Het faillissement van MC Slotervaart

Help! De dokter verzuipt. En de patiënt ook

Als schrijver Thomas Heerma van Voss zijn ziekenhuis belt om te vragen of zijn arts nog werkt, krijgt hij een robotachtige voicemail te horen. Na het faillissement van MC Slotervaart is duidelijk dat er iets moet veranderen aan hoe marktgericht ziekenhuizen worden gerund.

De gesloten SEH van MC Slotervaart vlak voor het faillissement, Amsterdam, 24 oktober © Dingena Mol / HH

Sinds het Amsterdamse ziekenhuis MC Slotervaart op 25 oktober failliet werd verklaard, tuimelen de nieuwsberichten over elkaar heen. De minister van Medische Zorg, Bruno Bruins, werd in een debat onder vuur genomen; een groep artsen probeerde vergeefs de boel over te kopen; het faillissement werd aangevochten en voor een tweede keer geldig verklaard; de eveneens failliete IJsselmeerziekenhuizen bleven zowaar uit de wind omdat men daar ten minste de tijd kon nemen om af te bouwen; er kwamen alarmerende berichten naar buiten over andere ziekenhuizen die ook in het rood stonden; er vond een demonstratie plaats op het Museumplein en een trits binnen- en buitenlandse investeerders meldde zich om het MC Slotervaart over te nemen.

Een oplossing lijkt er ondanks alle krantenkoppen en spoedoverleggen niet te zijn. Het Amsterdamse ziekenhuis MC Slotervaart, een grauw en plomp gebouw in Nieuw-West, is inmiddels grotendeels leeg. Het meeste personeel werkt niet meer. Achterstallige salarissen worden naar verluidt deze dagen uitbetaald door het uwv (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen). Alleen de poliklinieken zijn nog open en het is onduidelijk voor hoe lang.

In persberichten die namens het ziekenhuis naar buiten gaan wordt steeds benadrukt dat de afhandeling van patiënten zorgvuldig verloopt en dat medisch specialisten alle dossiers zullen doorlichten – een boodschap die zorgverzekeraars en minister Bruins ook voortdurend herhalen. In werkelijkheid ontstond bij het in allerijl overplaatsen van de opgenomen patiënten uit het MC Slotervaart, de dag na het faillissement, al de nodige chaos en werden doodzieke patiënten volgens een medewerker patiëntentransport op een ‘onmenselijke manier’ elders ondergebracht. Een arts bracht naar buiten dat hierbij in elk geval één patiënt in levensgevaar kwam, omdat hij tussen zware chemokuren door naar het verkeerde ziekenhuis werd gereden.

Ook patiënten die er minder erg aan toe zijn en die toen het ziekenhuis failliet verklaard werd gewoon thuis zaten, hebben nog steeds geen idee wat er gaat gebeuren, wat ze van wie kunnen eisen of tot wie ze zich überhaupt moeten wenden.

Zelf kwam ik ruim vijf jaar geleden voor het eerst in een ziekenhuis. Met vage buikklachten stapte ik binnen, met een concrete diagnose vertrok ik. Meteen was duidelijk dat ik de rest van mijn leven aan dit ziekenhuis verbonden zou blijven: om af en toe bloed te laten prikken, om te worden onderzocht, om indien nodig nieuwe medicatie te bespreken. Aangezien mijn lijf de onaangename gewoonte heeft zich van de meeste pillen niet veel aan te trekken, moest ik bovengemiddeld vaak terugkomen. Voor nieuw onderzoek, nieuwe medicijnen, nieuwe verpleegkundigen.

Uit zowel schaamte als een afkeer van uitgevent leed wijdde ik hier tot dusverre nooit een geschreven woord aan, dat leek me ook weinig relevant voor de buitenwereld. Het ongelukkige toeval is alleen dat het ziekenhuis waar ik vijf jaar geleden lukraak belandde uitgerekend het ziekenhuis is dat onlangs failliet verklaard werd. Er wordt nu aldoor over het MC Slotervaart geschreven en gepraat, woordvoerders van het ziekenhuis treden met zalvende en semi-gecontroleerde berichten naar buiten, maar als jarenlange patiënt heb ik nog steeds geen enkel idee waar naar te luisteren, met wie contact te zoeken, wat er nou exact gebeurd is of hoe nu verder.

