Fictie en non-fictie pockets

Helden van niets

Een held handelt en een antiheld niet; voor de moderne tijd gaat de daad boven alles. Maar een held die weigert te handelen brengt die overtuiging aan het wankelen. Net als de daadkrachtige buitenstaander die handelt zonder moraal.

Am Anfang war die Tat, schrijft Faust in de tragedie van Goethe in de eerste jaren van de negentiende eeuw. Faust heeft op dat moment het Johannes-evangelie opgeslagen en zoekt naar een goede vertaling van het openingsvers: «In den beginne was het woord.» Dat is hem veel te slap. Liever schreef hij: «In den beginne was de kracht», maar ook dat is niet pregnant genoeg. Dan valt hem de juiste wending in: «In den beginne was de daad.»

Dat is bij uitstek een moderne gedachte, zoals Faust zelf het model van de moderne mens is. Faust wil alles doorzien en alles beheersen. Hij verlangt naar de allesomvattende kennis en onbeperkte macht die tot dan toe aan God waren voorbehouden. Hij wil de schepper van zijn wereld zijn: de onbewogen beweger die alles op gang brengt en de rusteloze energie die alles gaande houdt. Hij bestaat omdat hij handelt; en omdat hij in zijn handelen de wereld voortbrengt, is die er voor hém.

Daarom is de mens in de moderne tijd een wezen geworden dat zich kenmerkt door zijn activiteit. Autonomie is zijn hoogste streven en hij verwerft die zelfstandigheid door wat hij doet. De held van de moderniteit is een Macher die overloopt van kracht en scheppingsmacht. Vanuit zijn overvloed, die geen behoeftigheid kent, zet hij de wereld naar zijn hand en daardoor maakt hij zichzelf werkelijk. Hij hangt van niets of niemand af en daarin is hij — zoals het existentialisme zei — authentiek.

De antiheld is de tegenhanger van dat alles. Zijn passiviteit is het negatief van de daadkracht van de held en in zijn afhankelijkheid bewijst hij tekort te schieten in zelfstandigheid. Wat hem kenmerkt, is het gebrek. Hij heeft geen eigen gezicht of waarde, maar bestaat slechts als de ontkenning van de held. Die laatste vertegenwoordigt de waarden die de antiheld eigenlijk zelf zou moeten belichamen.

In deze rolverdeling staan er dus niet twee onafhankelijke figuren tegenover elkaar. Er is eigenlijk maar één figuur, en dat is de handelende held. De antiheld ís niets; hij bestaat alleen maar als het negatieve spiegelbeeld van de Macher. Er is tussen die twee geen verschil, alleen maar omkering, en daarom is het moderne universum waarin ze zich bewegen gesloten. Het is het één of het ander, maar tussen die twee zit geen speelruimte die twijfel kan doen rijzen aan de vanzelfsprekendheid van het beslissende crite rium: de daad.

Zodra handelen de enige maatstaf van menselijkheid wordt, is passiviteit alleen nog het ontbreken van iets wat er eigenlijk zou moeten zijn. Niet-handelen is dan letterlijk «niks». Wanneer zich in de moderne tijd een probleem voordoet, is «iets doen» altijd beter dan «niets doen», zelfs wanneer de gevolgen contraproductief zijn. Wie iets doet heeft in elk geval gehandeld. Dat loutere feit geeft hem moreel aanzien en niets is zo verachtelijk als werkeloos toezien. Is het ooit anders geweest? Is de held niet altijd de «doener» geweest die als een mannetjesputter korte metten maakte met de bedreigingen van have, goed en leven? Was hij niet altijd al degene die raadsels oploste, knopen doorhakte en monsters versloeg?

Dat is een misverstand. De archaïsche held uit mythen en sagen was slechts in beperkte mate heer over zijn wereld, en zijn daden hadden meestal een twijfelachtig resultaat. Oedipus moet zijn waarheidshonger betalen met het licht van zijn ogen, Agamemnon zijn leidersambities met zijn dood, Odysseus zijn listigheid met de dubieuze reputatie een oplichter en sjoemelaar te zijn.

