Halifaxen vliegen over nachtelijk Nederland met zesduizend kilo bommen aan boord. Ze zijn op weg naar het Ruhrgebied. Geograaf en historicus Ruud Cools werkt ondertussen achter geblindeerde ramen aan zijn boek. Hij woont nu in Leiden, zijn wijk in Den Haag was door de Duitsers aangewezen als Sperrgebiet. Cools’ lessen als aardrijkskundeleraar waren opgeschort. Ergens in die bezettingsjaren is hij begonnen met schrijven. Strijd om den grond in het lage Nederland verscheen in 1948, maar de oorlogssfeer is er nooit uit verdwenen. Alles in het boek is een gevecht.

In bijna driehonderd pagina’s verhaalde Cools over een eeuwenoude oorlog die Nederlanders voerden. Dat deden ze niet met zwaarden, kanonnen of mitrailleurs. Nee, ze vochten met scheppen en kruiwagens. De geograaf vertelde het verhaal van de Nederlandse ‘strijd tegen het water’. Hij was niet de eerste; achttiende-eeuwse dichters schreven er al over. Toch zette Cools het meest ideaaltypische plot neer. Een plot waaraan we ook nu nog moeilijk kunnen ontsnappen.

‘Onze strijd tegen het water’ is een verhaal dat Nederlanders horen in geschiedenislessen, tijdschriften en politieke speeches. Het is een verhaal dat ze trots maakt. Uit een enquête van het Historisch Nieuwsblad uit 2018 bleek dat bij Nederlanders de meeste nationale trots opborrelde door twee historische wapenfeiten. Op één stonden de prestaties van Nederlandse topsporters. Als goede tweede eindigde ‘onze strijd tegen het water’.

Lezend in Cools’ boek lijkt het oorlogsgeweld door te klinken in de pagina’s. Derk Cools, zoon van Ruud, herkent het. Hij woont inmiddels op Curaçao, maar ook daar spookt het verleden. ‘Ik hoor soms nog die bommenwerpers.’ Via een korrelige Zoom-verbinding praten we over het boek van zijn vader. ‘Wanneer de razzia’s waren voor de Arbeitseinsatz verstopte hij zich. Mijn vader wilde niet werken in de Duitse wapenfabrieken’, herinnert Derk zich. ‘Het was een heel ritueel. Mijn oudste zus maakte dan de kastdeur open, schoof de schoenen op de vloer opzij, en hij kroop dan tussen het plafond van de eerste en de vloer van de tweede verdieping. Daar zat hij totdat de Duitsers uit de straat vertrokken.’

In die oorlogsjaren had Cools een missie: hij moest een verhaal vertellen. Cools hield van vertellen, in het klaslokaal en aan het bed van zijn kinderen, memoreert zijn zoon. Hij wilde dat zijn verhaal over de strijd tegen het water mooi en meeslepend was. ‘Zijn boek moest goed lopen en goed klinken’, zegt Derk. ‘Daar besteedde hij veel aandacht aan. Ik vind het een akoestisch boek: je hoort de zee, de storm, het kraken van de dijkdoorbraak. En als je het voorleest hoor je nog iets: hij schrijft met een opmaat.’ Die opmaat zat niet alleen in het ritme van de zinnen, maar ook in de boodschap. Het plot van Cools is hoopvol. Wanneer het boek verschijnt, rekent hij af met vijf jaren bezetting. De Nederlandse polderaars eindigen erin immers als vreedzame landveroveraars. Zij zijn de winnaars. Het verhaal dat Cools vertelde, was een heldenverhaal. En wij, Nederlanders, zijn die held.

Een moedige ridder spietst een draak aan zijn lans. ‘Dat is Sint Joris’, zegt Simon Gusman. We kijken naar het icoon dat boven zijn bureau hangt. Gusman is filosoof en werkt aan de Radboud Universiteit. Samen met collega Arjen Kleinherenbrink schreef hij in 2018 het boek Avonturen bestaan niet. ‘Het icoon is geschilderd op een geitenhuid in Ethiopië’, vertelt Gusman, ‘en door missionarissen in de jaren vijftig naar hier gebracht. Ik verzamel ruiterstandbeelden. Een man op een paard, dat moet natuurlijk wel een held zijn.’ Een vrouwelijke heilige, aan de zijkant van het icoon, wordt door Sint Joris gered van het geschubde kwaad.