Uiteraard had ik van tijd tot tijd wel meegekregen dat het binnen het ziekenhuis organisatorisch rammelde, gewoon omdat daar in kranten wel eens over geschreven werd. Uiteraard zag ik bij ieder bezoek weer hoe haveloos het gebouw was, dat, zo lees ik online, in 1976 werd geopend door koningin Juliana en toen gold als het modernste ziekenhuis van Europa – ik heb het sterke vermoeden dat er nadien niets meer aan veranderd was, zelfs de bordjes in het ziekenhuis zijn nog steeds geschreven in een typisch jaren-zeventiglettertype. En af en toe dook in reportages dat verhaal weer op over voormalig voorzitster Aysel Erbudak (hoofd van het MC Slotervaart tussen 2006 en 2013), die volgens de rechter grote sommen geld naar zichzelf had overgemaakt zonder duidelijke tegenprestaties en die enkele jaren geleden zelf ook failliet is verklaard.

Maar toch: het ziekenhuis bleef gewoon open, de artsen bleven komen en dus volgden de patiënten, of andersom. Hoe dan ook hield men de boel draaiende en als patiënt bleef ik in het MC Slotervaart komen, noodgedwongen maar niet ontevreden. Ik werd ondanks de lange wachttijden met zorg en aandacht behandeld, bij klachten kon ik terecht in de steevast uitpuilende wachtkamers, ik heb van alle behandelingen en soms vervreemdend dure medicatie nooit een rekening onder ogen gekregen.

Misschien had dat af en toe juist wel moeten gebeuren, hoe wrang dat ook zou hebben aangevoeld. Misschien hadden MC Slotervaart-medewerkers in elk geval heel soms moeten expliciteren dat behandelingen en ‘trajecten’ niet alleen de patiënt en zijn verzekeraar maar ook het ziekenhuis geld kostten, en vooral dat het geld op de een of andere manier op kon raken en niet vanuit de staat zou worden aangevuld.

Dat mijn ziekenhuis failliet is, dat er een ziekenhuis failliet kan gaan in Nederland, ontdekte ik pas toen het al gebeurd was. Net als alle andere patiënten heb ik me er geen moment op kunnen voorbereiden. Ik heb niet van tevoren kunnen overleggen met mijn arts, die me overigens behandelt zo lang ik in het ziekenhuis kom en die altijd overwerkt lijkt, die me soms ’s avonds laat vanuit het ziekenhuis nog voor overleg belde nadat al zijn besprekingen weer waren uitgelopen – hoe kan het dat dat niet genoeg is geweest, dat zo’n dokter nu geen werk meer heeft? Ik heb me niet kunnen oriënteren op een eventueel ander ziekenhuis, ik heb geen bericht met toelichting ontvangen. Ook niet na het faillissement. Tot op de dag van vandaag heb ik, als patiënt, namens het MC Slotervaart zelf niets gehoord. Dat de boel failliet was, ontdekte ik doordat mijn vader me erover belde – hij had het op het journaal gezien. Een paar dagen ervoor was ik nog in het ziekenhuis geweest om bloed te laten prikken, iets wat elke paar weken moet gebeuren gezien de medicatie die ik gebruik. Ook tijdens dat bezoek viel er nergens een waarschuwingsgeluid te horen, overal zag ik bedrijvigheid. Pal daarna was het afgelopen. Ik betwijfel of ze mijn bloedwaardes nog hebben bekeken. Ik heb sowieso geen idee hoe ik daar achter kan komen.

Voor de goede orde: dit gaat natuurlijk niet om mij of om mijn bloed. Het gaat om de achterliggende vraag hoe je als samenleving met fysiek verzwakten of hulpbehoevenden om wil en kunt gaan. Hoe te reageren op het plotseling omvallen van zulke fundamentele basisvoorzieningen, welke voorzieningen gegarandeerd moeten blijven, waar je voor wilt staan en ook: hoe te vermijden dat zoiets opnieuw gebeurt.

‘Loek Winter vindt het belangrijk hierbij mee te delen dat hij op dit moment niet inhoudelijk ingaat op persverzoeken’

De afgelopen weken is meermaals beweerd dat het faillissement van het MC Slotervaart aan Rutte ligt, iets wat tijdens de demonstratie op het Museumplein ook door enkele ziekenhuismedewerkers werd geroepen en met enthousiast applaus werd ontvangen. Inderdaad steekt de huidige stilte uit Den Haag wel erg pijnlijk af tegen, laten we hem maar weer eens noemen, de hele toestand rondom de afschaffing van de dividendbelasting. Of tegen de banken die tijdens de crisis wél werden gered met staatssteun. En ja, zo’n praktisch leeg, failliet verklaard ziekenhuis oogt als een wel heel wrang gevolg van het allesoverheersende marktdenken van de Rutte-kabinetten. Maar toch is die verklaring veel te simpel. De werkelijkheid is dat het Slotervaartziekenhuis al in 1997 volledig geprivatiseerd werd, als eerste ziekenhuis in Nederland. In zekere zin werd daarmee de kiem gelegd voor het huidige faillissement – heel simpel: als je een ziekenhuis overlevert aan de markt en inricht als een bedrijf kan dat ziekenhuis zoals ieder bedrijf over de kop gaan.