Zelfs de moderniteit heeft die tweeslachtigheid moeten erkennen. Julien Sorel, de hoofdpersoon uit Stendhals roman Het rood en het zwart, is de selfmade man bij uitstek. Afkomstig van te lage geboorte om maatschappelijk mee te tellen, vecht hij zich de wereld binnen met alle middelen die hem ten dienste staan. Het voornaamste daarvan is liefdesbedrog, waarvan hij zonder scrupules gebruik maakt. Als hij een held is, dan is hij een reeds bij voorbaat gecorrumpeerde held, omdat hij letterlijk «van buiten» komt. Hij máákt zichzelf en hij maakt zijn wereld, die een wereld wil zijn van aanzien, respect en fatsoen.

Maar dat fatsoen — of de schijn ervan — brengt niet zichzelf voort. Het wordt door Julien Sorel geschapen of gesimuleerd vanuit een ambitie die zelf nog niet tot deze wereld van achtbaarheid behoort. Als Sorel van buiten komt, dan komt hij ook van buiten de moraal. De selfmade man is dus altijd in meer of mindere mate wetteloos en nihilistisch. Moreel is hij een held van niets. Pas wanneer hij is gearriveerd, kan hij pretenderen in fatsoen te zijn geboren.

Aan elke handeling die een wereld schept, kleeft het odium van de overschrijding of het exces van het geoorloofde. Iedere menselijke pretentie van zelfredzaamheid en efficiënte daadkracht heeft van oudsher iets twijfel achtigs. Onafhankelijk waren slechts de goden; alleen zij beslisten over de doeltreffendheid van elke handeling. De menselijke pretentie het eigen levenslot in handen te hebben, gold van oudsher als hoogmoed (hybris) en een belediging van de goden, die de overmoedige held duur kwamen te staan.

Het monotheïsme heeft dat goddelijke privilege tot in het uiterste doorgedreven, maar zelfs daarin is God niet de absolute Macher. De schepping van de wereld die in de eerste hoofdstukken van Genesis wordt verteld, is niet de «schepping uit niets» die de middeleeuwse en moderne theologie ervan hebben gemaakt. Veeleer is zij de ordening van een oerchaos die er al was voordat God zijn scheppingswerk begon. Zelfs God was niet het volstrekte begin van alles. Zijn «daad» had iets anders nodig waarmee hij aan de slag kon en waarvan hij dus in zekere mate afhankelijk was.

De zuivere daadkracht wordt van oudsher met een zekere scepsis tegemoet getreden, totdat de moderniteit er haar beginsel van maakt, zonder de knagende twijfel van de onbegaanbaarheid van dat radicalisme geheel te kunnen onderdrukken. In een filosofie van de «atto puro», waarop Mussolini zijn ideologie grondvestte, is passiviteit alleen nog maar afwezigheid van handelen en dus letterlijk niets, en wordt de passieve held dus even letterlijk een held van niks. Er is geen middenweg tussen het «alles» van de daad en het «niets» van de werkeloosheid. Geen twijfel tornt nog aan het vanzelfsprekende gelijk van dit naadloos gesloten bestel.

Totdat daarin een figuur opstaat wiens passiviteit niet meer als een gebrek aan daadkracht is te begrijpen. Hij is niet de antiheld, die het evenbeeld van de held is met een omgekeerd voorteken, maar is anders dan zowel de één als de ander. Hij valt letterlijk buiten het bestel waarin die twee als nul en één tegenover elkaar staan. En daarmee breekt hij de vanzelfsprekendheid van dat universum in stukken. Plotseling is er tussen hemel en aarde iets méér dan alleen doen en laten.

Waar de twijfel begint te knagen aan de alleenheerschappij van de zuivere daad, krijgt ook het niet-handelen een eigen gewicht. Het houdt op louter een negatief van het handelen te zijn, maakt zich los uit de dodelijke omhelzing ervan en wordt daarvoor ongrijpbaar. Het valt buiten de logica die slechts de waarden van A en niet-A erkent, omdat het iets wezenlijk anders vertegenwoordigt, en de raadselachtigheid daarvan maakt de dadendrang van binnenuit onzeker. Plotseling stoot de actieve held op een onzichtbare grens die hij onmogelijk kan begrijpen, omdat zij aan het bestel van alles-of-niets ontsnapt.

