Hell’s Crack

Halls Creek - Het programma wordt gepresenteerd door een Aboriginal-travestiet. ‘Treedt op in heel Australië maar hij woont hier’, zegt een man met een indrukwekkende cowboyhoed naast me trots. Met een rook- en drinkverbod op het festivalterrein heeft het eerste Halls Creek muziekfestival geen Woodstock-aspiraties. Maar het is een mijlpaal evengoed. Lang stond Halls Creek, een dorp in noordwest-Australië, bekend als een no-go area. Het voormalige goudzoekersdorp aan de rand van de Great Sandy Desert was vol van de problemen waar Aboriginals in de statistieken mee geassocieerd worden: verslaving, geweld, kinderverwaarlozing. 'Hell’s Crack’, lachte een dichterlijk ingestelde Aboriginal twee jaar geleden bij de Greyhound-bushalte waar ik uitstapte.
Nu is het dorp aangeveegder, stiller, meer toeristisch. Dat is voornamelijk te wijten aan de invoering van een aantal omstreden overheidsprogramma’s, zoals strenge alcoholrestricties. Bij de dorpswinkels hangen posters voor de basics card, een pasje waarmee uitkeringsontvangers eten kunnen kopen maar geen tabak of 'grog’ (Australisch en Aboriginal-Engels voor alcohol). En de drankbeperking breidt zich uit. Een geïsoleerd huizenblok kreeg onlangs een hek waarachter alcohol helemaal verboden is. In The Australian vertelde een bewoonster dat haar kinderen eindelijk rustig sliepen. De kop boven het stuk noemde het een 'grog-proof fence’, een niet al te subtiele zinspeling op Doris Pilkington Garimara’s boek over een van de meest traumatische episodes uit de twintigste-eeuwse Aboriginal-geschiedenis.
Op het festivalterrein verdringen toeristen zich voor een optreden van Aboriginal-kinderen. Mary G, een Aboriginal-versie van Jörgen Raymans tante Es, komt terug op het podium. Dan treedt een countryband op, geheel bestaand uit Aboriginals. Een succesverhaal? Tja, wat is er tegen minder openbare dronkenschap en kinderen die ongestoord slapen? De overheidsprogramma’s hebben de straten vrij letterlijk schoongeveegd en de lokale hotels en camping zijn zeker voller. Maar de oproep tot 'self-empowerment’ die de hordes welzijnswerkers hier op de lippen brandt, smaakt wrang. Want de oproep is gericht aan in toenemende mate identiteitsloze toehoorders. Van de van oorsprong honderden Aboriginal-talen in Australië is weinig over en in veel gemeenschappen zijn nauwelijks Aboriginal-jongeren te vinden die nog vertrouwd zijn met hun cultuur.
En er is een verband: een vorig jaar verschenen overheidsrapport meldt dat uitkeringsafhankelijkheid, sterfte- en criminaliteitscijfers significant lager zijn in gemeenschappen waarin de oorspronkelijke talen nog gesproken worden door de jongste generaties. Toch zijn taal- en cultuurprogramma’s zelden een integraal onderdeel van het pakket aan welzijnsmaatregelen. Is het laten arresteren van dronken familieleden echt de beste vorm van 'empowerment’ denkbaar? En voor wie?