Sint Joris is een held omdat hij een avontuur beleeft. Gusman: ‘Een avontuur is een serie gebeurtenissen waarin álles wat gebeurt bijdraagt aan het behalen van een bepaald doel – of je nou de slechterik verslaat, de schat rooft, je geliefde vindt of jezelf zoekt. Wat er ook gebeurt, het is een stap richting die ontknoping, zodat je naar huis kunt terugkeren.’ Maar om terug te keren, moet je eerst vertrekken. ‘Wat je in veel avonturen ziet’, vertelt Gusman, ‘is het idee van twee werelden. De held wordt naar een magische wereld meegenomen. Als Harry Potter op een bepaalde steen in Londen drukt komt het wereldje van de tovenaars tevoorschijn. En zelfs al speelt het avontuur zich in een sciencefictionwereld af, zoals in Star Wars, dan moet de hoofdpersoon van een saaie zandplaneet naar een ander sterrenstelsel afreizen.’

Toch hoeft die nieuwe wereld niet per se exotisch te zijn, betoogt José Sanders, hoogleraar narratieve communicatie aan de Radboud Universiteit. Samen met collega Kobie van Krieken deed ze onderzoek naar heldenverhalen in reclames. Zelfs een kop thee van Pickwick kunnen marketeers nog avontuurlijk maken. Want ook theedrinkers kunnen een risico nemen door een ingewikkelde sociale confrontatie aan te gaan. ‘In reclamefilmpjes van Pickwick’, analyseert Sanders, ‘wordt thee geschonken op een moment dat mensen met elkaar een diep gesprek aangaan over iets moeilijks. Bijvoorbeeld over iets wat in het verleden is gebeurd, waarvoor de hoofdpersoon vergeving vraagt, of waarin ze aangeeft dat ze weer contact wil met iemand. En precies op het moment dat die vergeving of dat contact plaatsvindt, zie je natuurlijk dat labeltje van Pickwick.’

Een heel volk, zo betoogt Gusman, kan ook op avontuur trekken

Die risicovolle sociale situatie eindigt in een verzoening en in een veilige thuiskomst. Consumenten koppelen de bijbehorende ontroering aan het theemerk, legt Sanders uit. ‘Als we vervolgens zelf dat product gebruiken, voeren we als het ware datzelfde verhaal op.’ Hebben dan nu overal mensen sorry gezegd met een kop Pickwick erbij? ‘Nee, dat denk ik niet. Maar de doelgroep die er gevoelig voor is, koppelt het merk wel aan vertrouwdheid, de tijd nemen, elkaars emoties respecteren.’ De theedrinkster wordt, volgens Sanders, een heldin. En Pickwick is haar toverelixer.

Gusman en Sanders halen hun ideeën over avonturen en helden uit het werk van Joseph Campbell. Deze Amerikaanse letterkundige bestudeerde mythen van over de hele wereld: van de Navajo tot de Aboriginals, van de Bhagavad Gita tot de Bijbel. Campbells bekendste boek, De held met de duizend gezichten, verscheen in 1949. Hierin betoogde hij dat al die legenden hetzelfde heldenverhaal vertellen: de monomythe.

Sanders: ‘Campbell probeerde iets te zeggen over wat het betekent om mens te zijn. Wat hij zag was dat de grote verhalen van de wereldliteratuur telkens een vergelijkbare structuur hebben.’ Dat grondmotief is er niet voor niets, stelt Sanders. ‘Die structuur heeft iets herkenbaars voor alle mensen. Iedereen maakt in het leven ontwikkelingen door – markeringen – die door het reisverhaal van de held in het groot worden uitgebeeld.’ Maakt dat ons dan ook helden? ‘Wij maken niet allemaal een meeslepend avontuur mee, maar we moeten op weg naar volwassenheid ook allemaal eens onze vertrouwde omgeving verlaten. Wij moeten ook hindernissen overkomen en door diepe dalen om te eindigen waar we willen zijn. Er zit een universaliteit in het heldenverhaal, en dat maakt het een aantrekkelijk en herkenbaar patroon.’