Er valt dan ook niets te begrijpen, zoals er met die grens ook niets te doen valt. Plotseling staat de handelende held met lege handen en wordt hij geconfronteerd met een fenomeen dat zich aan zijn oordeel onttrekt. De passiviteit van de niet-handelende held is niet immoreel, maar amoreel. Ze valt buiten het kader van goed of slecht, dat alleen op handelingen van toepassing is, of die nu positief zijn (de daden van de held) of negatief en leeg (de werkeloosheid van de antiheld).

Voor de held is de lege passiviteit van de antiheld het verachtelijke bij uitstek, maar de dadenloosheid van de niet-handelende held is niet leeg. Ze onttrekt zich aan de tegenstelling tussen actief en passief en heeft haar eigen maatstaven, maar de activist begrijpt die maatstaven niet. In arren moede noemt hij die dadenloosheid dan toch maar immoreel, want «niets doen» is in zijn ogen altijd een morele tekortkoming. In het dualisme van zijn wel-of-niet heeft hij geen andere keuze.

Maar welke keuze maakt de weloverwogen niet-handelende held zelf? Is hij, wanneer hij Hamlets vraag «zijn of niet-zijn» losmaakt van de vraag «doen of niet-doen», een louter contemplatieve beschouwer? Is hij een teleurgestelde doener die zich heeft teruggetrokken uit elke activiteit en rancuneus Gods water over Gods akker laat lopen? Of is hij een vermoeide wereldwijze die alles al heeft gezien en zich blasé heeft uitgeleverd aan onverschillige verveling?

In de roman Die Cellospielerin van Michael Krüger heeft de held zelfs geen naam, al krijgen we indirect het vermoeden dat hij Georg heet. Als componist met ooit hemelbestormende idealen, leeft hij ruim en genoeglijk van het schrijven van herkenningsmelodieën voor televisieseries en reclameboodschappen. Zijn ideaal is het schrijven van een opera over Ossip Mandelsjtam: het grote werk dat hem zowel voor zijn collega’s als in zijn eigen ogen opnieuw respectabel moet maken. Veel komt er niet van, des te minder wanneer de jonge celliste Judit in zijn leven verschijnt, overgekomen uit Boedapest, waarvandaan moeder Maria haar naar haar vroegere minnaar Georg heeft gestuurd.

Is Judit zijn dochter? Dat blijft het hele boek lang ongewis, hoewel Georgs leven meer en meer door haar in beslag wordt genomen. Zij wordt gevolgd door haar familie, die bij hem intrekt zonder dat hij zich daartegen verzet. Even vanzelfsprekend had hij in de rode jaren zestig en zeventig deelgenomen aan het politieke kunstcircuit dat hem regelmatig in Oost-Europa bracht, waar kunstenaars en denkers van beide zijden van het IJzeren Gordijn een brug trachtten te slaan tussen het dialectisch materialisme en de muzikale avant-garde.

Deze flashbacks geven Krüger ampele gelegenheid tot hilarische scènes, beschreven met de geamuseerde ironie van de hoofdpersoon, die achteraf ook daarin zijn willigheid en middelmatigheid erkent. Meegaandheid is altijd zijn voornaamste karaktertrek gebleven, zelfs in zijn liefdesgeschiedenis met Maria, van wie achteraf zelfs niet duidelijk wordt of zij wel of niet handelde in opdracht van de geheime dienst. Maar waarom — zo vraagt Georg zich af — zou deze al die moeite doen om een onbetekenende componist te schaduwen? Hadden de Oost-Europese diensten niets beters te doen?

Onbeantwoord als deze vragen blijven, vestigen ze voortdurend de aandacht op Georgs onbetekenendheid, die hij zelf tot aan het masochistische toe onderstreept. «Je bent noch elitair noch populair, je hebt niet de juiste vrienden en zelfs niet de juiste vijanden, je bent niet links genoeg, maar ook niet welbeslist aristocratisch», voegt een vriend hem toe — en Georg weet dat hij gelijk heeft. Hij is een leegte in de wereld, een gat in het sociale bestel dat om hem heen soepel functioneert en in functie waarvan ook híj functioneert. De enige van wiens naam we niet zeker kunnen zijn, omdat ze ons alleen — door Judit — in het Hongaars wordt verteld: György.