Hoe het precies gegaan is: dat valt nu te midden van alle rumoer, protesten, halve pogingen en beweringen nog niet in kaart te brengen en lijkt bij uitstek materiaal voor een nauwkeurige reconstructie, over een paar jaar te maken. Ondernemer Loek Winter – wiens website meldt: ‘zijn doel is het efficiënter maken van de Nederlandse gezondheidszorg’ – bracht in 2013 het noodlijdende Slotervaart onder in zijn MC Groep en werd, na dat desastreus beëindigde Erbudak-tijdperk, beschouwd als redder van het ziekenhuis, niet in de laatste plaats door hemzelf. Meerdere keren sprak hij zijn grootse ambities uit en pleitte hij voor een ‘rationele, zakelijke cultuur’, maar in een interview vlak voor het faillissement gaf hij juist aan dat zijn ziekenhuizen werden ‘geslachtofferd’ door zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars zelf brachten onlangs naar buiten dat de (personeels)kosten van het MC Slotervaart structureel te hoog waren en dat dit al vaak was aangegeven, zonder duidelijk effect. Tijdens een debat in de Tweede Kamer had minister Bruins het over ‘ontoelaatbaar handelen’ en ‘schimmige transacties’ die zich rondom de ziekenhuizen van de MC Groep voltrokken. De website Follow The Money, tot slot, publiceerde op 6 november een onderzoek waaruit zou blijken dat de MC Groep met een groot financieel risico medicijnen inkocht bij een Duits bedrijf – waar Winter zelf ook belangen bij schijnt te hebben. Via zijn website zoek ik meermaals contact met Loek Winter. Na enkele dagen komt er antwoord van twee woordvoerders. ‘Loek Winter vindt het belangrijk, teneinde ook om de verwachtingen te managen, hierbij mee te delen dat hij op dit moment niet inhoudelijk ingaat op persverzoeken over de ziekenhuizen of welk ander gelieerd onderwerp dan ook.’

Nog los van de relletjes, de incidenten, de verwijten, de nalatigheden en mogelijk zelfs strafbare feiten – en zonder die enigszins te willen bagatelliseren – draait het in wezen natuurlijk om een grotere, meer overkoepelende vraag: hoe meet je, heel sec, of een ziekenhuis goed functioneert – of het, hard gezegd, bestaansrecht heeft en dus koste wat het kost moet blijven bestaan? Het aantal geslaagde ingrepen? Het aantal mensen dat er blijft terugkeren, of juist niet? Het aantal keren dat bestuursleden in opspraak komen? De (overtollige) kosten die gemaakt worden, het geld dat binnenkomt?

Iedereen is het er nu intuïtief over eens dat het niet kan en hoort, zoals het bij het MC Slotervaart is gegaan en nog steeds gaat, dat dit ‘on-Nederlands’ is: circa twaalfhonderd artsen, verpleegkundigen en andere werknemers die plotseling geen baan meer hebben, de spoedtransporten met ernstig zieken, de tienduizenden patiënten die elders onderdak moeten vinden in de vaak al zo onderbezette zorgsector. Hoeveel patiënten dat precies zijn? Dat valt lastig na te gaan, in de ene krant lees ik negentigduizend, dan weer vijftigduizend, het is ook moeilijk stellen wat iemand precies een patiënt maakt. Maar het MC Slotervaart heeft – ik moet ‘had’ schrijven maar vertik dat zolang er nog een paar deuren van het ziekenhuis open zijn – naar schatting zo’n twintigduizend ‘contactpatiënten’: mensen die regelmatig terugkeerden voor een behandeling of onderzoek, grof gezegd mensen zoals ik dus, al zegt een telefoniste van het ziekenhuis dat ze over dit cijfer geen uitsluitsel kan geven.

