Profiel: James Tobin

Held van actievoerders

«Daar hebben we het monster van Loch Ness weer!» moet de president van de Duitse Bundesbank hebben uitgeroepen toen een gesprekspartner tijdens de zoveelste valuta crisis weer eens het idee opperde van een internationale belasting op valutatransacties, de zogeheten Tobin-tax, die de al te grillige kapitaalbewegingen in de wereld zou moeten afrem men. Onder bankiers is de Yale-econoom en Nobelprijswinnaar James Tobin om begrijpelijke redenen nooit populair geweest. Onder linkse politici en actievoerders is hij het tegenwoordig des te meer: de alternatieve globaliseringsbeweging heeft Tobins belastingvoorstel uit 1972 nieuw leven ingeblazen en diverse Europese parlementen (waaronder het Franse, Finse en Belgische) hebben zich er in beginsel voor uitgesproken.

De discussie over een belasting op flitskapitaal is nog niet tot Nederland doorgedrongen, ondanks verwoede pogingen van kleine organisaties als Attac-Nederland en een lapidaire opmerking van premier Kok dat hij er geen bezwaar tegen had als zijn ministers Zalm en Pronk het idee eens onder de loep namen. In Frankrijk, België en de Scandinavische landen is de term «Tobin-tax» echter al gemeengoed geworden, een buzz-word vergelijkbaar met onze «Zalmnorm». De Belgische regering heeft, in haar hoedanigheid van aanstaand EU-voorzitter, zelfs overwogen de Tobin-tax dit jaar op de Europese agenda te zetten, maar net als in andere Europese landen verzet de minister van Financiën zich daar tegen. «Minister Reynders heeft het voorstel nooit serieus genomen», zegt woordvoerder Eric Goeman van Attac-Vlaanderen, een organisatie die zich al jaren hard maakt voor het idee van Tobin: «Hij heeft er een studie naar laten verrichten die grotendeels positief uitviel, alleen de conclusie was merkwaardig genoeg negatief.» Volgens de Finse politicoloog en Tobin-tax-expert Heikki Patomäki viel de interventie van Reynders te verwachten: «Ministers van Financiën en centrale bankiers behoren tegenwoordig meer tot het circuit van de internationale financiële wereld dan tot hun eigen regeringen. Maar het is een goed teken dat de Europese Federatie van Banken onlangs per memorandum een frontale aanval op de Tobin-tax heeft ingezet, want dat betekent dat ze ons eindelijk als een serieuze bedreiging zien.»

De man die de discussie op papier heeft ontketend, zou bij al dit geweld bijna in de vergetelheid raken. James Tobin behoort samen met John Kenneth Galbraith, Paul Sweezy en Robert Solow tot de generatie van Angelsaksische economen die de depressie van de jaren dertig aan den lijve ondervonden. Ze lieten zich inspireren door John Maynard Keynes bij het zoeken naar een manier om de cyclische instabiliteit van kapitalistische economieën te doorbreken. Daarbij had Tobin ook nog zijn afkomst mee: hij werd in 1918 geboren in het dorp Champaign, Illinois, als zoon van een links-liberale journalist en een bevlogen sociaal werkster die zich beiden met hart en ziel inzetten voor Roosevelts omstreden antidepressiebeleid, de New Deal. Bij een schaduwverkiezing in zijn klas stemde Tobin in 1932 als enige op Roosevelt. Hij bleef levenslang Democratisch stemmen.

Maar Tobin was niet in de wieg gelegd voor het politieke handwerk. Voor het leger deugde hij evenmin, zoals hij ontdekte tijdens zijn oorlogsdienst bij de marine, die hij met ere maar ook met diepe tegenzin vervulde, evenals zijn toenmalige medeofficier, de schrijver Herman Wauk, die een op Tobin geïnspireerd personage opvoerde in zijn boek The Caine Mutiny. Afgezien van een «mislukt adviseurschap» (zijn eigen woorden) voor John F. Kennedy zou Tobin zich niet meer buiten de academische wandelgangen wagen. Intimi omschreven hem steevast als een geboren theoreticus, eeuwig gebogen over statistische reeksen en ingewikkelde technische discussies met collega’s, en tot overmaat van ramp getrouwd met zijn eveneens cum laude afgestudeerde vakgenote Elisabeth Fay Ringo

Anders dan Sweezy radicaliseerde Tobin niet; hij werd nimmer antikapitalist. Als student aan Harvard en Yale ontwikkelde hij een grote bewondering voor Keynes, terwijl zijn onorthodoxe inslag werd gestimuleerd door de colleges van onafhankelijke denkers als Joseph Schum peter en Vassili Leontieff. Hij specialiseerde zich in de werking van financiële markten en ontwikkelde een portefeuilletheorie, de zogeheten de Q-theorie, die beleggers ervoor moest behoeden al hun geld op één paard te zetten. In 1981 werd hij ervoor beloond met de Nobelprijs voor Economie, hoewel economen nog steeds niet weten hoe zijn theorie nu eigenlijk moet worden toegepast.

