Hella Haasse in ons literaire pantheon

Geveld door de griep zocht ik een boek waarvan ik wist dat het door het waas in mijn hoofd heen zou dringen en waarin ik heerlijk kon verdwijnen. Iets vertrouwds om opnieuw te ervaren. Ik pakte Het woud der verwachting: Het leven van Charles van Orléans, de eerste grote historische roman van Hella Haasse uit 1949. Een met gouddraad geborduurd gobelin, dat in al zijn verkleurde pracht door de grieperige dofheid heen opnieuw de contouren van een vervlogen tijd te voorschijn bracht. Ook als je hoofd eigenlijk nergens naar staat, doet de verbeelding haar zegenrijke werk.

Ik was veel vergeten van wat hertog Charles d’Orléans allemaal overkwam voor en na de Slag bij Azincourt in 1415. De oorlog tussen Franse en Engelse vorstenhuizen, de burgeroorlog tussen de Bourguignons en de Armagnacs, de 25 jaar durende gevangenschap van de hertog die zich tot lyrisch dichter ontpopte, het middeleeuwse spel van landjepik, huwelijkspolitiek, strijd om erfenissen, grondbezit en eer, onmetelijke rijkdom aan hoven en in kastelen, onmetelijk lijden van het uitgebuite volk – er verandert weinig in het menselijk bedrijf, behalve de vormen waarin het zich afspeelt.

Hoe kwam ik er nu bij om koortsig en wel juist dit werk van Haasse ter ontspanning te herlezen? Omdat Frits van Oostrom ons recent dat prachtige boek Nobel streven heeft geschonken, ‘het onwaarschijnlijke maar waar gebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode’. Want die sneuvelde in de slag bij Azincourt, waar hij als huurling aan dezelfde kant streed als Orléans. Volgens Shakespeare, die de slag verheerlijkte in Henry V, sneuvelden aan Franse kant tienduizend edelen: hertogen, graven, baronnen, die met hun zware harnassen en bepantserde paarden in de modder verzonken. Ridder Jan van Brederode behoorde tot het puik van de Hollandse adel, zij het zonder de vorstelijke allure van de hertog. Ook zijn geschiedenis is een verhaal van gedoe over land, erfenissen. In Holland woedden de Hoekse en Kabeljauwse twisten, oorlog tussen de Hollandse graaf en de heer van Arkel, landjepik in oorlogen met Friesland. Maar belangrijker: tijdens een gedwongen verblijf in het klooster vertaalde Brederode de Franse handleiding voor vorstelijk en adellijk gedrag – Somme le Roi – in het Middelnederlands, met toevoeging van gedachten en uitdrukkingen die de mediëvistiek enorm vooruit hebben geholpen. Wel fijn dat Van Oostrom dit werk niet in universitair Engels heeft moeten schrijven.

‘Het gaat om je woordkeuze, om verbeelding, stijl, poëzie, fantasie, ritme, de emotie. Je onderwerp is daaraan ondergeschikt’

Behalve een treffen op het slagveld blijkt Azincourt óók een literaire ontmoeting te zijn geweest. De virtuoze reconstructie die Van Oostrom maakte van het leven, maar vooral het geschrift van Jan van Brederode vereiste veel verbeeldingskracht. Hij moest zich inleven in zijn hoofdpersoon. Daarbij vroeg hij zich naar eigen zeggen af wat een literator als Hella Haasse van dit verhaal gemaakt zou hebben. En dat is precies wat bij mij opkwam toen ik Nobel streven las, maar geen zorg: ook dit boek, strikt wetenschappelijk als het is, leest ‘als een roman’.

Van Oostroms aanpak verschilt in essentie dan ook niet van die van Haasse, die over de biografie als genre opmerkte dat het erom gaat ‘een mens op het spoor te komen en te volgen in zijn maatschappelijke en privé-bestaan, als unieke persoonlijkheid én als representant van zijn tijd’. In de pas verschenen memoir van schrijfster Yvonne Keuls over haar vriendin Hella Haasse, Zoals ik jou ken, ken jij mij, komt dit ook ter sprake. ‘Als je schrijft gaat het in de eerste plaats om je woordkeuze, om verbeelding, stijl, poëzie, fantasie, ritme, de emotie die je kunt overbrengen. Je onderwerp is daaraan ondergeschikt’, zei Haasse in een kleine polemiek met haar collega over engagement in de literatuur.

Bij boeken over het verleden is deze notie des te belangrijker omdat de historische roman sinds de negentiende eeuw niet zelden moest dienen als vehikel voor nationale trots. ‘Vlaanderen, den Leeuw, wat wals is, vals is, sla dood!’ (Hendrik Conscience). Overigens bestonden er geen naties in de tijd van Charles d’Orleáns en ridder Jan van Brederode. Hun beider levensverhalen, de literaire biografie van Haasse en het meesterwerk van Van Oostrom, laten veeleer zien dat er sprake was van een Europese adellijke cultuur enerzijds, clanstrijd tussen heersende geslachten anderzijds (in het gebied van de hertog van Bourgondië, de tegenspeler van Orleáns, werden zeven talen gesproken, afgezien van de dialecten). Nee, aan de historische roman heeft het nationalisme niets. Aan geen enkel werk van literaire betekenis trouwens.

Toch kun je best hartstikke trots zijn op de Nederlandse literatuur. Toen de griep eindelijk geweken was, zat ik in de Nieuwe Kerk om ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Hella S. Haasse de onthulling bij te wonen van haar gedenksteen. Daarmee werd haar naam toegevoegd aan die van Vondel en Hooft in ons literaire pantheon. En dat zonder populariteitspoll op het internet!