Heldere kaders

De beste scène uit The Square (Ruben Östlund, dit jaar bekroond met een Gouden Palm) voltrekt zich nadat Christian, hoofdcurator bij een toonaangevend Zweeds hedendaagse-kunstmuseum, een dronken one night stand heeft gehad met Anne, een Amerikaanse televisiejournaliste. Anne, die tot dan toe de rol heeft van een wat naïeve, verlegen en door Christians macht geïmponeerde ondergeschikte, wil onderweg naar de badkamer het gebruikte condoom in de prullenbak gooien. Christian wil het condoom niet afgeven, maar verrassend genoeg laat Anne het er ook niet bij zitten. Misschien, dacht ik nog, wil hij haar het condoom niet laten zien omdat er niks in zit. Dat blijkt niet het geval. De discussie ontaardt in Anne’s poging het ding uit zijn handen te trekken, en het lullige, met wit vocht gevulde rubbertje raakt gevaarlijk uitgerekt. Plotseling kijkt ze hem ongelovig aan. Wacht even, zegt ze, denk je dát van me? Denk je dat ik? Denk je dat écht? Ze begint te lachen, ze wint. Triomfantelijk brengt ze het prullenbakje de slaapkamer binnen, en met gevoel voor theater laat ze het nutteloze ding erin verdwijnen.

Wanneer ze hem de volgende dag opzoekt in het museum en hem vraagt of hij zich nog iets herinnert van de afgelopen nacht begint hij gegeneerd te stamelen (voor mannen als Christian is gêne de grootst mogelijke nachtmerrie). Of hij dit vaak doet, wil ze weten. Dat vindt hij een te intieme vraag. Geef toe, fluistert hij, zodat de suppoost hem niet hoort, jij vindt het toch opwindend dat ik een man met macht ben? Voor de tweede keer in een etmaal serveert zij hem haar uitdrukking van geamuseerd ongeloof. Zijn machtspositie? Nee, daar was het haar nooit om te doen geweest.

Daar staat hij, Christian, een man die het tot voor kort uitstekend voor elkaar kreeg alle ongemak uit zijn leven te poetsen. Zonder schuldgevoel, sterker nog, met het idee dat hij iemand is die dingen voor elkaar krijgt, vertegenwoordiger van geëngageerde kunst, bezitter van een luxe-appartement, deeltijdvader van twee dochters, charmant spreker op recepties voor steenrijke museumdonateurs. Het type dat zichzelf belangrijk vindt omdat hij een functie bekleedt, een netwerk heeft, de juiste kleren draagt. Met andere woorden: verwend, geprivilegieerd, en zich daar net niet genoeg van bewust om er iets aan te veranderen. Een personage waar ik mezelf wel van zou willen maar niet helemaal kan distantiëren, omdat hij het soort leven leidt dat ik herken als het mijne – dodelijk comfortabel, hyperkapitalistisch, gestandaardiseerd.

Wacht even, zegt ze, denk je dát van me? Denk je dat ik? Denk je dat écht?

Östlund laat zien hoe flinterdun de laagjes van beschaving zijn, hoe weinig er overblijft als ze wegvallen. Christian lijkt nog een tamelijk onschuldig exemplaar, totdat je na bijna tweeënhalf uur tot de akelige conclusie komt dat hij wel heel veel ruimte inneemt voor iemand die in wezen helemaal niemand is. Hij is een man met functies in plaats van eigenschappen, iemand die heeft geleerd een set rollen te vervullen die bijeengehouden worden door conventies. Pas veel te laat ziet hij (min of meer) in dat die conventies veel fragieler zijn dan hij dacht, dat het verschil tussen iemand die alles heeft en niets ontstellend makkelijk kan worden opgeheven.

De titel van de film verwijst naar het gelijknamige kunstwerk dat Christian aanschaft: een leeg vierkant van een paar vierkante meter voor de ingang van het museum. Het moet maatschappelijk betrokken kunst zijn, een plek waar een sociaal contract heerst – iedereen binnen het vierkant is volkomen gelijkwaardig, en wie om hulp vraagt, krijgt die. Christian is ermee in zijn nopjes: het biedt hem, vermoedt hij, de mogelijkheid om binnen heldere kaders een goed mens te zijn. Natuurlijk reflecteert dat vierkant uiteindelijk de leegte van zijn betrokkenheid, de moeilijkheid van kunst om buiten de muren van het museum relevant te zijn en het probleem van de hopeloos van elkaar gescheiden bubbels die wij nog altijd samenleving noemen.

Er was een tijd waarin de term ‘square’ werd gebruikt om het soort man aan te duiden dat eerlijk, rechtvaardig, loyaal en traditioneel was. Maar dit soort kwaliteiten werd onhoudbaar, en inmiddels is een ‘square’ vooral iemand die ingeslapen, conventioneel, rigide en te traag is voor de tijd waarin hij leeft.

Christian is een square die nog altijd gelooft dat hij veilig in de eerste definitie van dat woord past. Zelfs wanneer zijn zaad koud wordt in een gebruikt condoom, zijn macht samen met zijn positie bij het vuilnis komt te staan en de onderklasse niet geïnteresseerd blijkt in zijn boetedoening, meent hij nog altijd dat het allemaal om hem draait. Misschien schuilt daarin zijn tragiek: hij is de laatste van een soort, die uitsterft omdat ze lijdt aan een terminale vorm van arrogantie.