Zijn tweede, bij uitstek toepasbare idee, het voorstel voor een antispeculatiebelasting, ontvouwde Tobin in 1974, niet toevallig ten tijde van de instorting van het naoorlogse internationale wisselkoersstelsel, het Bretton Woods-stelsel. Het trok nauwelijks de aandacht, maar vestigde onder vakgenoten wel zijn reputatie van «onverbeterlijke liberal» (monetarist Paul Samuelson). Hij behoorde tot de felste critici van president Ronald Reagan, wiens monetaire beleid van hoge rente en drastische belastingverlaging hij «een combinatie van het slechtste van twee werelden» noemde. Terwijl Galbraith het in het openbaar opnam tegen Reagans huis econoom Milton Friedman, legde Tobin zich toe op het ondergraven van Friedmans academische status door hem hinderlijk te volgen en de zwakke punten van zijn monetaris tische theorie bloot te leggen.

Wat vindt de Nobel-laureaat zelf van zijn groeiende populariteit onder actievoerders, derdewereldbewegingen en linkse economen? «Het is jammer dat professor Tobin zo oud is en niet meer in staat alle discussies te volgen, juist nu zijn idee internationaal terrein wint», zegt zijn secretaresse. De inmiddels hoogbejaarde econoom en zijn vrouw kampen met een zwakke gezondheid. Niettemin staat Tobin me graag te woord vanuit zijn huis in New Haven, hetzelfde dat hij bij zijn aantreden als hoogleraar in de jaren vijftig betrok en waar hij zijn dochter en drie zoons grootbracht.

«Het verhogen van de belastingopbrengsten is nooit mijn bedoeling geweest», zegt hij: «Mijn doel was het temmen van de wispelturige valutamarkten. En wel op zo'n manier dat de regeringen en centrale banken van afzonderlijke landen weer de mogelijkheid kregen hun eigen monetaire beleid te voeren, zonder door rente-arbitrage te worden gedwongen zich aan te passen aan internationale markten of aan het beleid van de grote landen. Veel aanhangers van mijn theorie, vooral in Europa, hebben de bedoeling omgedraaid: ze beschouwen mijn belasting als een middel om de ongelijke verdeling van rijkdommen in de wereld aan te pakken. Wat mij betreft wordt de opbrengst door elke regering naar eigen inzicht besteed, want alleen op die manier krijg je voldoende landen zo ver eraan mee te doen. Mijn voorstel was zeker niet bedoeld als een soort hoeksteen voor een wereldwijde beweging tegen globalisering.»

De Tobin-tax

De Tobin-tax is een belasting van 0,1 tot 0,5 procent op alle valutatransacties. Deze belasting zou moeten worden geheven ofwel door de nationale regeringen die het voorstel steunen (Tobins oorspronkelijke variant), ofwel door een transnationaal orgaan dat speciaal hiervoor in het leven wordt geroepen (een variant die populair is onder Tobins huidige aanhangers). Het mechanisme van de Tobin-tax is eenvoudig. Een groot deel van de speculatieve geldbewegingen in de wereld wordt ontketend door minieme waardeverschillen tussen aandelen, obligaties, valuta, futures, opties en tal van andere «financiële instrumenten». Onder een Tobin-regime zouden de kosten van dergelijke speculaties flink oplopen. Een speculant die tweemaal daags geld wisselt en telkens 0,1 procent belasting betaalt, heeft aan het eind van een jaar vijftig procent afgedragen. Speculatieve geldbewegingen zouden niet langer winstgevend zijn, met als gevolg dat het internationale financiële stelsel tot rust komt. De verwachte jaaropbrengst van een wereldwijd geheven Tobin-tax loopt volgens deskundigen in de miljarden dollars. De technische en politieke haalbaarheid is omstreden. Afgezien van de vraag hoe een internationale belastingvlucht (naar «Tobin-vrije» landen) moet worden voor komen, zijn de voorstanders het niet eens over de zeggenschap over en de besteding van de opbrengst. Pa tomäki pleit voor de vorming van een «kopgroep» van Oeso-landen waarbij andere landen zich kunnen aansluiten wanneer de heffing het beoogde resultaat blijkt te hebben. Voor de besteding van de opbrengst heeft ook hij geen sluitende formule. Derdewereldorganisaties willen de opbrengst integraal besteden aan waardevolle projecten in arme landen. Patomäki betwijfelt of Oeso-landen tot deelname te bewegen zijn als ze niet minimaal dertig procent zelf mogen houden.