Menno Hurenkamp

Hell’s angels

In Noord-Afrika raakte ik ooit met een man in gesprek over kleine zaken. Hij bleek het Nederlands te beheersen. Een mooi land hoor, en Amsterdam was een fijne stad. Maar, stelde hij onmiddellijk, Arnhem was beter. Hoe nu, zo'n provincieoord leuker dan de hoofd stad? Jawel, zei hij, betere voorzieningen dan in Amsterdam; in de Koepel had je ten minste een eigen cel en een eigen tv. Hij lachte breeduit bij de gedachte aan het gouden gedoogparadijs.

Paul Scheffer ging zaterdag in NRC Handelsblad andermaal in op de Nederlandse tolerantie. Die is door politiek onvermogen van een gedoogcultuur doorgeslagen in vermijding van alle multiculturele problemen. Dus belijden imams vrijelijk de homohaat in de moskee. Daar moet de overheid weer optreden. Ter illustratie van het ontspoorde gedogen schrijft Scheffer ook over het strafrecht. Hij vindt dat onze rechtscultuur geweldsmisdrijven slecht vervolgt, en dat maakt weinig indruk op nieuwkomers. «Dat heeft er vast toe bijgedragen dat nu ongeveer de helft van de gevangenisbevolking van allochtone komaf is.» Een paradoxale conclusie. Is de bajes voor Marokkanen een kuuroord en daar om tjokvol? Is justitie lui, en sluit men als tweede klant gemakshalve altijd een Turk in? Of bestaat bij Surinamers de indruk dat hier alles mag? Allemaal onwaarschijnlijk, het laatste veronderstelt zelfs dat niemand van de vrij rondlopende Turken, Marokkanen en Surinamers weet dat je ook in Nederland makkelijk in de bak raakt. De wet van de uitgesloten derde levert dan de klassieke verklaring op: dat we niet vermijden harde grenzen te trekken, maar dat we verhinderen dat die mensen een diploma halen, en een baan krijgen.

Als je heel sociaal-democratisch zegt dat de overheid moet optreden, ook in multiculturele mijnenvelden, moet je ook B zeggen, dat het aan het onderwijs te wijten is. Makkelijker gezegd dan gedaan. Imams hebben, net als andere religieuze leiders, een Hell’s angel-achtige status: rond hun honk mogen ze in rare pakken rondlopen en de wet overtreden. De etnische jeugd die hobbygewijs uit inbreken gaat, staat even stijf van verontwaardiging als de terroristenchauffeurs van Taxi Centrale Amsterdam zodra het vermoeden van laakbaar gedrag geuit wordt. Politiek optreden is hier de laatste decennia lastig geworden — het gezag om grote daden te stellen die ook ongeletterden in de buitenwijken disciplineren, ontbreekt meer dan ooit.

De vraag is ook waarmee de politiek precies tussenbeide moet komen. Zeggen wat mag en niet mag in een democratie («lef tonen» heet dat meestal) kan geen kwaad, maar het heeft zo'n andere 21ste-eeuwse kwaal als geweld op straat ook niet echt verholpen. Wat voor onze tolerantie belangrijker is dan een politiek van daden, is het geluid van etnische schrijvers, journalisten en theatermakers. De Algerijnse zanger Khaled loopt in eigen land gevaar om zijn liberale songteksten, maar is hier inmiddels even populair als hij in Noord-Afrika al tien jaar is. Zijn hit Aicha (géén koran-proof tekst) is hier, anders dan het gelijknamige toneelstuk dat eind vorig jaar in Rotterdam verhinderd werd, nooit in gevaar geweest. Khaleds Nederlandse evenknieën betekenen meer tegen halfgare geestelijk leiders en gebrek aan emancipatiezin dan ferme taal uit Den Haag. Moeten ze wel flink hun mond opendoen.