Muziek

Heldenepos in zakformaat

Muziek: Beethovens Tweede symfonie

We weten te veel over de wereld en de mensen. We zien geweld, verraad, hoe God de mensen heeft verlaten. Daardoor is er in de mu ziek maar weinig optimisme dat niet vals klinkt.

Toch lukt het de Beethoven van de Tweede symfonie de valkuil van het hypocriete te ontwijken. Dat hij twee eeuwen van empirisch ge fundeerd cynisme op ons achterloopt, geeft hem de voorsprong van oningewijden. De Tweede (van 1802, een jaar voor de Eroica die hem volledig overschaduwde) klinkt alsof de wereld net begonnen is, en de bewoners van die wereld lijken zonder zonden: frank en vrij, nieuwsgierig, on geschonden.

Was dit een opera, dan was de held Robinson Crusoë en de muziek het klinkende scenario, als een Lied ohne Worte. De vier delen zouden scènes uit zijn leven kunnen zijn, een man die dapper koorddanst op zijn levenslijn. Eerste deel: Robinson spoelt aan op zijn eiland. Hij ontwaakt, opent zijn ogen: het helle licht verblindt hem (adagio molto) maar als zijn oog gewend is aan de dag ziet hij het paradijs. De palmen wuiven, de blauwe zomerhemel warmt hem als een verre deken. Gered (allegro molto)! Tweede deel: maar ten koste van wat (larghetto)? Weemoedige mijmeringen over de onontkoombaarheid van het lot; alleen op de wereld, on danks de zon, die onvermoeid blijft schijnen. Derde deel: scherzo. Terug naar de wereld van de daad, de levensmoed van Goethe. De held zet de tering naar de nering; Robinson timmert een huis, in dartel stereo klinken zijn hamerslagen. Vierde deel: de plek onder de zon is klaar. De finale viert, in teugelloos galop, de overwinning van het ik dat standhoudt, wat er ook gebeurt.

Eind goed, al goed. Heldenepos in zakformaat. De frasen sym metrisch of die symmetrie ter wille van het spel verkerend in zijn tegendeel, de orde nog tastbaar, de ritmische beweging als een mathematisch klein ballet. Geen vale tussentinten, geen vervaging van de simpele harmonische contouren, de bijna schaduwloze we reld van een Griekse tempel. Zo simpel, zo trefzeker. Ken uw klassiekers; zij wijzen de weg.

Wie de literatuur uit de ontstaansperiode van dit stuk een beetje kent, vindt een vergelijk bare onbevangenheid, de bijna aandoenlijke verbondenheid met de natuur als bron van hoop en van esthetische verrukkingen die in de boeken van die jaren graag ook letterlijk hun stem verheffen. «‹Wie geht es sich so schön in den Säulenhallen der Natur, auf dem Grün und zwischen dem Grün, in ewiger Begleitung des unendlichen Lebens›, sang er, ohne besondere Metrik, laut hin uns sah sich um, damit niemand seine Singstimme belauschte.» (Jean Paul, Flegeljahre) Of: «Überhangende Felsen, rauschende Wasserbäche, bewachsene Wände, tiefe Gründe sah er hier zum erstenmal, und doch hatten seine frühsten Jugendträume schon in solchen Gegenden geschwebt.» (Goethe, Wilhelm Meisters Lehr jahre).

Het toeval wil dat er van deze Tweede symfonie zojuist een nieuwe opname verscheen die klinkt alsof het paradijs nog niet verloren is. Met Mariss Jansons en het Koninklijk Concertgebouworkest, nota bene; geen alliantie die je a priori verdenkt van gezonde affiniteit met dit nog Weens-klassieke idioom. Bij Russen, en bij Letten die als Jansons zijn geworteld in de Russische traditie, wil een orkest uit volle borst Tsjaikovski zingen met de dood voor ogen, zacht en langzaam, hard en snel. Zo wil het ’t cliché, terwijl er gunstige uitzonderingen zijn. Kirill Kondrasjin, Rozdjestvenski, met hun gave voor de lichte toets. Valeri Gergiev, die Ravel vernevelt tot een ruisend bos van zacht meanderende stemmen. Maar Haydn, Mozart, Beet hoven – ze heten te stuiten op de grenzen van een ijzeren gordijn; te weinig Dos tojevski.

De mooie luisterparadox van het classicisme is dat je zo hartstochtelijk kunt verlangen naar de manier waarop de stijl soms paal en perk stelt aan die hartstocht. Kijk je naar de partituur van deze symfonie, dan zie je de bouwstenen van het huis dat symfonie heet in plattegrond voor je liggen. De systematische vervlechting van de thema’s en mo tieven met de vorm, de consequent retorische benutting van ac centen, of het strategische verschil tussen een forte en fortissimo; elke nuance heeft zijn functie. Zo zie je het graag, en zo kan het niet meer; de wereld is voorgoed veranderd in een ratjetoe. Maar de herinnering aan dit gebenedijde land van ooit, groen als het verse gras van Paul en Hölderlin, is blijvend.

Het is die nostalgie waarvoor het KCO onder zijn nieuwe chef de juiste tonen vindt, vitaal zonder de nukken van het Eros. Jansons houdt zich kranig, met de hand op de knip. Een keet wordt het nooit. Jansons is fier en vlot, nergens overmoedig. Geen handenwringend trompetgeschetter aan het slot van deel 1. De fortissimi keurig gesteven, ordelijk. De blazers zingend, meer dan sprekend. De nieuwe generaal is meer het ordenende dan het karakteriserende type. Hij is de man die de boel aan kant krijgt zonder er gekke bekken bij te hoeven trekken. Het animale is voor later, voor de negentiende eeuw, Tsjaikovski. Zijn larghetto is burgermuziek in de beste zin des woords. Een landschap van Jean Paul, of Goethe. Het groen is groen, de hemel blauw, het mineur niets anders dan een tijdelijke wolk die voor de zon schuift maar hem niet verduistert, omdat zijn licht te fel is. Dus Robinson komt veilig thuis, met opgeheven hoofd. Eenzaam, niet al leen.

Er staat ook Brahms op deze plaat, de Tweede symfonie. Maar Brahms is dood en zijn wederopstanding is uitgesloten, nu Carlos Kleiber in de hemel dirigeert.

Beethoven

Tweede symfonie

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons