeurtenissen en een jaar voor de dood van het Opperwezen werd in de stad van de Oktoberrevolutie, Leningrad, een jongetje geboren. Hij groeide op in een proletarische buurt met slecht verlichte en naar kattenpis stinkende flats, en bracht net als miljoenen andere jongetjes van zijn generatie de meeste tijd op straat door, waar ze al vechtend met een boksbeugel hun eigen regels en erecodes ontwikkelden. Deze ervaring zou hem later van groot nut zijn, maar voorlopig was hij nog de onschuld zelve. Hij leefde in het beste land ter wereld en wist dat hij zijn gelukkige jeugd aan de Oktoberrevolutie te danken had. Hij was nog te jong om iets van het rumoer rond het Opperwezen op te vangen en toen hij daar oud genoeg voor werd, werd het opeens stil rond die gevallen godheid en trad er zelfs een zekere nostalgie op naar de vervlogen tijden die misschien geen paradijs waren, maar die het volk wel orde en discipline hadden bijgebracht. Orde en discipline, onthoud die twee woorden, die cruciaal bleken voor de buitengewone lots­bestemming van onze jonge held. Niet dat hij er weet van had, maar wisten Boeddha en de heilige Franciscus soms iets van hun roeping toen ze klein waren? Ze moeten er wel iets van gevoeld hebben, maar veilig, in hun diepste onderbewustzijn, want niets is meer funest voor een glorieuze toekomst dan voorbarige openbaring.

Het mooie aan het jongetje was dus dat hij er aan de ene kant één was van talloze miljoenen, wat hem de mogelijkheid gaf om zich met de massa te vereenzelvigen, van binnenuit haar psychologie te leren kennen en op elk gewenst moment en met het grootste gemak haar kleur aan te nemen. Aan de andere kant echter was er die uitzonderlijkheid, die zich uitte in een groot doorzettingsvermogen, wilskracht, stalen zenuwen en die vurige droom. Hij wilde namelijk later, nee, geen ruimtevaarder, generaal of hart­chirurg worden, maar spion. Deze romantische droom – de sovjetspionnen hadden altijd een geheimzinnig, nobel aureool om zich heen – nam hij uiterst serieus. Hij zei de straat vaarwel, ging zijn best doen op school, en beoefende ijverig een vechtsport om zich lichamelijk en geestelijk klaar te stomen voor dat levensgevaarlijke beroep. Hij ging zelfs naar de desbetreffende organisatie om zijn diensten aan te bieden, maar bleek er nog veel te jong voor te zijn. Hij begreep wel dat hij met een rechtenstudie een stapje dichter bij zijn droom kwam, en dus was zijn keuze snel gemaakt.

Na zijn studie meldde hij zich aan bij de spionnenschool waar hij onder meer leerde hoe je het menselijke materiaal vol zwaktes en onvolmaaktheden in je eigen voordeel kon kneden. Toen hij klaar was, kreeg hij een baan in het buitenland. Hoewel het een bevriend land betrof, moesten de bewoners goed in de gaten worden gehouden om te voor­komen dat ze ten prooi vielen aan vijandige propaganda. Hij moest er zieltjes winnen die hem zouden informeren over de geestes­toestand van het bevriende volk, en onnoemlijk veel verslagen en rapporten schrijven. Materieel ging het hem voor de wind, zeker vergeleken met zijn landgenoten die midden in de economische rampspoed moesten zien te overleven, maar hoe was het met zijn geestestoestand gesteld? Waren al dat papierwerk, en de paar vage figuren met hun slappe informatie die hij voor zijn karretje wist te spannen, dan alles waar hij zo vurig van had gedroomd? Was dat zijn leven? Wilde hij zo zijn land dienen? En vooral, waar waren de dappere, onverschrokken spion­nen en geheim agenten van weleer die hun levens opofferden voor een hoger doel, en waar hij zo graag bij wilde horen?

Om dat ‘weleer’ te kunnen begrijpen en daarmee de uitzonderlijke persoonlijkheid van onze held zal ik hier een term moeten introduceren die, na een tijdje in onbruik te zijn geraakt, nu, in Poetins Rusland, met de dag actueler wordt, en grimmiger. Het is het woord ‘tsjekist’, dat afgeleid is van de Tsjeka, de Buitengewone Commissie – een voorganger van de kgb en de fsb (de Federale Veiligheidsdienst) – die in 1918 op bevel van Lenin door de ijzeren Pool Felix Dzjerzjinski werd opgericht om de prille Oktoberrevolutie te beschermen. Deze ‘tsjekisten’, de dienders van de Tsjeka, konden zonder enige vorm van proces iedereen ter plekke een kogel door het hoofd jagen, wat ze ook naar hartenlust deden. Er zaten veel criminelen tussen, die na de door Lenin afgekondigde amnestie aan de slag konden bij de Tsjeka.

Massamoorden en terreur waren volgens Lenin absoluut noodzakelijk om niet alleen de vijand te vernietigen, maar ook al het ondeugdelijke, slappe menselijk materiaal af te voeren naar de mestvaalt der geschiedenis, zodat er een nieuwe, prachtige, gezonde wereld kon worden gebouwd. Om die zware taak uit te kunnen oefenen moest een tsjekist alles afzweren wat hem hierbij in de weg stond. Zulke verachtelijke en hinderlijke gevoelens als bijvoorbeeld mededogen, naastenliefde en twijfel. Hij mocht slechts aan één ding trouw zijn: aan de heilige zaak van de revolutie. In de naam van die revolutie was alles geoorloofd: moord, leugen, diefstal, verraad.

Ik durf te beweren dat de tsjekist de eerste nieuwe mens van de sovjetcivilisatie was die zich die nieuwe, revolutionaire moraal eigen heeft gemaakt. Derhalve moest hij als voorbeeld dienen voor de onvolmaakte, door de tien geboden verzwakte, oude mensen die, wilden ze niet op die mestvaalt belanden of, nog erger, in een massagraf, maar beter in rap tempo konden gaan veranderen.

Er hing dus een bloedrood, macaber schijnsel over dat ‘weleer’, maar – en dat is interessant – naarmate in de tweede helft van de twintigste eeuw de apathie, het cynisme en de alcoholische roes in het land toe­namen, werd dat verleden in het collectieve bewustzijn steeds romantischer, nobeler, verhevener. Welk een contrast vormden die door de media, school­boeken en romans bezongen, kristaleerlijke, ascetische, ­opofferingsgezinde tsjekisten met de volgevreten, corrupte, half demente partijelite die het land op de rand van de afgrond had gebracht.

Zo ontstond in de sovjetcivilisatie de mythe van de ideale tsjekist, de verlosser, die een nieuwe revolutie zou ontketenen, het volk van de slechte ­machthebbers bevrijden en de broodnodige orde en discipline scheppen. Op een organische manier verving deze mythe die andere mythe uit oude tijden, toen het volk van een goede tsaar droomde die voor rivieren van melk en honing zou zorgen. We weten natuurlijk niet wat zich allemaal precies afspeelde in het hoofd van onze held, die inmiddels de leeftijd naderde waarop veel mannen rijp zouden zijn voor de midlife­crisis. Misschien voelde hij een vaag onbehagen of juist een diepe frustratie, misschien kreeg hij zelfs zo nu en dan woedeaanvallen, die hij echter al gauw onder controle moet hebben gehad, omdat dat tekens van zwakte waren. We weten in ieder geval dat hij, na jaren relatieve welvaart, zittend papierwerk en indrukwekkende hoeveelheden van de licht alcoholische drank die het bevriende land succesvol bleef produceren, vadsig en ietwat zwaarlijvig was geworden.

Mocht hij ooit zijn uitzonderlijkheid hebben gevoeld, nu werd dat weggedrukt door zijn uitgedijde lichaam, ontevredenheid over de gang van zaken in de ooit zo gevreesde en machtige organisatie, en zijn toenemende zorgen over de catastrofe waarin zijn land dreigde af te glijden, en dus ook over zijn eigen lot. Toen die catastrofe werkelijkheid werd en de chaos uitbrak, was hij terug in zijn land. Zo viel de nationale crisis samen met zijn persoonlijke crisis.

Mensen met uitzonderlijke lotsbestemmingen ondergaan doorgaans verschillende fases in hun levensloop eer ze zich bewust worden van hun buitengewone status. Zo kunnen we die vadsige, nogal troebele en verwarrende periode uit het leven van onze held zien als ‘arriditas’, de droogte, oftewel depressie die vele grote mannen en heiligen moesten doorstaan op weg naar de verlichting. Misschien begon die verlichting bij hem, toen hij voor het eerst besefte dat er in zijn land verraad was gepleegd van apocalyptische proporties, en dat hij het was die zijn vaderland en de revolutie, die voor hem één waren, moest redden. Hij kon weer handelen. Het Imperium mocht dan schipbreuk lijden, onze held wist nu wat hem te doen stond. Hij moest de juiste kleur aannemen en zien te infiltreren in de nieuwe machtscentra om zo toegang te krijgen tot de juiste mensen en de juiste middelen.

Overrompeld door de gebeurtenissen, die als een wervelwind over het land raasden, kon niemand vermoeden dat er in alle stilte een ideale tsjekist was opgestaan, vermomd als een onbeduidende, bescheiden, terug­houdende man, onder de doodgewone naam Vladimir Vladimirovitsj Poetin.

