Mijn zus belde opgetogen op. Dat ze nú toch zo’n leuk boek aan het lezen was.
Dit mocht inderdaad in de krant, want mijn zus leest nooit. Nooit gedaan ook.
‘Wat dan?’ vroeg ik.
‘Het zijn allemaal korte stukjes’, zei ze. ‘Ik lig helemaal dubbel. Even kijken hoor… Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt heet ’t. Ken jij ’t?’
‘O van Kluun’, zei ik.
Ik probeerde niet meteen al te ingestort te klinken. Waarom zou ik? Mijn zus leest een boek en vermaakt zich ermee.
Vorige week zondagmiddag werd in de Amsterdamse Balie ‘het grote literatuurdebat’ gevoerd. Kluun was er ook, naast Doeschka Meijsing, Dirk van Weelden en nog zo wat types uit en rond het boekenvak die zich al dan niet zorgen maken over de ontwikkelingen op de leesmarkt.
Luisterend naar zo’n debat is het alsof je je in een perpetuum mobile bevindt. Stel, een tijdmachine zou de zaal dertig jaar terug parachuteren in de tijd. Misschien zou je iets opvallen aan de snor- en baardgroei van de gemiddelde bezoeker – sowieso dat er potentieel snor- en baarddragenden aanwezig waren, waar anno 2008 vooral glanzende meisjeshoofdjes zich voor het literaire randgebied lijken te interesseren – maar verder was men toen even ongerust, verontwaardigd of relativerend. De cultuurpessimist beweert al decennialang hetzelfde, bij monde van de kleine uitgever, de kleine pamflettist, de kleine boekhandelaar en de kleine recensent. Een paar steevaste inkoppertjes:
Zijn er al goede schrijvers, dan worden ze niet gelezen.
Alle aandacht gaat uit naar een paar mediagenieke persoonlijkheden.
De lezer gaat het avontuur niet meer aan.
De boekhandelaar gaat mee in de bestselleritis, want moet ook z’n hoofd boven water zien te houden.
Des te verfrissender om te zien hoe opgewekt de beide schrijvers erbij zaten. Wat zal hebben bijgedragen aan hun goede humeur: Kluun heeft permanent drie titels in de toptien van best verkochte boeken staan, en Doeschka Meijsing had net de AKO Literatuurprijs op zak. Ze hadden geen van beiden elkaars werk gelezen, dus ook op dat front geen wanklank. Kluuns boodschap was vooral dat hij blij was missiewerk te kunnen verrichtten: in het kielzog van zijn succes bracht hij jonge onbekende schrijvers onder de aandacht van een groot publiek. Meijsing was blij dat ze altijd tegen de klippen op was blijven schrijven. Ze had trouwens niet anders gekund, zo bekende ze. En kijk, het had haar uiteindelijk toch erkenning en geld gebracht. Gewoon doorgaan, was dan ook Meijsings devies aan heel schrijvend Nederland.
Als iets deze middag aan het licht bracht, was het dit: succes maakt mild. En genereus.
‘Hoeveel boeken heb jij geschreven?’ vroeg Kluun op een gegeven moment aan Dirk van Weelden.
Een tikkeltje weerspannig noemde Van Weelden een aantal. Zo weerspannig dat ik het niet kon verstaan.
Even was ik bang voor een rondje vernedering, maar Kluun bleek te goeder trouw.
‘Weet je hoeveel boeken van jou je direct op bol.com kunt bestellen?’ vroeg hij met een stem die bijna oversloeg van enthousiasme. Zo enthousiast dat ik het aantal wederom niet kon verstaan.
Wat hij maar wilde zeggen: literatuur was meer onder de mensen dan ooit.
Ik dacht aan mijn zus, en voelde een grote gelatenheid over me komen. Wreed werd ik daaruit gewekt door mijn sissende buurman aan linkerzijde: ‘Hij denkt dat hij een schrijver is.’
Sowieso bevond Kluun zich deze middag op vijandig gebied.
‘Heb je Kluun nog gesproken?’ vroeg mijn zoon ’s avonds.
Mijn zoon leest wel eens een boek, maar vraagt verder nooit ergens naar.
‘Hoezo?’
‘Lijkt me een interessant figuur’, zei hij, en richtte zijn blik weer op de televisie.
Wat is dat toch met Kluun?
Van de weeromstuit begin ik me af te vragen hoe hij zelf terugkijkt op dit grote literatuurdebat. Wat je dertig jaar geleden in ieder geval níet had, waren de schrijversweblogs. Dat van Kluun blijkt behoorlijk up-to-date. Even kijken wat hij over die middag van eind november te melden heeft…
‘Geen idee waarom en hoe en hoezo en waardoor en waarvoor, maar vanochtend zat dit liedje uit negentienfuckingachtenzeventig ineens in Kluuns hoofd.’
Geen woord over enig literatuurdebat.
‘Dit liedje’ kun je onmiddellijk aanklikken.
Help. Voorlopig zit dit fuckingliedje nu ook in Pruis’ hoofd.