Zoveel dadenloosheid is voor Judit, die overstroomt van wilskracht, te veel en te weinig tegelijk. Zij kan haar vermoedelijke vader en/of minnaar — zelfs dat wordt niet geheel duidelijk — schofferen, maar even ongrijpbaar en onbegrijpelijk als zij dat is voor hem is hij dat voor haar. Beider werelden rijmen niet en kunnen elkaar uiteindelijk alleen maar de rug toekeren. Meer nog dan Judits onuitstaanbaarheid voor hem, is Georgs passiviteit voor haar moreel shockerend.

Om te zijn moeten we doen: dat is Judits standpunt en het is ook het onze — hoe vervreemdend Krüger dat voor ons ook maakt door het te situeren in een niet al te sympathiek personage dat we door Georgs ogen bezien. Dat wil zeggen: we observeren het vanuit het nulpunt dat we eigenlijk zelf niet zouden mogen begrijpen, omdat zijn masochistische passiviteit ook onze gevoeligheid kwetst. Onbevattelijk blijft waarom Georg niet handelt, en toch denken wij het hele boek lang met hem mee. Op diens weigering te handelen ketst de moraal van het moderne activisme eenvoudigweg af en dat maakt hem tot een aanstoot die groter is dan elke handelingskeuze. Hij vertegenwoordigt het volstrekte andere van wat onweerlegbaar het verstandigste en onbetwijfelbaar het juiste is. Hij is wat eigenlijk niet zou kunnen of mogen bestaan — en toch is hij er.

Wat zijn beweegredenen en maatstaven ook mogen zijn, de niet-handelende held vormt een gat in het bestel van redelijkheid en fatsoen. Zijn amoralisme, die niets wil of, als ze al iets wil (een Mandelsjtam-opera componeren), weet dat dat alleen maar simulatie is, valt buiten het schema waarin de daad de norm is. Daarin is hij het spiegelbeeld van Julien Sorel, wiens handelen amoreel is, omdat het wordt gemotiveerd van búiten de geaccepteerde en gegoede maatschappelijke orde. Alleen wie daarbínnen handelt kan rekenen op respect.

En wie reeds in dit moderne en burgerlijke bestel is opgenomen, kan van zijn kant slechts aanstoot geven door níet te handelen, een witte vlek te worden en zichzelf tot in zijn naam toe uit te wissen. Hij ondermijnt, met en zelfs door een totaal gebrek aan agressie, goedmoedig de pijlers van het morele bestel en is even ergerniswekkend — zij het minder opvallend — als de openlijk amorele outsider Sorel.

Zo grimmig als Stendhal schreef, zo licht en burlesk schrijft Krüger. Hun hoofdpersonen zijn verre van onschuldig, maar hun schuld ligt aan gene zijde van de regels van de moraal. Die laatste wordt door elk van beiden op zijn eigen manier overtreden en daarom is het verhaal dat van hun aanstoot vertelt, in een totaal verschillend register getoonzet. Maar voorbij de gangbare criteria van goed en kwaad, is hun passiviteit destructief voor íedere orde.

Zij doet een verwoestende twijfel binnensluipen in een bestel waarin de daad geldt als begin, eindpunt en bestaansrechtvaardiging van alles, en dat zijn moraal daarop heeft afgestemd. In de niet-handelende held bínnen het bestel, en in de daadkrachtige van búiten, wordt plotseling het ondenkbare manifest. Rond hen is niets meer eenduidig en beslisbaar. Als de anti-Faust die elk van hen op eigen wijze is, zouden zij hebben geschreven: «In den beginne was er het onmogelijke.»

Stendhal

Het rood en het zwart

Pandora pocket, 576 blz., € 8,98

Michael Krüger

Die Cellospielerin

Suhrkamp Taschenbuch, 375 blz., € 12,95

Flavius Josephus, De oude geschiedenis van de joden

«In die tijd leefde Jezus, een wijs man… Hij ver richt te namelijk daden die onmogelijk geacht werden en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen.» Dankzij die woorden werd De oude geschiedenis van de joden van Flavius Josephus het meest gelezen historische werk uit de oudheid. Het was het eerste niet-christelijke getuigenis van het optreden van Jezus van Nazareth, ongeveer uit de tijd van het Lucas-evangelie. Of werd dit Testimonium Flavianum later aan de tekst toegevoegd? Pas tweeënhalve eeuw later werd het door Euse bius van Caesarea voor het eerst geciteerd. Historici houden het voor authentiek, al is er wel in de tekst geknoeid. Die beslaat maar zo’n tien regels van de bijna vijftienhonderd bladzijden. Vijftien jaar werkte Flavius Josephus aan het boek; in het jaar 94 was het klaar. Voor de laatste twee eeuwen had hij zijn eigen bronnen moeten zoeken. Tot aan de Makkabeeënopstand volgde hij gewetens getrouw de bijbelboeken. Ook hij begint met: «In het begin schiep God de hemel en de aarde.»

