Heldere eenvoud

Het is gemaakt van stof, maar toch is het een schilderij. Daniel Burens werk, met die wisseling van wit en oranje, is niet alleen mooi, maar verheldert bovendien de proporties in de museumzaal.

Medium fuchs1

Nog toen ik studeerde begon ik in de jaren zestig voor het Eindhovens Dagblad stukjes over kunst te schrijven. Daar kreeg ik ook bescheiden voor betaald. Mijn vader had gewild dat ik ingenieur zou worden. Moet je niet werken, zei hij wel eens als ik, met weekeind thuis, op de bank een kunsthistorisch boek zat te lezen. Maar nadat hij was gestorven vond ik mijn eerste stukje voor de krant keurig bewaard en opgevouwen in zijn portefeuille. Was ik toen criticus? Wel weet ik dat ik al vroeg als ik naar kunst keek, vond daar ook een mening over te moeten hebben. Wat later ging ik les geven: toen werden mijn meningen met studenten besproken.

Nu vroeg ik mij af of ik ooit onbekommerd naar kunst heb gekeken. Hoe zou dat zijn? Dat ik graag gedichten lees, van her en der en vroeger en nu, komt zeker doordat ik van het daarin ronddwalen gewoon kan genieten. Dat weet ik zeker. Ik hoef ook niet alle woorden in hun suggestieve samenhang te begrijpen. Een gedicht kan ik al proevend lezen, hoe smaakt het. Ik ben ouder nu. Alle discussies over kunst heb ik zo ongeveer wel meegemaakt. Het zal wel – en ik merk dat ik, pas in het Rijksmuseum, heel ontspannen kan kijken naar wonderschoon, wulps zilverwerk van meester Adam van Vianen. Vroeger was dat maar kunstnijverheid.

Medium fuchs2
Er was maar in enkele hoeken plaats voor het schilderij

In 1976 hebben we in het Van Abbemuseum het helder gekleurde Peinture angulaire van Daniel Buren aangekocht. Maar in 1976 kwam de helderheid van dat oranje/wit niet ter sprake. Het kunstwerk had een heel andere rechtvaardiging nodig. Toch zijn werken en ensembles van Buren vaak heel kleurig. Gekscherend heb ik hem wel eens notre Matisse genoemd, wat hij niet echt leuk vond. De thematiek van zijn werk betreft, kort gezegd, de condities waar praktijk en architectuur van musea weerloze kunstwerken aan onderwerpen. Iets eenvoudigs: doorgaans hangen schilderijen op ooghoogte aan de wand. Dat is logisch voor bijvoorbeeld realistisch geschilderde landschappen – daar moet je in kunnen kijken. Een portret moet je aan_kijken. Maar waarom zou een abstracte compositie van Mondriaan ook zo moeten hangen? Alleen omdat hij die ook zo schilderde, staande voor de ezel? Pollock, intussen, gooide de verf op een stuk linnen dat op de grond lag. In musea hangen die brede _drippings op ooghoogte zodat je het schilderij niet kunt zien zoals de kunstenaar het zag toen hij het maakte. Over het hangen van schilderijen is dus nog wel wat te bespreken. Ik hoor het Buren zeggen. De problematiek kwam aan de orde toen ik hem vroeg om een werk voor de collectie dat niet vast geïnstalleerd hoefde, dus geen ruimte zou blokkeren maar ook op een aantal plaatsen in het museum zou kunnen hangen. In een collectie, vind ik nog, moeten om reden van vertelling werken onderling van plaats kunnen wisselen.

Voor zijn type interventie in musea had Buren een beeldmateriaal gevonden dat vooral wendbaar was en visueel sterk van karakter – de overal standaard geproduceerde stof voor zonnewering: op de rol 140 centimeter breed, verticaal gestreept, breedte van de streep 8,7 cm. Hoe je het gebruikt, het blijft onverwisselbaar zolang de strepen verticaal zijn. Omdat de kunstenaar de uiterste witte strepen nog eens wit beschilderde, is zo’n werk ook technisch een schilderij. Peinture angulaire is letterlijk een hoekschilderij: de baan stof in het midden gevouwen, hoogte die van de wand, kleur het zeer gangbare wit/oranje. Het is een werk van een adembenemend heldere eenvoud. De architectuur van het kleine museum was minder simpel. Veel hoeken waren afgeschuind. Dat leverde statiger ruimtes op, deftig zelfs. Uiteindelijk was er maar in tien of twaalf hoeken plaats voor het schilderij. Dat was goed: in de normale praktijk waren die hoeken toch niet bruikbaar. Afgeschuind waren ze dus ook om die reden.

Zoals ik er hier over schrijf, spraken wij er toen ook over. Maar het smalle schilderij, de wisseling van wit en oranje, is ook mooi. Het verheldert de proporties in de zaal – zoals er in een tuin op het gras op een frappante plek, in een hoek bij een muur, ineens een donkergroene, slanke boom staat. Zo dachten we toen niet. We dachten aan hoe het verder en scherper zou kunnen. Als vervolg op het hoekschilderij bedacht Buren in 1977 het werk met de zijden gilets (kleur fuchsia), dat begin 1981 werd gerealiseerd. Die kunstige dingen konden zich, los van wanden en door suppoosten gedragen, vrij tussen andere werken in de collectie bewegen. Toch was er rond die ogenschijnlijke eenvoud nog veel te doen. Daarover de volgende keer.

Beeld: (1) Daniel Buren, Peinture angulaire. Les deux bandes blanches extrêmes sont recouvertes de peinture blanch_e, 1975. Acrylverf op doek 380 x 141 cm (Peter Cox / Collectie Van Abbemuseum); (2) Daniel Buren,_ Zonder titel_, 1981. Zijde, diverse afmetingen (Hans Biezen / Langdurige bruikleen kunstenaar aan het Van Abbemuseum)_