Campbells boek was en is razendpopulair. De held met de duizend gezichten werd het standaard stappenplan voor scriptschrijvers in Hollywood. Onder anderen regisseur George Lucas liet zich erdoor inspireren toen hij het plot van Star Wars uittekende. Nog steeds vinden Campbells boeken grote aanhang onder coaches, managementgoeroes en spirituele types. De wetenschap is echter minder enthousiast. Folkloristen toonden aan dat Campbell wel erg creatief omging met al die mythen om ze in zijn mal te passen – of te duwen. Daarnaast raakte de theoretische basis van zijn betoog, jungiaanse psychoanalyse, in diskrediet. In De held met de duizend gezichten vind je overal archetypen, oedipuscomplexen en fallussymbolen.

Is Campbells theorie niet gewoon achterhaald? ‘Tuurlijk, het is veel te absoluut’, zegt Sanders hoofdschuddend, ‘maar de waarde ervan is dat Campbell iets zag wat cultuurwetenschappers daarvoor nog niet zo hadden geformuleerd. Hij heeft een grondpatroon in de grote verhalen herkend en hij probeerde dat – in zijn tijd – te verklaren. Het is aan ons om dat weer verder te dragen. We hoeven niet stil te blijven staan bij Campbell. Het is geen bijbel. Maar als je ziet hoe de heldenrol actie oproept en mobiliseert, is dat heel bruikbaar.’

Wat Campbells monomythe daarnaast aantrekkelijk maakt, is juist dat hij zo flexibel is. De held volgt een patroon, maar dat patroon is niet eenduidig. Er zit rek in de monomythe. ‘Je hebt verhalen waarin de held moedig is – al dan niet met een zwaard’, vertelt Sanders, ‘maar soms gaat het heldenverhaal om volharding, bescheidenheid, of altruïsme – dan offert de held zichzelf op. Momenteel zien we veel verhalen van mensen die heel autonoom zijn. Ze draaien om personages die tegen alle weerstand in hun eigen weg gaan, die zich geen moer aantrekken van anderen. De waarden die de held uitbeeldt verschillen per publiek en per tijd, en daarom verschillen de verhalen ook.’

De held hoeft zelfs niet één persoon te zijn. Een heel volk, zo betoogt Gusman, kan ook op avontuur trekken. ‘In zo’n verhaal krijgt een natie, net als een held, ook een lotsbestemming. Een volk moet zijn land altijd winnen of vinden. Het moet een hele zeereis ondernemen om hun beloofde land te koloniseren, bijvoorbeeld. Of het bevrijdt zich van onderdrukkers. Een individuele held moet zijn plek in de wereld vinden, en een natie moet dat ook.’

Is dit trotse waterverhaal nog houdbaar? Door de klimaatcrisis stijgt de zeespiegel en pieken de rivierafvoeren

In Cools’ Strijd om den grond is het Nederlandse volk de held die zijn plek op de aardbol verovert of zelfs maakt. Er komen ingenieurs en staatslieden voorbij, maar in essentie draait het verhaal om de Nederlanders als één collectieve hoofdpersoon. Zo zijn de verbeteringen aan zeventiende-eeuwse windmolens, volgens Cools, niet elk door één slimme uitvinder bedacht. Dat de innovatieve machines meren konden droogpompen, was het ‘resultaat van de inspanningen eener gansche gemeenschap, welker bestaan in de lage landen immers ten sterkste afhing van deze overwinning van den geest’. Voor Cools was het Nederlandse volk de held. Maar wat was zijn avontuur?

De eerste inwoners van Noord-Nederland waren goed in één ding: vluchten. Wanneer het water weer over de weiden kwam trokken de inwoners zich terug op hun heuvels. En als die vluchtheuvels er al niet waren, dan bouwden ze deze wel. Cools’ heldenverhaal begint op de terpen en wierden in Noord-Nederland. ‘Hoe veilig men zich op die hoogten ook gevoeld moge hebben’, schrijft hij, ‘er lag ontegenzeglijk een element van onmacht in dezen vorm van beheersching der wateren.’ Mensen konden immers niet anders doen dan vluchten voor veiligheid. Maar toen kwam de oproep tot avontuur. Het was niet een grijze tovenaar of een mysterieuze Jedi die de Friezen van hun heuvels joeg, maar de natuur. Door een klimatologische verandering steeg de zeespiegel. Tegelijkertijd groeide de bevolking, een gevolg van ‘de meest primaire drijfveeren in ’s menschen bestaan’. De terpen zaten vol, het water steeg, en de Friezen moesten wat. Ze gingen over de eerste drempel: ze bouwden een dijk.

Die dijken waren nooit alleen voor de verdediging, zo stelt Cools. ‘Natuurlijk had zij’, de Fries, ‘ook de wijk kunnen nemen naar de hoogere en daardoor veilig gelegen pleistocene zandgronden. De Fries gaf echter vol vertrouwen op eigen kunnen de voorkeur aan de bedreigde kleigronden als blijvende woonplaats.’ En als je dijken bouwt, constateert Cools, ga je altijd in de aanval. Met die keuze betreden de eerste dijkbouwers de vreemde wereld: de lage gebieden waar dan weer water stond en dan weer land was. De kolonisatie van die vreemde wereld leidde, aldus Cools, naar ‘den strijd tot het uiterste’.

De Friezen konden het nog niet weten, maar ze waren nu de ‘weg van de beproevingen’ ingeslagen – om Campbells terminologie te gebruiken. In de bladzijden die volgen vertelt Cools hoe zwaar ze het hadden. Het water beroofde de boeren van koeien en kinderen. Hun dijken braken door en spoelden weg. Ze hadden ook alleen maar ‘eenvoudige wapenen’, zo schrijft Cools: scheppen en kruiwagens. En als de natuur het de mens al niet lastig genoeg maakte, verpestte de mens het zelf ook nog eens. Door het afgraven van turf van de veengronden zonk het land. In de zestiende eeuw bereiken de Nederlanders het dieptepunt van hun plot. Ze verliezen hun land, ze verliezen de strijd.

In Campbells heldenverhaal grijpt de held op dit soort momenten een magisch wapen of een toverdrank. Cools’ Nederlanders vinden iets anders: de windmolen. ‘De molen bleek weldra het middel dat volkomen in staat was den gevreesden waterwolf afdoende te bedwingen.’ Door de wind te vangen konden Nederlanders het water buiten de dijken pompen. Dat gaf ze de mogelijkheid om de gebieden die door turfwinning waren weggezonken weer droog te malen. Cools’ verhaal wordt vanaf dat moment optimistischer. De drooggepompte polders toonden, volgens de schrijver, ‘een overtuigend bewijs van den opgang van ons volk’. Het is tijd voor de held om vanuit de vreemde wereld terug te keren naar de veiligheid van de normale wereld. Beter nog: de waterige gronden zijn genormaliseerd.

In de pagina’s die volgen vertelt Cools hoe meer en meer land wordt gewonnen op het water. De Nederlanders breken hun molens af en vervangen deze door dieselgemalen. Dat doet Cools wel verdriet, maar het is niet anders. Het derde hoofdstuk van zijn boek, over de oude terpbewoners, heet nog ‘Offensief van natuur en mensch’. Het laatste heet ‘De zege van het heden’. Dat vat het plot wel samen. In de laatste akte is de waterwolf verslagen en triomfeert het Nederlandse volk. Of, om met Campbell te spreken: de held is meester van twee werelden geworden. Hij beheerst land én water.

Of toch niet?

Volgens Cools moesten Nederlanders niet denken dat ze het water maar zo hadden verslagen

‘Dus hoe ik het ken als gewone Nederlander?’ Sanders fronst. ‘Ja… We zijn een klein landje aan de mondingen van de rivieren. We waren altijd een speelbal van de natuur, ten prooi aan water. Van tijd tot tijd werden we overstroomd, maar we waren ook heel vindingrijk en volhoudend.’ Sanders vat de volgende eeuwen soepel samen. ‘En na de overstroming in 1953 zeiden we: ja, maar nú is het afgelopen. Dit laten we niet opnieuw gebeuren. Toen hebben we de Deltawerken gebouwd, vol technisch vernuft en met alle inspanningen en opofferingen die erbij hoorden, en daarmee hebben we het water écht overwonnen. Door onze uitvindingen en volharding zijn we nu veilig.’ Sanders’ samenvatting wijkt iets af van het verhaal van Cools. Immers, Cools schreef het nog voor de Watersnoodramp en de Deltawerken. Toch komen ze in grote lijnen overeen.