Het zou onrechtvaardig, en ook naïef, zijn om Poetin valsheid, huichelarij en andere, niet al te fraaie en zelfs duistere kwaliteiten te ver­wijten met de daaruit voortvloeiende daden. Want het zijn geen persoonlijke eigenschappen, maar enkel instrumenten om een hoger doel te bereiken. De zelfverwezenlijking van een tsjekist. De zelfschepping als voorwaarde voor de herschepping van de wereld. Poetin vervulde slechts zijn historische taak. Hij bracht de civilisatie die de Oktoberrevolutie had gebaard tot haar logische einde en werd daarmee zelf de kroon op de sovjetcivilisatie. En was een van de belangrijkste fundamenten daarvan niet het adagium ‘het doel heiligt alle middelen’? In zijn werk De linkse kinderziekte doceerde Lenin de westerse communisten hoe zij het best in de vakbeweging konden infiltreren om er de macht over te nemen. Als het nodig was moesten ze liegen, illegale methodes toepassen, de waarheid verdraaien. De arbeiders mochten, met andere woorden, belazerd worden voor hun eigen bestwil. Niet veel later wist Stalin dit principe tot zijn bloederige hoogtepunt te verheffen.

Zou Poetin, als de ideale tsjekist, dat leninistische gebod ook in praktijk hebben gebracht? Zat hij achter de grootschalige fraude in Sint-­Petersburg om onder meer een netwerk van de juiste mensen te creëren dat later zijn clan werd? Of achter de mysterieuze ontploffingen in Moskou met dodelijke slachtoffers, met als doel de nieuwe oorlog in ­Tsjetsjenië te rechtvaardigen, toen hij zich profileerde als de sterke man zonder wie Rusland in chaos zou storten? Heeft ook hij zijn eigen volk belazerd voor zijn eigen bestwil?

Hoe dan ook, Poetin bereikte zijn doel. Dankzij hem is de Oktober­revolutie weer springlevend en krachtiger dan ooit.

Ten eerste is er nu een partij aan de macht die een kopie is van de communistische, met een fanatieke jeugd- en zelfs een kleuterbeweging die Poetin zingend dankt voor haar gelukkige toekomst. Die partij heeft niet alleen gigantische middelen tot haar beschikking, zolang gas- en olie­voorraden strekken, maar ook een onbeperkt reservoir aan menselijk materiaal. Tienduizenden jonge mannen en vrouwen uit de provincie, zonder geld en connecties, met niets dan hun aangeklede lichaam, die niets hebben te verliezen behalve de uitzichtloosheid van hun bestaan, staan te trappelen om zich bij deze partij aan te sluiten. Ze kunnen straks gebruikt worden om de resten van de liberale elite te vervangen en de oppositie aan te pakken. Ten tweede is definitief de nieuwe mens opgestaan, de mens die eindelijk vrij is van alle zwaktes, en die zijn leven vorm geeft volgens de moraal van de tsjekist. Zolang hij zich politiek koest houdt, mag hij stelen, witwassen, chanteren, omkopen, liegen, vervalsen, intimideren, molesteren, moorden, onschuldigen laten opsluiten en hun de misdaden in de schoenen schuiven die hij zelf heeft gepleegd. Zoals nu in de zaak-Sergei Magnitski gebeurt. Het cover-up-systeem van een permanente uitwisseling van diensten en contanten van alle tinten grijs tot aan zwart heeft iedereen in de tang. Er is een broederschap in het land ontstaan waar Lenin niet van kon dromen.

En er zit een tsjekist op de troon die zijn ideeën langs de strikt hiërarchische machtsverticaal naar beneden transporteert. Het denken is een overbodige bezigheid geworden voor de burgers. Het leven wordt steeds beter en vrolijker. Naar aanleiding van deze gezegende geestestoestand vertelde een Israëlische ondernemer die zaken deed in Rusland een pijnlijke mop. Op de hersenmarkt waren de hersens van een gewone Rus flink duurder dan die van een Nobelprijswinnaar. Omdat ze gloednieuw waren, want nooit gebruikt.

