Kunst

Helden waren het

Beeldende kunst: Nijmegen, stad der Bataven

Als leerling van een van de Nijmeegse lagere scholen zong ik vroeger, op Koninginnedag met alle andere scholen samengeroepen bij het Waaggebouw, waar de burgemeester de volkshulde in ontvangst nam, uit volle borst het Nijmeegs Stedelied: «O stad der Bataven, o stad aan de Waal,/ u wil ik bezingen in klankvolle taal,/ O Gelderlands parel, o keizerlijk goed,/ u wil ik brengen eerbiedig mijn groet». Er volgden nog twee coupletten. Wij wisten wel wie onze voorouders waren, en wij waren er trots op. Maar hoe zit het met de rest van het land? De Bataven – Batavus, de Betuwe, Julius Civilis – vormen een hardnekkig begrip in ons collectieve geheugen zonder dat iemand er bij navraag eigenlijk iets zinnigs over weet te zeggen. Museum Het Valkhof in Nijmegen, op de plek waar tot 70 na Christus het Oppidum Batavorum was gelegen, is de aangewezen instelling voor een tentoonstelling over deze heroïsche voorouders: De Bataven: Verhalen van een verdwenen volk, geopend terwijl elders in het land prinses Máxima de tien miljoenste Batavus-fiets in elkaar sleutelde (en daarbij knap een glimlach gaande hield). In zijn openingswoord bij de tentoonstelling zei Rudi Fuchs, die in zijn betoog maar geen einde kon vinden, dat zoals de Bataven model hadden gestaan voor de onafhankelijkheidsstrijd van de jonge Republiek, de jonge Republiek model stond voor de vrijheidsstrijd van de Amerikanen. Fuchs zette de Bataven nog even karikaturaal neer als «Nederlandse commando’s» en zag voor hun vermeende «bedrog en listigheid» duidelijke parallellen in de praktijk van de huidige Nederlandse politici. Zo ver reikte zijn inzicht.

Een bezoek aan de tentoonstelling maakt echter veel goed. Het is een spectaculair geheel waarin de samenstellers met succes een beeld creëren van deze rossige lieden, over wie helaas nagenoeg alle informatie uit de tweede hand komt. Helden waren het, goede zwemmers, betrouwbare hulptroepen in Romeinse dienst; toch kregen mensen die de versjes van Martialis niet kenden van hem het verwijt dat zij «een Bataafs oor» hadden. «Les Bataves s’amusent», verweet de leraar Frans ons als hij ons aantrof bij de tv waarop een voetbalwedstrijd werd vertoond. Dat negatieve beeld komt ook naar voren in de onbeschaafde «Grote Sof» die samen met Tante Patent (in het kostelijke kinderboek van Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp, dat in de tentoonstelling te zien is) de «Impulsieve Beweging» oprichtte om het «juk van de beschaving» van zich af te schudden.

Die kwalijke, onbeschaafde Bataafse geest is nog altijd vaardig over Nijmegen. Alsof het niet erg genoeg is dat de stad de twee lelijkste pleinen van Nederland herbergt, neemt Nijmegen vlot politieke beslissingen die het weinige wat er aan cultuur buiten de musea te vinden is naar de vergetelheid helpen. De middeleeuwse Mariënburgkapel is «ten gevolge van een rekenfout» tot aan de enkels onder het maaiveld verdwenen. Door het pal aangrenzende achttiende-eeuwse Arsenaalgebouw is een winkelroute aangelegd, waarbij grote delen van het gebouw op smakeloze wijze zijn weggefreesd. Een schitterende serie tapijten uit het stadhuis, die na de oorlog gedurende vele jaren voor veel geld werden gerestaureerd, zijn verwijderd, «maar ze blijven wel in de stad, hoor», werd mij sussend verzekerd. Museum Het Valkhof en de historische vereniging Numaga kunnen zich opmaken voor een nieuwe tentoonstelling: Nijmegen, stad met een verdwenen cultuur.

De Bataven: Verhalen van een verdwenen volk

T/m 9 januari 2005 in Het Valkhof te Nijmegen. Gelijknamige catalogus van Louis Swinkels (ed.)