Heldenverering

De orgastische kopij die dezer dagen door onanistische scribenten links en rechts wordt ingeleverd, geeft bedrukt papier een kleverig en dus verdacht aanzien. Hersenmasturbatie, ook collectief bedreven, bezit natuurlijk positieve kanten en kan vanzelfsprekend sappige bijdragen genereren.

Maar hoewel ik welwillend en zonder vooroordelen het verschijnsel tegemoet ben getreden, heb ik weinig kinky elementen kunnen ontdekken in de hysterie die de vijftigste verjaardag van Johan Cruijff teweeg heeft gebracht.
De betrokkene zelf lijkt van het aangewakkerde fanatisme rond zijn Abrahamschap niet speciaal onder de indruk. Hij heeft er zelf voor gekozen om op de cruciale vijfentwintigste april het land van de duizend likkende tongen richting Spanje te ontvluchten. Logischerwijs heeft de ex-varkensfokker shit aan het Nederlandse chauvinisme.
Nee, al die boeken, speciale krantenbijlagen of tv-documentaires die als lauwerkransen om Cruijffs hoofd worden gevlochten, zouden meer als voer voor antropologen moeten dienen. Die arme wetenschappers hebben veel uit te leggen. Hadden ze niet voor eens en altijd met elkaar afgesproken dat de Nederlander als een ijsklontje uit een vijf-sterren vrieskast gekarakteriseerd moest worden? Een emotieloos wezen dat wars is van bombastische opklopperij, heldendom en een gruwelijke hekel heeft aan alles wat naar patriottisme en nationale symboliek riekt?
Niet zonder enige trots, en hier ligt de onthullende paradox, stellen vaderlandse navelstaarders dat er in Nederland monumenten in de weg staan en dat ‘we er met een bocht omheen moeten’. Of, zoals Herman Pleij in Het Nederlandse onbehagen heeft geponeerd: 'Wij willen geen helden, en als ze er ongemerkt zijn dan dienen ze te excelleren in gewoonheid. En van heldenverering kan helemaal geen sprake zijn.’ Hans Righart, de vorige bewoner van deze ruimte, heeft bij verhuizing wat spulletjes achtergelaten zoals deze mooie zin: 'Waar landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland zich met een onbekommerd chauvinisme laten voorstaan op hun nationale cultuurgoederen, overheerst in Nederland onverschilligheid.’
Al deze leuke fabeltjes gelden natuurlijk voor de buitenkant. De verlichte polderbewoner heeft een reputatie in nivelleringsdrang en egalitaire bezetenheid hoog te houden. Het liefst springt hij op zijn bulldozer zodra een oneffenheid in zijn gezichtsveld verschijnt. Maar van binnen, dames en heren, van binnen is het een rotzooitje. Gevangen in een korset van taboes, verboden en kunstmatige zelfspot kookt en kolkt inwendig de zelfliefde, de hang naar internationale erkenning, de hete nationalistische brij die maar geen uitweg mag vinden.
Wel bestaat er, langs de grote snelweg van de zelfkastijding, een smal strookje gras waar het nationale oerinstinct van de Nederlander, al dan niet met knuppel bewapend, tentoongespreid mag worden. Het betreft de sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Hier bereikt het gebrul van de leeuw een onbeschaamde intensiteit en verliest iedere in nuances grossierende bleekscheet zijn zuinigheid van geest om vervolgens zijn gelaat met de tint van een Nederlandse tomaat te kleuren. Het is dan een droef spektakel om al die schrijvers, intellectuelen, zwaargewichten uit de journalistiek hun zelfbeheersing te zien verliezen en als gieren op de carrière-in-ontbinding van een gewezen ballentrapper te zien duiken. En dit niet naar aanleiding van een sidderend nieuwsfeit maar vanwege het uitblazen van vijftig kaarsjes op een Hema-taartje. Het is ook tekenend voor de culturele armoe waarin de premiejagers van de nationale trots zichzelf hebben gewerkt.
Het komische is ook nog dat ze voor hun partijtje heldenverering een fout model hebben uitgekozen. Als er iemand is die zich in zijn gehele leven niet aan de alledaagse Nederlandse gewoonheid heeft geconformeerd, is het wel Johan Cruijff. De man heeft altijd zijn eigen belangen boven die van de natie laten prevaleren en daarom heeft de 'beste voetballer aller tijden’ maar een schamel aantal interlands achter zijn naam staan. Sponsorbelangen, ordinaire ruzies of gewoon geen zin, Cruijff had vaak iets beters te doen dan het Oranje-gevoel een handje helpen aanzwellen, ondanks de smeekbeden en de liedjes die het volk voor hem componeerde.
Twee jaar geleden nog werd hij door hen die hem vandaag anaal met hun veren bewerken als 'geldwolf’ neergezet en door het slijk gehaald omdat hij niet als coach naar Amerika wou gaan. Het opportunisme ligt dus niet alleen onder de versierde stoel van de ex-nummer veertien. Zijn aanbidders kunnen er ook wat van. Ik lees in NRC Handelsblad dat Nederland zich nu schuldig voelt - een specialiteit van de calvino’s - omdat men niet eerder begrepen heeft dat met Hendrik Johannes Cruijff de natie een kloon van Einstein in huis had.
Ach, die alomtegenwoordige hypocrisie zal Cruijff niet onbekend in de oren klinken. Hij is tenslotte ook een Nederlander en zei daarom in De Telegraaf: 'Ik ben en blijf trots op mijn land. Wij zijn een uniek volk en dat zal ik mijn kinderen altijd voorhouden.’