Ik moest naar een plaats, richting het noorden en richting de zee, waar je met het openbaar vervoer niet kunt komen. In ieder geval niet op een vroege zondagmorgen. Zelf heb ik best eens wat aan te merken op dit land, maar wat we voortreffelijk hebben geregeld is het moeilijk bereikbaar houden van sommige delen ervan. Dat verschaft ons, ondanks de beperkte oppervlakte waarmee we ’t moeten doen, het geruststellende idee dat we kunnen reizen. (Bij het ontwerpen van gevangenissen wordt, zo heb ik ooit van een architect begrepen, altijd een ‘optische illusie van ontsnappingsmogelijkheden’ ingecalculeerd – zoiets werkt verzachtend op de menselijke ziel, die nu eenmaal uitblinkt in onrust en opknapt van uitzicht.)

Wanneer ik mijn schema aanpaste kon ik wel gebruik maken van iets wat ‘streekservice’ heette. Uit ervaring weet ik echter dat iets waar ‘streek’ voor staat vaak een bestelbus betreft die slechts eenmaal per uur bij een halte stopt en dan nog zelden de halte waar jij je bevindt. Allemaal niet erg – ieder groots avontuur begint met één blik in de verte – maar om toch op tijd op de plaats van bestemming te geraken, besloot ik een dag eerder af te reizen naar een dorp in de buurt en daar te overnachten. Ik boekte een kamer in wat omschreven stond als ‘herberg’. Ik bracht een halve dag door in sprinters en op winderige perrons, miste her en der een aansluiting, werd door een man grimmig toegesproken in een taal die ik niet verstond en arriveerde eind van de middag.

De herberg bleek, o heerlijkheid, écht een herberg te zijn, inclusief een schemerige bar, lampenkappen en krakende vloeren. De eigenares leidde me sloffend langs een bruine eetzaal, zuchtend door een bruine gang en lichtelijk kreunend twee bruine trappen op. Bovenaan gekomen werd een kamerdeur geopend. Ze overhandigde mij een grote, koperen sleutel. ‘Dit is onze rustigste kamer’, zei ze. ‘U hoort hier helemaal niets.’ Ze zweeg even, vermoedelijk om dat te bewijzen. Ik zweeg dus ook. Samen hoorden we toen dat we, inderdaad, helemaal niets hoorden. De kamer rook naar bijenwas, oud tapijt en iets wat ik identificeerde als een vleugje jenever. Op het bed lag een keurig gestreken sprei. Bruin. ‘Een ideale kamer’, zei ik.

Die avond at ik in de eetzaal, met uitzicht op de dorpsstraat. De eigenares zat er ook, met een glaasje advocaat. Haar herberg was de enige overnachtingsmogelijkheid in de omtrek, begreep ik. Verderop was een jong echtpaar ooit een glamping met safaritenten begonnen maar daar bleek ‘heel geen animo’ voor te bestaan. ‘Dus ja’, zei ze. ‘Tja’, zei ik. Toen ze haar glaasje leeggelepeld had, slofte ze weg. Ik had het allemaal al ruim voldoende gevonden als er verder niets meer gebeurd was – maar tijdens het snijden van mijn gehaktbal trok de lokale fanfare langs, in vol ornaat, met witte broeken en rode bloesjes, blazend, toeterend en bonkend. Ik keek ze zo lang mogelijk na. Het idee dat alles nog ergens bestaat, ver achter de dienstregelingen en de bereikbaarheid, biedt troost op plekken waar je nauwelijks weet van hebt.

Het mooie wandbord

Het stamt uit de hoeve; van rendierhoeders,

ergens waar de weg ophoudt en elektriciteit

eindigt; uit een noordelijk land. De luxe

specialiteit van die herberg is kluizenarij.

Er werden stroppen verkocht, te nauw

voor de hals. Maar als Noorderlicht straalde

daar het wandbord, bol als een drinkend oog,

blauwe en rode bloemen op zwart hout.

Ik zweer niet zo bij wandborden, maar deze

ernstig op hout geverfde verbeelding toonde

een samenhang die voorheen ooit bestond.

Blik van ’t innerlijk oog en van de bergen.

H.H. ter Balkt
Uit: De Bezige Bij, 2008