Iedere historicus zou moeten toegeven dat dit de drie voorwaarden zijn van een geslaagde revolutie. Maar de verdienste van de ideale tsjekist gaat nog verder. Net als de topmanager Stalin, zoals hij tegenwoordig in Rusland heet, weet ook Poetin dat het Russische volk een tsaar nodig heeft. Het is hem dan ook gelukt om de pre- en de postrevolutionaire mythes in zijn persoon te verenigen. Hij is echter een moderne tsjekist die meegaat met zijn tijd. Anders dan zijn oervader en martelaar van de Oktoberrevolutie, Felix Dzerzjinski die in zijn sobere werkkamer woonde met een armoedig kamerscherm waarachter zijn bed stond, laat Poetin voor zichzelf paleizen bouwen en bezit hij een aandeel in vrijwel alle lucratieve bedrijven van het land. Bewierookt door de orthodoxe kerk – met de patriarch deelt hij een passie voor dure horloges –, geroemd door de hof­intellectuelen die hem als de gezalfde Gods bezingen – die tedere, innige liefde tussen de hofliteratoren en de tsjekisten stamt nog uit het boven­genoemde ‘weleer’ – en met de gouden gloed van zijn gas- en oliemiljarden op zijn gelaat, wisselt Poetin al naar gelang die twee gezichten af. Maar hij heeft er nog meer. Dat van de strenge baas die zijn ministers en de oligarchen als stoute jongetjes publiekelijk de les leest. Dat van de ouderwetse tsjekist die fulmineert tegen corruptie om de volkswoede te sussen. Dat van de leider van de reusachtige firma Poetin co waar de grondstoffen veranderen in ondoorgrondelijke geld­stromen die machtig zijn als Russische rivieren, om het land uit te stromen richting Europese banken en paradijselijke eilanden. Dat van de peetvader van de medewerkers van die firma en tevens de leden van zijn clan, en ook van alle Russen die van de firma profiteren. Dat van een mediaster omringd door knappe spionnes en met een geheimzinnig liefdesleven. En natuurlijk van de intellectueel en de patriot die Solzjenitsyn citeert en de Russisch-orthodoxe waarden en normen te vuur en te zwaard zal verdedigen tegen de Amerikaanse imperialisten, en al die andere gezichten die hij om de beurt in de strijd gooit. Niets ongrijpbaars aan hem. Het is gewoon zijn beroep. De ideale tsjekist heeft nou eenmaal talloze gezichten.

Twintig jaar na zijn verlichting lijkt de lotsbestemming van onze held voltooid. We kunnen nu gerust spreken van unio mystica, de toestand waarin grote mannen één worden met hun geloof. Maar verlost de gemeenschap met de drie-eenheid Lenin, de Tsjeka en de Oktober­revolutie onze held van zichzelf? Want dat is wel de bedoeling van een dergelijke eenwording.

Geen eenvoudige vraag. We kunnen niet in het hoofd van onze held kijken, maar wel in zijn gezicht. Kort geleden heeft hij een nieuw laten maken, deze keer met de hulp van een chirurg. Heeft hij dan niet genoeg aan al die andere? Streeft hij naar de onsterfelijkheid? Wil hij een geheimzinnig teken verbergen, waar hij zich voor schaamt? Is hij zo vervreemd van de wereld dat er nog een ander gezicht bij moet, of wil hij gewoon iemand anders zijn?

Hij wil met de kraanvogels vliegen, hen leiden naar betere oorden. Van onder zijn pilotenmutsje lacht hij ietwat verlegen naar de fotografen.

Hij houdt een fles voor de bek van een kalf. En, o wonder, hij is de enige bij wie het kalf wil zuigen.

Hij showt zijn ontblote torso op de tv. Wil hij laten zien dat hij nog sterk genoeg is om zijn land te leiden? Hij vertelt aan zijn onder­danen dat de Afrikaanse tiran die door zijn volk is afgeslacht, door Amerikaanse elitetroepen is vermoord. Is hij soms bang voor zijn volk?

En hij wil maar steeds niet geloven dat hij niet de liefde van de hele wereld heeft. Dat er mensen zijn die hem zelfs weg willen hebben. Hem, die de revolutie heeft gered en die nu dat prachtige nieuwe mega-­Rusland bouwt met megastadions, megahavens, mega­gaspijpleidingen, mega-oliebedrijven, megapaleizen. Onmogelijk. Dat moeten wel agenten zijn van Amerika of andere vijandige mogendheden. Ondankbaar tuig. Hij zou ze orde en discipline leren.

De ideale tsjekist kan alles behalve contact maken met anderen. Want de anderen zijn anders. De anderen zijn de chaos van de wereld die hij niet kan verdragen. En het is de angst voor de wereld die hem drijft.

Maar of hij dat nu wil of niet, die anderen zijn er. Ze zijn jong, slim, dapper. Ze willen niet in een land wonen waar fsb’ers op sleutelposities zitten. Ze vragen geen genade aan de tsjekist en ze weigeren om zich naar zijn moraal te voegen. ‘Poetin, steekt het vuur van de revolutie aan, hij vindt het eng en saai met mensen in de stilte…’ scanderen ze terwijl ze uit de rechtszaal worden afgevoerd met handboeien om.

Het is hun revolutie tegen de zijne. Zal Poetins Rusland 2017 halen?


Sana Valiulina (1964) groeide op in Tallinn (Estland) en studeerde in Moskou Noorse taal- en letterkunde. In 1989 verhuisde ze naar Amsterdam. Ze publiceerde onder meer de romans Didar en Faroek en Honderd jaar gezelligheid