Ambo Olympus, drie delen, 1456 blz., € 69,-

(na 1 aug. € 89,-)

Clarín, La Regenta

«Ik twijfel erg of ik uit het hout van de romanschrijver gesneden ben», schreef de criticus Leopoldo Alas in 1884 aan de Spaanse literatuurvorst Pérez Galdós. «Ik ben maar een gewone huisvader met weinig andere talenten dan die van hogere-stukjesschrijver.» Onderwerp was zijn roman La Regenta, een Spaanse tegenhanger van Madame Bovary, waarover Clarín (Alas’ schrijversnaam) graag een objectief oordeel hoorde. Een eeuw later had La Regenta alle romans van Pérez Galdós in roem overvleugeld en is Vetusta — gemodelleerd naar de stad Oviedo — het Spaanse Macondo geworden. Clarín ranselt de bourgeoisie scherp en hilarisch, al is hij minder zwartgallig dan Flaubert. Daarvoor was hij te veel een moralist, die altijd het ideaal van waarheid en gerechtigheid voor ogen hield. Maar hoe hij vertelt, is nog altijd adembenemend. Hij kon cinematografisch schrijven nog voordat de film bestond. Modern, maar ook weer met mate. Wie krijgt er nog hartkloppingen van een bekouste enkel?

Ooievaar pocket, 696 blz., € 8,85

Rüdiger Safranski, Arthur Schopenhauer

«Dit boek is een liefdesverklaring aan de filosofie.» Niemand die zo begint geloof je méér dan Rüdiger Safranski, die zelfs Schelling tot een passionerend denker weet te maken. Voor Schopenhauer was zoveel niet nodig. Opwinding en passie genoeg, al had de negentiende eeuw er decennia voor nodig om dat te ontdekken Toen was het hek van de dam — ook filosofisch. Schopenhauer verwierp de geruststellende gedachte dat het bestaan op harmonie berust. Begrepen de feestredenaars die hem citeerden dat werkelijk? «De mensheid heeft het een en ander van mij geleerd dat ze nooit zal vergeten», noteerde Schopenhauer aan het eind van zijn leven. Hij juichte te vroeg. De feestredenaars grepen het liefste terug op zijn minst pessimistische passages uit zijn bundel Parerga en paralipomena, zojuist opnieuw vertaald. Zelfs de meest bizarre titel bewees een verkoopsucces te kunnen zijn, maar de twintigste eeuw vergat hem, tot op de valreep van een nieuw millennium. Safranski wekte hem meeslepend tot leven.

Olympus, 518 blz., € 15,-

Martha Nussbaum, Wat liefde weet

«Mademoiselle Albertine is vertrokken.» Marcel is er in Prousts Recherche door verpletterd. Hij weet nu zeker dat hij van haar hield. Zijn liefde is zijn verplettering, niet iets wat daarachter zit, aldus Martha Nussbaum. Emoties als liefde zijn niet de verpakking van een soort «weten» dat zich ook op een andere manier laat kennen. Daarom kan de filosofie het niet stellen zonder de literatuur. Drie opstellen, een mooie inleiding van Marianne Boenink en een afsluitend interview presenteren de filosofie wier Nederlandse populariteit wedijvert met haar productiviteit. De kantlijn staat al snel vol uitroeptekens. «Om ruimte te maken voor liefdesverhalen moet de filosofie meer literair zijn, meer gelieerd aan verhalen, en moet ze meer respect tonen voor wat raadselachtig en onafgesloten is dan vaak het geval is.»