Is dit trotse waterverhaal nog houdbaar? Door de klimaatcrisis stijgt de zeespiegel en pieken de rivierafvoeren. Tegelijkertijd daalt het land, onder andere door het inklinken van veengronden. In juli 2021 zagen Nederlanders op tv hoe water door de straten van Valkenburg beukte. Voor klimatologen is het duidelijk dat deze watersnood, veroorzaakt door uitzonderlijk hevige regenval, niet los staat van de klimaatcrisis. ‘Valkenburg was een schok’, analyseert Sanders, ‘en een krenking van ons zelfbeeld. Op zo’n moment moet je je identiteit en het beeld van je vijand aanpassen. Was het water toch nog niet verslagen?’ In de klimaatcrisis staat de heldenstatus van Nederland op het spel.

Sommige geologen en ingenieurs zijn al verder dan de ondergelopen straten zoals in Valkenburg. Ze ontwikkelen toekomstscenario’s waarin Nederland forse stukken grond moet teruggeven aan het water, omdat ze niet langer te verdedigen zijn. Zo schetste het waterstaatkundig instituut Deltares in Delft een mogelijke toekomst waarin grote delen van West-Nederland zijn ondergelopen. Mensen wonen in het oosten, in drijvende woningen of op de paar eilanden die nog over zijn van de Randstad. In het klein werd de afgelopen jaren al land teruggegeven aan het water. Dat gebeurde onder andere in het programma Ruimte voor de Rivier. Binnen dit programma werden aan de Waal bij Nijmegen 48 huizen afgebroken voor een dijkverlegging en een overlaat. Waterstaatkundigen noemen dit soort projecten managed retreat: georganiseerde terugtrekking.

‘Als je met z’n allen een stevig, collectief verhaal hebt’, betoogt Sanders, ‘en er gebeuren dan nieuwe dingen, zoals Valkenburg, die daar niet in passen, dan kan ontkenning of moedeloosheid optreden. Je moet dan in het bewustzijn van de natie een nieuw probleem, en vooral een nieuw handelingsperspectief planten.’ Daarmee schuift Nederland eigenlijk een fase terug in het eigen heldenverhaal, meent ze. We dachten dat we veilig waren thuisgekomen en de beproevingen hadden overleefd, en dat blijkt nu een illusie. Publiekscommunicatie kan wel strategisch teruggrijpen op eigenschappen van de oude held, om een nieuwe episode in het waterverhaal te formuleren. Sanders: ‘Wanneer we bijbuigen, kunnen we weer die veerkracht en vindingrijkheid inzetten in de nieuwe situatie. Zo’n hoopvol plot kan weer richting geven.’

Gusman is een stuk sceptischer. De titel van zijn boek, Avonturen bestaan niet, zegt het al: verhalen zijn volgens hem sowieso gedoemd om uit elkaar te vallen. Naast Sint Joris hangt er, op een prikbord, nog een andere ruiter: Don Quichot. Net als deze literaire dagdromer jagen wij allemaal avonturen na. ‘We willen houvast’, vertelt Gusman, ‘we willen het leven begrijpen. Verhalen bieden ons perspectief om ergens naartoe te gaan. Helemaal zonder verhalen zullen we dus nooit kunnen.’ Maar, vervolgt Gusman, ‘het heldenverhaal is dan weer héél rigide, een patroon waarin iedereen een duidelijke plek en rol heeft. En dat terwijl er ook andere verhalen te vertellen zijn, avontuurloze verhalen. Daarin doe je recht aan de contingentie van het bestaan, waar niet alles een eenduidige functie heeft en een eenduidige rol.’ De filosoof is dan ook niet overtuigd van Campbells universele levensmarkeringen. ‘Het bestaan is stuurloos. En soms tragisch.’

