Het belang van de geesteswetenschappen

Helder en concreet

Uit een enquête onder geesteswetenschappers blijkt dat er van een crisisstemming geen sprake is. Zij zijn ervan overtuigd dat hun diverse vakken niet alleen nuttig zijn en sociale relevantie hebben, maar zelfs het ‘bindweefsel van de maatschappij’ vormen.

Medium casper twee culturen worden e cc 81e cc 81n 2 kleur

Wie bij geesteswetenschappers informeert naar het nut van hun vak loopt het risico het deksel vol op de neus te krijgen. Historicus Ido de Haan waarschuwt ons vooraf in zijn bijdrage. ‘De redactie zal wellicht ervaren dat geesteswetenschappers, meer dan de eerder onderzochte bèta- en gammawetenschappers, de neiging hebben de vraagstelling ter discussie te stellen’, schrijft hij.

En gelijk krijgt De Haan. ‘Allereerst moet worden opgemerkt dat het belang van de geesteswetenschappen niet bestaat, want dat zijn er meerdere, al naar gelang de invulling die men aan het woord “belang” geeft’, luidt het antwoord van Arie van Steensel, historicus te Utrecht, op onze vraag: ‘Wat is het belang van de geesteswetenschappen?’ En Henk van Nierop, hoogleraar moderne geschiedenis aan de uva, wil weten over wiens belang we het eigenlijk hebben. Belangrijk voor de economie? De staat? De heersende klasse? Voor het proletariaat? De boodschap is duidelijk: een eenduidige visie op het belang van de geesteswetenschappen is eigenlijk niet te geven.

Nu maken de geesteswetenschappers het elkaar ook niet makkelijk. Voor iedere filosoof, historicus of taalkundige die een fijnzinnig verhaal heeft over waarom de geesteswetenschappen ertoe doen, staat een collega klaar om een gat in het betoog te schieten. Zo trok de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum de afgelopen jaren veel aandacht met Niet voor de winst, haar boek waarin ze betoogde dat de humanities noodzakelijk zijn voor een vitale democratie. Helaas, zo meldt Sjaak Koenis, hoogleraar sociale filosofie in Maastricht, in zijn bijdrage, de koppeling tussen geesteswetenschap en democratie is een recente uitvinding: tot en met de Tweede Wereldoorlog ging het koesteren van cultuur vaak hand in hand met dedain voor de democratie.

Lange tijd was het geen enkel probleem dat het nut van de geesteswetenschappen zich niet in een paar rake zinnen liet omschrijven. Tot en met de negentiende eeuw bestond er geen afgezonderd gazonnetje waar enkel de alfa’s op graasden, zo laat Rens Bod zien in De vergeten wetenschappen. Veel van de grote namen uit de wetenschapsgeschiedenis waren bovendien net zo thuis in de ‘zachte’ als in de ‘harde’ onderwerpen. Het idee dat de ene wetenschap nuttiger was dan de andere was niet aan de orde.

Dat de situatie anno 2013 anders is, is geen nieuws. Het heet al tijden crisis te zijn in de wetenschap. De misère is al vele malen opgetekend: universiteiten zijn ‘diplomafabrieken’ geworden, de moderne academie is in de ban van het economisch te gelde maken van onderzoek, en politici hebben een visie op wetenschap die lijkt bedacht door een reclamebureau: kennis, kunde, kassa. Met name de geesteswetenschappen zijn het kind van de rekening in die wetenschapscultuur. De bèta’s roepen dat ze mensenlevens redden, de sociale wetenschappers claimen dat ze maatschappelijke problemen bestuderen en geesteswetenschappers, zo is de geijkte opvatting, die zien hun rol beperkt tot duiding, contextualisering en het bestuderen van teksten.

Politici hebben een visie op wetenschap die lijkt bedacht door een reclamebureau: kennis, kunde, kassa

Voor een deel weerspiegelt de enquête van De Groene Amsterdammer de bokswedstrijd zoals die al enige jaren aan de gang is, met in de ene hoek politici en universiteitsbestuurders die roepen om valorisatie en in de andere hoek de geesteswetenschappers die vinden dat het nut van alfa-onderzoek nu eenmaal niet één, twee, drie meetbaar is. Volgens Wouter Hanegraaff, historicus aan de VU, bijvoorbeeld, zitten we vast in een paradigma waarin onderzoek louter in termen van ‘doel’ en ‘middel’ wordt gezien, een model waarin de geesteswetenschappen slecht uit de verf komen. Of neem Sjoerd van Tuinen. ‘De geest is al lang uit onderzoek verdwenen’, schrijft hij. Het humanisme van de geesteswetenschappen is ‘verzwolgen’ door het ‘banale realisme van de globale kenniseconomie’.

Toch is bij het overgrote deel van de deelnemers aan de enquête weinig te merken van een crisisgevoel. Sterker nog, een flink deel van de onderzoekers die een bijdrage instuurden is behoorlijk positief over de koers van hun vakgebied. Volgens André Gerrits, hoogleraar Russische geschiedenis en politiek in Leiden, gaat het zelfs ‘crescendo’ met de geesteswetenschappen in Nederland. Hij somt op: geen gebrek aan studenten, ruime publieke belangstelling, met name voor geschiedenis, en vele opleidingen in de internationale top.

Wiljan van den Akker constateert dat het vooral de onheilsprofeten zijn die gehoord worden. ‘Misschien gaat het wel beter met de geesteswetenschappen dan de krantenlezer krijgt voorgespiegeld’, schrijft hij. Van den Akker geeft voorbeelden van geesteswetenschappelijk onderzoek dat voorop gaat bij belangrijke kwesties van deze tijd: ethici die bijdragen aan het verbeteren van omstandigheden in de bio-industrie, historici die de diepe wortels van de economische crisis bestuderen en linguïsten die samen met hersenwetenschappers onderzoek doen naar taalstoornissen als gevolg van hersenletsel.

Annelies van Heijst wijst erop dat de geesteswetenschappers zich weinig zorgen hoeven te maken, zolang ze maar aansluiting zoeken bij ‘onderstromen’ die ‘technologisch, empirisch en politiek-urgent zijn’. In Brussel staat een EU-subsidiepot klaar, gevuld met 85 miljard euro bestemd voor onderzoek naar de kwesties waar dit continent zich momenteel druk om maakt: gezondheid, ouderdom, sociale cohesie en ecologische duurzaamheid. Volgens Van Heijst kunnen geesteswetenschappers daaruit putten, ‘mits ze de waarde van hun vakgebied kunnen uitleggen buiten hun eigen kringetjes’.

In de meer dan honderd bijdragen die werden ingestuurd is weinig te merken van de vermeende afkeer van nuttigheidsdenken onder de alfa’s. ‘Wetenschap die uit publieke middelen wordt betaald, moet publieke doelen dienen’, vindt Klaas van Berkel, cultuurhistoricus te Groningen. Het is wat hem betreft prima als onderzoekers hun eigen drijfveer hebben (zoals het bevredigen van nieuwsgierigheid of het najagen van schoonheid), zolang het systeem als geheel er maar in slaagt om zijn ‘maatschappelijke relevantie aan te tonen’. En dat is voor de geesteswetenschappen niet anders dan voor andere disciplines.

‘Geesteswetenschappers moeten minder onbeholpen, minder bescheiden en assertiever zijn’

Archeoloog Geeske Langejans noemt de vruchten van de geesteswetenschap onomwonden ‘kenniskapitaal’. Veel mensen die het bezitten weten dit kapitaal keurig te vermarkten. Deskundigen die optreden in de krant en op tv, vertalers, curatoren – de lijst van geesteswetenschappers die zichzelf prima staande houden in de markt is lang. Jaap Goedegebuure merkt op dat dankzij hun verfijnde analytische vaardigheden en hun probleemoplossend vermogen alfa’s doorgaans zonder al te veel problemen hun weg vinden in het bedrijfsleven. Dankzij de opkomst van de ict in de geesteswetenschappen zal dat alleen maar makkelijker worden, verwacht taalfilosoof Arianna Betti. Veel geesteswetenschappers doen nu ervaring op met statistische analyses, programmeertalen en visualisatiemethoden.

Wat Wijnand Mijnhardt betreft hoeven de geesteswetenschappen niet aan te komen met een verhaal dat ze onmisbaar zijn voor de democratie. Ze vervullen namelijk al een ‘immens economisch en maatschappelijk belang’, namelijk het geven van onderwijs. Volgens Mijnhardt is dit een kerntaak van de humaniora, belangrijker nog dan onderzoek. Dat onderwijs geven gebeurt ook nog eens behoorlijk efficiënt. ‘Gemeten naar geïnvesteerde middelen en gegenereerde academische output doen ze het veel beter dan veel andere disciplines’, merkt Arie van Steensel op over de geesteswetenschappen.

Hier en daar klinkt wel een waarschuwing. Het is leuk, proberen relevant en actueel te zijn, maar het moet niet doorslaan. Uit angst om voor ouderwets door te gaan, hebben de Nederlandse filosofen zich massaal op toegepaste onderwerpen gestort, constateert Heleen Pott. En dus hebben we de hoogste dichtheid ter wereld van ‘milieu-ethici, techniek-ethici, Facebook-ethici en Twitter-ethici’, zo schrijft deze filosoof met enige spot. Het gevolg is dat de klassieke vakfilosofie verdwijnt omdat ze niet wordt gevoed door nieuw onderzoek. En hoewel ze een voorstander is van aansluiting bij actuele thema’s ziet ook Annelies van Heijst het gevaar dat de geesteswetenschappen worden meegesleept door modieuze onderwerpen. ‘De universiteit moet enige afstand houden van de mediagestuurde waan van de dag en van politieke urgenties’, schrijft zij.

Maar wie de bijdragen aan het onderzoek van De Groene Amsterdammer in samenhang beziet, merkt al gauw dat klassieke waarden als distantie, reflectie en het hoeden van cultuur nog steeds de harde kern van het geesteswetenschappelijke metier vormen. En verrassend genoeg weten veel deelnemers die boodschap te verpakken in krachtige oneliners. ‘Geesteswetenschappen zijn bij uitstek de plaats om creativiteit te leren’; ‘met de geesteswetenschappen kunnen we een weerbericht van onze maatschappij opstellen’; ‘de geesteswetenschappen verhinderen dat mythen en legenden niet alleen ons verleden, maar ook ons heden en onze toekomst in gijzeling nemen’; ‘geesteswetenschappen helpen om de angst voor globalisering te relativeren’; ‘ze vormen het bindweefsel van de maatschappij’, en ga zo maar door. Het is allemaal glashelder en bijzonder concreet.

Tezamen vormen dit soort mission statements een staalkaart van het belang van de geesteswetenschappen, die grotendeels hetzelfde zijn gebleven door de eeuwen heen. Zet ze op een rij en je hebt wat hoogleraar vroegmoderne en moderne geschiedenis Klaas van Berkel voorstelt in zijn bijdrage: een soort nationale verklaring van de maatschappelijke relevantie van de geesteswetenschappen, waar iedere onderzoeker altijd naar kan verwijzen als het erom gaat de zin van hun onderzoek duidelijk te maken.

Waarom wordt er dan toch zo vaak geklaagd dat de geesteswetenschappen in de knel zitten? Misschien, zo oppert Remco Breuker, is het een kwestie van zelfvertrouwen. ‘Geesteswetenschappers moeten minder onbeholpen, minder bescheiden en assertiever zijn’, schrijft hij. ‘Ze moeten met meer lef naar voren treden en het debat direct opzoeken. We hebben heel veel te vertellen, maar dan moeten we wel vindbaar en hoorbaar zijn.’ Natuurlijk is het naïef om te verwachten dat enkel een luidere stem de humaniora in één keer van al haar problemen verlost, maar volgens verschillende deelnemers aan ons onderzoek begint het ermee dat de geesteswetenschappen zichzelf in de kijker spelen. Zoals wetenschapshistoricus Huub Dijstelbloem schrijft: ‘Het grootste gevaar is dat de geesteswetenschappen zich aan het schaakspel onttrekken en zich manifesteren als de hoeder van geschiedenis, taal en cultuur zonder zelf een zet te doen.’ Wat hem betreft is de situatie hoopgevend: ‘Veel faculteiten, bestuurders en vooral ook: onderzoekers, ook in Nederland, nemen deze uitdaging op zich.’