Rainbow pocket nr. 607, 334 blz., € 8,-

G.K. Chesterton, Father Brown

Katholicisme in de mode en daar verbijsterd over? Chesterton had in de eerste decennia van de twintigste eeuw al uitgelegd hoe rede niet onverenigbaar is met geloof en katholicisme het meest lucide antwoord is op de paradoxen van het verstand. Zijn onlangs herdrukte essay Orthodoxie blijft zijn belangrijkste getuigenis, maar de verhalenreeks rond de sullig ogende speurneus Father Brown, de klerikale voorloper van Colombo, is toegankelijker. Ergens tussen Poe en Conan Doyle in waren ze het ideale vehikel voor geloofsapologie als witticism. In het eerste van de 21 hier verzamelde verhalen ontmaskert Father Brown een beruchte boef, vermomd als pastoor, doordat ook hij het geloof niet goed begrepen heeft: «You attacked reason. It’s bad theology.» Je wordt intussen geen beruchte boef meer door melkflessen te verkopen, gestolen van de stoep van de buren. Gebleven is wel Chestertons scherpzinnigheid: «Unbelievers are all balanced on the very edge of belief — of belief in almost anything.»

Penguin Classic, 397 blz., € 15,40

Dai Sijie, Balzac et la Petite Tailleuse chinoise

Lessen van Balzac: de schoonheid van een vrouw is een schat die onbetaalbaar is. Seksistisch? In het China van Mao moet het een bevrijding geweest zijn een beha te maken naar het model van die van Madame Bovary. Het naaistertje uit de eerste roman van Dai Sijie (door hemzelf verfilmd) ontdekt haar vrouwelijkheid dankzij verboden boeken: Balzac, Flaubert, Stendhal, Dumas. Ze worden haar voorgelezen door twee jongens op strafkamp in het Chinese achterland, zoontjes van «klassenvijandige» ouders. Dai Sijie, sinds vijftien jaar wonend in Frankrijk, wist de ziel van zijn nieuwe vaderland te raken. De Franse literatuur is nog altijd een bevrijdend licht voor de wereld: dat horen ze in Parijs en omstreken graag. Toegegeven: ook Russen en een paar Engelse schrijvers mogen meedoen. Dai Sijies eersteling is vooral charmant. Ook dat moet hij in Frankrijk hebben geleerd.

Folio nr. 3565, 229 blz, € 8,35

Desmond Morris, Peoplewatching

Mannen houden van blote vrouwen, omgekeerd niet: dat wil de gangbare mythe. Maar de pupillen vertellen een ander verhaal. Bij het zien van iets aantrekkelijks verwijden ze zich, bij iets onaantrekkelijks vernauwen ze. En vrouwenpupillen, geconfronteerd met naaktemannenfoto’s, verwijden zich bij experimenten bijna even vaak als mannenpupillen bij vrouwelijke pin-ups. Desmond Morris, ooit beroemd geworden met zijn bestseller De naakte aap, bracht honderden observaties en wetenschappelijke vindingen over het menselijk gedrag bijeen, en noemde dat in 1977 nog Manwatching. Vijfentwintig jaar later werd het boek politiek correct hertiteld tot Peoplewatching — wat op zichzelf al een hoofdstuk in het boek had verdiend. Wél alles over lichaamscontact, vecht gedrag, seksuele signalen, niet-verbale lekken en plaatselijke gebaren (nuttig op vakantie).

Vintage, 526 blz., € 18,95

Theodor Fontane, Effi Briest

Verbrand hadden ze moeten worden, de brieven, niet gelezen. Maar wanneer Geheimrat Innstetten de minnepost van zijn vrouw Effi eenmaal heeft opengemaakt, doet het er niet meer toe dat haar ontrouw al jaren geleden heeft plaatsgevonden. Een duel maakt een einde aan het leven van haar voormalige minnaar en aan haar huwelijk. Innstetten blijft achter met het niet langer vervulbare verlangen naar een zalige onwetendheid — zoniet van hemzelf, dan toch van zijn omgeving. Soms is het beter niet te weten — of desnoods net te doen alsof. Effi Briest was Fontanes eerste grote romansucces en werd onlangs door Reich-Ranicki uitgeroepen tot een van de twintig beste Duitse romans aller tijden. Fassbinder maakte er misschien wel zijn meest gave film van. Eén van de bij figuren in het boek heet Buddenbrook.

Ooievaar pocket, 336 blz., € 8,85