Helden zoals wij

Emoties in close-up domineren het International Documentary Filmfestival Amsterdam.

De bejaarde boerin in Brandenburg ontkurkt nog een fles sekt. ‘We hebben het goed’, zegt ze. 'Ik doe wat mijn zoon wil en die doet wat ik wil.’ De filmmakers, Petra Lataster-Czisch en Peter Lataster, brengen het gesprek op haar man, die in 1945 was opgepakt. Waarom? Ze weet het niet. Haar zoon zit achter haar met een flinke slok op. 'Hij zat bij de Waffen-SS’, roept hij ongevraagd. 'Bij de algemene SS’, zegt moeder snel. 'Waffen-SS!’ herhaalt zoonlief. Moeder kijkt stuurs in de camera: 'Jullie willen iets weten, maar ik wil het niet vertellen.’
Na het zien van De tijd de stroom weten we feilloos hoe de verhoudingen liggen in het dorp Gross Lüben, voormalige DDR. We ruiken waarom ze het moeilijk hebben: de man die terugkeerde uit Beieren om de familieboerderij uit het slop te halen, de vrouw die burgemeester was in de DDR-tijd. De Latasters laten het de dorpelingen niet uitdrukkelijk zeggen en ze grossieren niet in close-ups van ogen die volschieten. De film toont het leven op het boerenland en maakt de werkelijkheid erachter subtiel voelbaar.
De tijd de stroom was niet uitverkoren voor de competitie van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (Idfa), dat deze week plaatsvond. Dat ligt niet aan de kwaliteiten van de film. Dat ligt veeleer aan het gekozen perspectief. De Latasters zetten hun film in met een verwijzing naar het perspectief van ruimtevaarder Sergej Krikaljov. Deze cirkelde in de Mir rond de aarde terwijl de Sovjet-Unie werd opgeheven. Iedereen popelde om zijn, liefst emotionele, reactie vanuit de ruimte te horen op de politieke gebeurtenissen beneden. Maar Krikaljov liet zich enkel ontvallen dat hij de seizoenen aan zich voorbij zag trekken. Ook de mensen in Gross Lüben zien we terwijl de seizoenen aan hen voorbijtrekken. Hun relatie tot de grond is veranderd door de val van de Muur. Daar praten ze, desgevraagd, wel over. Maar wie echt wil weten hoe het ze vergaat, moet kijken hoe ze zaaien, oogsten, slachten.
De tijd de stroom zou op het Idfa tot meer ophef hebben geleid als de Latasters hun dorpsbewoners emotioneel hadden willen openbreken. De helden die scoren op het filmfestival zijn, zo leert een hele reeks documentaires, daders die wij in close-up volgen wanneer ze door de filmmaker van hun voetstuk worden gestoten, om er als snikkende slachtoffers weer op te worden gezet. Ze getuigen voor de camera van schuld en boete, woede en verdriet. Astronaut Sergej Krikaljov weigerde dit emotiescenario voor de televisie mee te spelen en de oude boerin uit Brandenburg mag zeggen dat ze lekker niet zegt wat ze denkt. De Latasters gunnen ons niet de troost die uitgaat van wenende helden.
De dammer Jannes van de Wal en de zanger André Hazes mogen de top bereiken, pas wanneer hun filmportret ook de diepe dalen toont, hebben we waar voor ons geld. Nog meer verlustigen we ons aan films waarin mannen in uniform onderuit gaan. In Heddy Honigmanns Crazy zien we een tiental militairen na enige ervaringen in oorlogsgebied ontdekken dat ze een vak hebben gekozen waarbij bloed vloeit. En verdomd, we wenen massaal mee met deze psychisch gewonde helden van Korea, Libanon of de Balkan. We bewonderen ze voor hun moed zich op de pijnbank van de filmregisseur te laten leggen, en voor haar moed en vakmanschap zo'n seance met het slachtoffer tot een goed einde te brengen. Na de filmpremière mogen de beroepsvechters op het podium komen en krijgen ze een staande ovatie voor hun lef - dat voor de camera zoveel groter bleek dan in Verweggistan. De regisseur houdt van hen allen, zegt ze. En wij ook: Crazy voert de publiekstoptien aan.
Hoe hoger het voetstuk, hoe dieper de val en des te groter ons genot. De stoere astronauten van de Apollo-missies konden op de maan de aarde tussen hun duim en wijsvinger houden. Daardoor keerden ze 'dichter bij zichzelf’ terug naar onze planeet. In 1989, twintig jaar na hun roemruchte maanreizen, traden ze voor de camera van Mickey Lemle. In The Other Side of the Moon heeft een van hen ontdekt dat er een artiest in hem schuilgaat. We zien een treurige man die de schilderskwast hanteert om obsessief alle details van zijn maanreis vast te leggen. Een ander heeft de hand van god achter het heelal ontdekt. We zien hem in een vliegtuigje boven de bergen hangen, op zoek naar de resten van de Ark van Noach. De iconen van onze eeuw zijn onttroonde koningen geworden: zoekend, eenzaam en maf. We sluiten deze gevallen engelen graag in de armen: ze weten hun plek weer - naast ons.
We namen op het Idfa hele horden dappere, deerniswekkende helden in de armen. We kregen niet altijd de kans. 'Mijn hoofdpersonen kunnen helaas niet op het podium komen’, sprak regisseur Leo de Boer na de première van The Red Stuff. Ook hij zocht astronauten op: de eerste Sovjet-ruimtevaarders. Hij toont ze echter niet als de vergeten hoopjes ellende die ze wellicht ook zijn, maar als de pionnen van de space race, de tegenhangers van de Amerikaanse ruimtevaarders uit Tom Wolfe’s The Right Stuff, die een mensverachtende behandeling ondergingen. Als contrast toont De Boer hoe ze als helden werden vereerd. 'Ik voel me niet schuldig aan de terreur in mijn land’, zegt een van hen. 'Ik was immers zelf bereid mijn leven te geven voor de staat.’ Geen schuldgevoel of hartverscheurende taferelen.
Zijn we nog wel vatbaar voor films die ons de grote emoties zelf laten invullen? Voor films die metaforen aanreiken, zoals de lyriek van het landschap in De tijd de stroom of de ironie van het contrast in The Red Stuff? Voelen we de emoties nog in Sergej Krikaljovs antwoord, achter zijn natuurlyriek en zijn ironie? Met de paplepel krijgen we films vol moddervette bekentenissen ingegoten, dezelfde die we op tv zien. Hoe closer hoe beter. 'Echt’, heten zulke documentaires. De terreur van het hart doet ons het kijken nog verleren.