De geschiedfilosoof Hayden White betoogde in zijn boek Metahistory (1973) dat historici een plot aanbrengen in hun verhalen over het verleden. Hij onderscheidde er vier: romance, tragedie, komedie en satire. Het heldenverhaal van Cools komt nog het meest overeen met de romance. Niet omdat er nou geliefden in zitten – het is immers juist een strijdverhaal – maar in White’s definitie van de romance overwint het goede over het kwade. Dat gebeurt ook in Cools boek wanneer de vindingrijke Nederlanders de boosaardige waterwolf verslaan. Toch is dat niet het enige verhaal dat je in de driehonderd pagina’s kunt vinden. Tussendoor zie je ook een heel ander plot, een verhuld tegennarratief.

Duitse soldaten lieten de Wieringermeerpolder overstromen. Op 17 april 1945 hadden ze, met twee explosies in de ringdijk, het water vrij baan gegeven. Dit was een drama voor Cools, die de polder beschouwde als ‘onze grootste, modernste en technisch meest geperfectioneerde overwinning op de zee’. Het verlies illustreerde tegelijkertijd voor hem ook een centrale les in zijn geschiedenis. Cools besluit zijn boek met de woorden luctor et emergo, nunc et semper: worstel en kom boven, nu en altijd. De zege was voor hem nooit definitief. ‘In permanentie ligt de zedelijke kracht van dien strijd’, betoogde Cools, die een ‘onafgebroken inspanning van lichaam en geest’ vergde ‘om het verworvene te handhaven en te veredelen’. Nederlander-zijn betekende altijd werken voor je land.

Dat zag hij ook in de overstroming van 1916, een van de zwaarste die Nederland ooit heeft meegemaakt. ‘Nog eenmaal moest de Nederlander’, schrijft Cools over die watersnood, ‘ervaren dat die krachten bij de geringste veronachtzaming harer mogelijke grillen in staat waren hem in groote ellende te storten.’ Hierin zag Cools ook een belangrijke les. ‘Psychologisch gesproken, ligt hier het grootste gevaar, waaraan de cultuurmensch, die zich dank zij zijn vermogen tot natuurbeheersching juist beveiligd waant tegen de vijandige krachten der natuur, voortdurend staat blootgesteld.’ Volgens Cools moesten Nederlanders niet denken dat ze het water maar zo hadden verslagen, want dan zouden Nederlanders juist weer verliezen door onachtzaamheid. Het is een puzzel die je niet op kunt lossen. Daarmee zit er ook, al is het maar subtiel, een satirisch plot in Cools’ verhaal. En misschien zijn wij, in de klimaatcrisis, in die satire beland.

Na de oorlog werd Cools hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, nu de Radboud Universiteit. Hij publiceerde nog nauwelijks. Zoon Derk wijt het onder andere aan de drukke agenda van zijn vader – als professor moest hij de nieuwe studie geografie opzetten – en aan zijn perfectionisme. Hebben Ruud en Derk Cools ooit over de watersnood van 1953 gesproken? De zoon kijkt met een gepeinsde blik in zijn webcam. Nee, hij kan het zich niet meer herinneren. De Deltawerken? Ook dat niet. Klimaatverandering? Nee. Dat laatste is ook niet zo gek. Cools overleed in 1987, toen de bom nog dreigender leek dan de zeespiegel. Toch zou het Ruud Cools ongetwijfeld pijn hebben gedaan als Nederland eens in de golven zou verdwijnen. ‘Hij schrijft normaal erg afstandelijk’, zegt Derk, ‘maar ergens heeft hij het opeens over “ons”. Toen ik dat las, dacht ik: hé, hij voelde zich toch betrokken bij deze geschiedenis. Ja, hij voelde zich een Nederlander.’

Adriaan Duiveman (1993) is historicus. Hij promoveert aan de Radboud Universiteit op de culturele omgang met rampen in de achttiende eeuw. Met zijn essay Vloeibare grenzen won hij de Elise Mathilde Essayprijs 2021 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap.