Vegetius, Het Romeinse leger

Helden door harde arbeid

Vegetius

Het Romeinse leger: Handboek voor de generaal

Vertaald door Fik Meijer

Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 176 blz., € 19,95

Wie de afgelopen dagen de Srebrenica-enquête volgde, moest wel tot de conclusie komen dat het met het Nederlandse leger niet best is gesteld. Ook om in het buitenland niet de indruk te wekken dat we definitief niet meer meetellen, hoopt het ministerie van Defensie al dat prachtige materieel waarvoor we jarenlang hebben kromgelegen eindelijk eens te kunnen inzetten, maar de legertop lijkt tegen elke prijs te willen voorkomen dat er klappen vallen. Ook ons liefst zo laag mogelijk opgeleid kanonnenvlees geeft er om overigens begrijpelijke redenen de voorkeur aan in leven te blijven en komt in geval van twijfel niet in actie.

Als we P. Flavius Vegetius mogen geloven valt aan die slappe houding zeker iets te doen. Deze schrijver, die vermoedelijk aan het eind van de vierde eeuw in opdracht van de Romeinse keizer een handboek voor de generaal schreef, leefde zelf in een tijd die niet bekend staat om zijn schitterende veldslagen en heroïsche overwinningen. Het Romeinse rijk werd overspoeld door barbaarse stammen die graag wilden meeprofiteren van de daar nog altijd voortreffelijke infrastructuur. Omdat ook het Romeinse leger inmiddels voor een belangrijk deel uit matig getrainde barbaren bestond, was het, zoals we nu weten, nog slechts een kwestie van tijd dat het eens zo machtige imperium zou verbrokkelen tot een lappendeken van onbeduidende staatjes.

Maar Vegetius geloofde oprecht dat de aloude militaire superioriteit hersteld zou kunnen worden door een doelmatige organisatiestructuur, een goede selectie van manschappen, een keiharde training en een flinke financiële impuls. Zijn werkje kan worden beschouwd als de beleidsnotitie van een noodlijdend ministerie, waarin overzichtelijk staat opgesomd wat de randvoorwaarden zijn voor het instandhouden van een slagvaardig leger. In het eerste boek gaat Vegetius in op de selectie en training van rekruten. Afrikanen zijn weliswaar intelligent, maar doordat de hitte hun bloed heeft doen verdampen, zijn ze niet erg standvastig. Volkeren uit het noorden hebben daarentegen wel voldoende bloed, dat hen krijgszuchtig maakt, maar zij zijn weer niet intelligent genoeg. De generaal doet er dus goed aan rekruten uit gebieden met een gematigd klimaat te werven. Uitvoerig wordt beschreven hoe de jonge soldaten gedrild moeten worden.

Het tweede boek gaat in op de organisatiestructuur van het roemruchte Romeinse legioen, terwijl in het derde wordt uitgelegd hoe men het best te werk kan gaan als men veldslagen wil winnen. Dat is hard nodig, want «wie vrede wil moet zich voorbereiden op oorlog». Uiteenlopende krijgstactieken en strijdmethoden worden minutieus behandeld, en wel op zo’n manier dat zelfs de meest verstokte pacifist bewondering krijgt voor de wetenschappelijke precisie waarmee de Romeinen hun militaire hegemonie wisten te vestigen. Dit alles onder het motto: «de natuur brengt weinig helden voort, maar velen worden helden door harde arbeid en goede training». Kijk, daar kan Korthals iets mee.

Het laatste boek spreekt over de belegering van steden en het voeren van zeeslagen, compleet met een verhandeling over meteorologie, waaruit valt op te maken dat men alleen tussen 27 mei en 14 september veilig de zee op kan. Buiten die periode is het marineseizoen domweg gesloten.

Alle vier de boeken, die tamelijk nuchter van toon zijn, worden ingeleid met een retorisch zwaar aangezette inleiding waarin het roemrijke Romeinse verleden en de genialiteit van de keizer worden bejubeld: «Dat u, in uw genade, zonder enig voorbehoud en buitengewoon competent vasthoudt aan de richtlijnen die onze voorouders aangaande de krijgskunst hebben opgesteld, wordt bewezen door uw aanhoudende overwinningen en triomfen, als tenminste de afloop van gebeurtenissen een onweerlegbaar bewijs is van iemands kunde. Maar uw kalmte, onoverwonnen keizer, die voortkomt uit een inzicht, dieper dan mijn aardse geest kan bevatten, vraagt om oude voorbeelden uit boeken, hoewel juist de oude tijden door u met recente daden worden overtroffen.»

Vegetius heeft dus geput uit allerlei bronnen die wij niet meer kennen, boeken die vaak al honderden jaren oud waren. Het was daar dat hij onschatbare informatie opdeed over wigformaties, de exacte afmetingen van de wal rond een kamp, het oversteken van rivieren en het inzetten van kamelen, zeiswagens en olifanten: «Een centurio sloeg een keer in Lucanië met zijn zwaard een olifant zijn hand, die ze ‹slurf› noemen, af. (…) Anderen stuurden geharnaste soldaten op de olifanten af. Op hun armen en helmen of op hun schouders waren zeer grote ijzeren uitsteeksels aangebracht, om te voorkomen dat de olifant met zijn slurf de naderende krijger kon vastgrijpen.»

Als er uit Vegetius’ boek één ding duidelijk wordt, is het wel dat het veroveren van de wereld veel geld en energie kost en dat het alleen lukt als het leger tot de laatste man bereid is voor zijn vaderland te sneuvelen. Misschien kunnen we het boekje eens opsturen aan Bush en Blair.