Helden

De grote drie – Hermans, Reve en Mulisch – zouden niet meer worden gelezen.

Is dat erg?

Nee, wel verdrietig.

Vooral voor ons, naoorlogse jeugd. Wij hadden een hamer, een boor en een nijptang nodig om de wereld na 1945 af te breken en op te bouwen. We zaten thuis met ouders uit het kamp die vluchtten in een strenge moraal waarvan ze eigenlijk nog niet wisten hoe die eruitzag. Wij wisten: zoals zij dat willen, willen wij het niet.

Toen kwamen daar drie schrijvende pubers, ieder met hun eigen oorlogslittekens en hun eigen verwonde geesten die de literatuur kwamen overnemen en, hoe gek het ook klinkt, ons een handvat gaven voor een levenshouding die echt van ons was.

Ik beperk me even tot Reve.

In De avonden voel je de geboorte van zijn ironie; die semi-gedragen negentiende-eeuwse stijl waarmee het boek inzet – al in de eerste regel wordt er over een ‘held’ gesproken die in feite een antiheld is – was uitermate geschikt om het conflict te beschrijven tussen enerzijds de burgerlijkheid en aan de andere kant het morele onvermogen van de jeugd om met hun ouders af te rekenen, want die hadden immers een naargeestige oorlog achter de rug waarin ze nogal wat hadden verloren: familie, maar ook hun dromen, hun idealen.

In De avonden herkende je iets van wat niet werd uitgesproken. Waarom vonden onze ouders het een vervelend boek? Omdat zij eveneens zichzelf herkenden; de onmacht om een oorlog te vergeten en iets nieuws te ondernemen. Ze konden niets anders dan het leven oppakken van voor de oorlog en proberen die rottijd te vergeten. In De avonden wordt maar één keer, terloops, naar die oorlog verwezen, terwijl het boek uit 1947 is. De oorlog is nog niet verwerkt – ook niet door Frits van Egters, ‘de held van dit verhaal’.

Hermans, Reve en Mulisch gaven ons een handvat voor een levens­houding die echt van ons was

Reve ontwikkelde zich in stijl en levenshouding, geholpen door zijn geprangde geest. Gooi het maar eens los in een beker – jeugd, communist, oorlog, verzet, homoseksueel, depressief, ouders voor wie je je schaamt, intelligent, belezen – en schudt. Er ontstaat een goedje dat bitter is en als je het drinkt moeten anderen lachen omdat je zulke rare grimassen trekt.

De schrijver die het leven aankan door ook zijn tegenstrijdige visies te verpakken in ironie. De homo werd katholiek terwijl de katholieke kerk homoseksualiteit – zeker in die tijd – vervloekte. Hij werd een ‘decadent romanticus’ op het boerenland in Greonterp en later Frankrijk. Hij toonde de achterkant van de stijve moraal van het gedateerde links en rechts; uiteraard was hij geen racist (‘Daar ben ik te verstandig voor’), maar hij maakte overdreven racistische opmerkingen, juist om te laten zien hoe absurd en dom dat racisme is. (‘Hij meent het echt’, zei men.) Ook ironie kent rafelranden. Reve moest je serieus nemen, maar tegelijkertijd niet; hij relativeerde alles kapot.

Dat was precies wat we destijds nodig hadden. Dat is waarom we van literatuur hielden. We lazen zinnen waarin werd verwoord wat ons bezighield waardoor we tegelijkertijd betrokken konden zijn en afstand konden nemen.

Mulisch en Hermans deden dat op hun manier – maar ook totaal anders.

De Tweede Wereldoorlog is wat deze drie schrijvers verbindt. Alle drie op zoek naar een levenshouding die ze waren kwijtgeraakt. Mulisch, door een joodse moeder en een foute vader, Hermans door een zus die zelfmoord had gepleegd omdat ze de liefde en de oorlog niet aankon – en misschien omdat Willem Frederik zelf aan de rand van de afgrond van verkeerde beslissingen had gestaan en daarom iedereen later langs de morele meetlat legde.

Ze worden niet meer gelezen – ik weet het.

De generatie van na de oorlog heeft haar kinderen opgevoed en die hebben nu weer andere problemen en een eigen taal.

Ik voel jammer.