De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Hello, young boy

You seem like a real Polish guy’, zei de één, en zonder het antwoord af te wachten vulde de ander aan: ‘Never mess with the Polish guys.

Hotels in Kopenhagen zijn vreselijk duur. Vandaar dat ik, toen ik er afgelopen week voor een afspraak moest zijn, een reservering maakte bij City Hotel Nebo. City Hotel Nebo is het goedkoopste hotel van Kopenhagen en ligt, zoals het een goedkoop hotel betaamt, om de hoek van het Centraal Station. Ook in Denemarken sluit de horeca inmiddels om tien uur, dus om mijn aankomst te vieren liep ik geen café binnen maar een nachtwinkel. Terwijl ik mijn Carlsberg afrekende keek de man achter de toonbank me met iets van verbijstering aan, en vlak voordat ik de deur uitliep riep hij me na: ‘Kid, please tell me what age you have.

Twenty-two’, antwoordde ik, en hield mijn paspoort omhoog. ‘You want proof?’ Er volgde een bulderende lach, waarna hij zei: ‘You keep that passport, son.’ Voor mij is een biertje pas echt af met een frietje ernaast, dus tien minuten later stond ik in de rij voor de McDonald’s. Twee jongens probeerden bij me voor te dringen, waarop ik resoluut een stap naar voren zette. Ze zeiden iets in het Deens, wat ik niet versta, en ik hen ook vertelde. ‘You seem like a real Polish guy’, zei de één, en zonder het antwoord af te wachten vulde de ander aan: ‘Never mess with the Polish guys.’ Dit leek me een mooie uitkomst, dus ik knikte.

Op de terugweg naar mijn hotel ontdekte ik wat ik had kunnen verwachten, namelijk: dat de stationsbuurt in Kopenhagen de buurt is waar getippeld wordt. Vlak voordat ik mijn hotel binnenstapte, hoorde ik het: ‘Pssst.’ Ik keek om, waarop een rondborstige vrouw me indringend aankeek en zei: ‘Hello, young boy.’ ‘Thank you’, zei ik, ‘thank you, but no.’ ‘Come on, young boy’, bleef ze me vertellen, terwijl ik mijn hotelpas steeds harder tegen de lezer van de voordeur drukte. Pas toen bleek dat het niet mijn hotelpas was, maar mijn OV-chipkaart waarmee ik binnen probeerde te komen, wendde ze haar blik af en liep terug naar haar collega’s.

Onder de douche keek ik naar beneden, naar alles wat zij zojuist niet zagen, en dacht: ‘Daar staat hij dan, de tweeëntwintigjarige knaap uit Warschau.’ Ik ben niet eens tweeëntwintig. Ik ben zesentwintig, maar de ervaring heeft me geleerd dat het noodzakelijk is om naar de verwachtingen van mensen toe te bewegen. Ik ben weleens uitgescholden, toen ik mijn werkelijke leeftijd vertelde. ‘Jij bent zes jaar, mijn kleine vriend, jij bent zes’, bleef die man me maar vertellen.

De realiteit, voor zover die bestaat, is dat ik een vrouw ben met een jongensachtig uiterlijk, en helemaal niemands vriend. Alleen mannen zijn elkaars vriend, ook al wantrouwen ze elkaars leeftijd, en daarom zou ik ook nooit durven zeggen dat ik een vrouw ben. Ik ben als de dood voor waar die kameraadschappelijkheid in omslaat wanneer ik ze dat vertel. En ik plaats kanttekeningen bij het begrip ‘realiteit’, omdat daar nu juist het probleem in schuilt. Wie ben je daadwerkelijk, wanneer je op een jongen lijkt?

Ik hoor het om de haverklap, en altijd wil ik antwoorden: ‘Alle jongens lijken op mij.’ Dat is wat ik wil zeggen: ‘Ach toe, geef die gast een biertje, hij heeft gewoon een Sofie-achtig uiterlijk.’ Misschien dat al die jongens het dan eens begrijpen. Dat ze begrijpen dat het je vernietigt, niet direct maar juist heel langzaam, om almaar te horen dat er iets is wat écht is – en dat jij iets bent dat daarop lijkt. Hoe het is om een gelijkenis te kennen met de realiteit, maar je die realiteit nooit te mogen toe-eigenen. Ik ben gewoon verschrikkelijk benieuwd, hoe dat biertje ze dan smaakt.