Christine van Everbroeck, August Borms: Zijn leven, zijn oorlogen, zijn dood

Held noch schurk

Christine van Everbroeck

August Borms: Zijn leven, zijn oorlogen, zijn dood

Meulenhoff/Manteau, 480 blz., € 24,95

In 1946 schreef Willem Elsschot een prachtig gedicht naar aanleiding van de terechtstelling van August Borms, een vooraanstaand Vlaams-nationalist die met de Duitsers had gecollaboreerd. In politiek opzicht had hij geen affiniteit met hem gehad: «Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend/ maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend/ dat weet ik niettemin zoals ’t een ieder weet/ die nu, in ons Land, zijn brood in schaamte eet.»

Die schaamte kwam volgens Elsschot niet alleen voort uit het feit dat bij de naoorlogse rechtspleging de Vlaamse collaborateurs veel harder werden aangepakt dan de Waalse maar vooral uit het gegeven dat het ging om een bejaarde invalide man die zon der krukken niet kon staan en als een zak aardappels aan de executiepaal hing.

Bovendien was de katholieke flamingant in de steek gelaten door de meerderheid van zijn geloofsgenoten en geestverwanten. «Een ieder zwoer bij God: ‹Ik heb hem niet gekend,/ die oude, door de pest geslagen krukkenvent.›» Diep ontzag had hij voor Borms’ principiële weigering gratie te vragen: «Uw gratie lag gereed voor ’t buigen van uw nek,/ voor ’t beven van uw lip, voor ’t eten van uw drek./ Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd/ en noch uw dierbaar volk noch uwe naam onteerd.»

In extreem-rechtse Vlaamse kringen geldt Borms nog altijd als held, maar daarbuiten wil men tegenwoordig weinig van hem weten. En vreemd is dat niet. Dat Borms ondanks zijn ouderdom (68 was toen oud) en handicap in 1945 ter dood werd veroordeeld, lag in de lijn der verwachting. Niet alleen had Borms enthousiast propaganda gemaakt voor de Duitse bezetters en had hij vrijwilligers voor het oostfront geworven, het was ook niet zijn eerste doodvonnis. In 1919 was hij al wegens collaboratie met de Duitsers ter dood veroordeeld. Toen werd dat omgezet in levenslang en kwam Borms in 1928 vrij, omdat 85.000 Antwerpenaren hem een parlementszetel hadden bezorgd.

In de Vlaamse geschiedenis was hij onderhand een mythische figuur geworden, zodat het goed is dat Van Everbroeck op zakelijke wijze Borms’ Werdegang heeft geschilderd. Hij was geen held, maar ook geen doortrapte schurk. Borms was een verblinde idealist die niet doorhad dat hij de verkeerde bondgenoot had uitgekozen en zich liet meeslepen door de ultranationalistische, antidemocratische waan van de dag.