Er is sowieso, alle media-aandacht en publieke communiqués ten spijt, raadselachtig weinig verhelderende informatie over de huidige stand van het MC Slotervaart beschikbaar. Ook voor patiënten. Ik heb niet alleen niets gehoord over het hoe en wat, ik heb ook geen idee wat ik geacht word nu te doen. Of wat die goede, gewetensvolle zorgoverdracht inhoudt waar in het openbaar almaar aan gerefereerd wordt. Ik bekijk de website van het ziekenhuis, maar vind na enig doorklikken alleen een lijst van de vrij niksige persberichten die eerder al naar buiten werden gebracht, geen van alle direct naar patiënten gestuurd. Vreemd genoeg staat er ook geen jaarverslag van 2017 online, het laatste dateert van 2016. Als ik terugbel om daarnaar te vragen, en om te informeren of ik mijn bloedwaardes kan inzien, of mijn arts nog bereikbaar is en nog werkt, krijg ik een robotachtige voicemail te horen die het heeft over het streven van het ziekenhuis om de zorg ‘het beste’ voort te zetten. Daarna zegt de stem dat ‘de’ patiënt ‘zelf ook zeggenschap’ heeft in wat er gaat gebeuren en dat er binnen twee weken voor elke patiënt duidelijkheid komt. Het is onduidelijk vanaf wanneer de stem begonnen is met tellen, ik vermoed vanaf het faillissement, maar dat is nu al meer dan twee weken terug en ik heb niets vernomen.

De laatste dag van MC Slotervaart, 26 oktober © Dingena Mol / HH

Een telefoniste – een andere dan bij mijn vorige bellen, deze weet duidelijk meer dan haar collega en geeft desgevraagd aan dat ze net als haar collega’s nu onbetaald werkt: ‘Ik hoop volgende week salaris te ontvangen’ – verwijst me door naar de woordvoerder die het ziekenhuis heeft ingehuurd. Zijn naam is Marcel Paapst. Op de website van zijn Utrechtse communicatiebureau lees ik dat hij gespecialiseerd is in ‘communicatie, profilering en reputatie’ en dat ‘het klantenbestand bestaat uit opdrachtgevers in het bedrijfsleven’.

Als ik hem opbel en zeg dat ik patiënt ben zwijgt hij. Als ik toevoeg dat ik een stuk over het ziekenhuis schrijf, zegt de woordvoerder van het ziekenhuis snel: ‘Ik kan nu natuurlijk geen interview geven.’ Tenminste, dat meen ik te verstaan, ik hoor erg veel geluid op de achtergrond en zeg dat ook maar, waarna de woordvoerder met onmiskenbaar verwijt in zijn stem antwoordt: ‘Er wordt hier gewerkt, ja.’

Het rumoer wordt sterker, de woordvoerder herhaalt dat hij geen interview kan geven al heb ik daar nog niet eens om gevraagd. Zodra ik het jaarverslag 2017 noem zegt hij met een zucht: ‘Ik ben er niet toe in staat om dat precies voor je te beantwoorden.’ Kort daarna: ‘Wij zitten midden in heel andere dingen.’

Later terugbellen wil hij niet, ik mag hem een mail sturen met mijn vragen en ‘dan zie ik wat ik kan doen’. Ik mail en er komt vrijwel direct een summier antwoord terug. Het jaarverslag 2017 staat niet online, omdat dit nog niet is vastgesteld – en hoeveel mensen er momenteel in het ziekenhuis werken beantwoordt hij met een nogal vreemde zin over ‘twaalfhonderd medewerkers in dienst’. Voor de rest: bijna woordelijk dezelfde taal als in de persberichten.

Het valt hem amper te verwijten, hij doet ongetwijfeld waarvoor hij is ingehuurd.

‘Er is net een persbericht naar buiten gestuurd dat onze specialisten alle medische dossiers gaan bekijken. Dat kan dus helemaal niet’

Het punt is dat hij is ingehuurd. Dat het nodig is, in zekere zin zelfs onvermijdelijk zodra een ziekenhuis beschouwd wordt als een zoveelste potentieel winstgevende privé-organisatie – dan ontstaan er vroeg of laat vanzelf situaties waarbij ondoorzichtige transacties en geldzaken plaatsvinden, waarbij centraal zeggenschap is weggevallen en dus ook niemand verantwoordelijkheid neemt, niet namens de staat, niet namens directies. Gladde pr-taal schermt de betrokkenen af voor het publiek, welwillende telefonisten hebben geen idee en artsen evenmin. Men kan nu wel gedeelde afkeuring uitspreken over de gang van zaken, maar als er vervolgens niets verandert aan hoe marktgericht ziekenhuizen worden gerund, aan de totale vrijheid die hedendaagse zorg kenmerkt, kan iets vergelijkbaars ook ieder moment elders gebeuren. In andere steden. Bij andere ziekenhuizen.

Dat is het schrijnende van wat minister Bruins, bestuursleden van het MC Slotervaart en zorgverzekeraars telkens zeggen: er wordt gezorgd voor goede opvang door andere ziekenhuizen. Oftewel: de markt heeft gesproken en bij dit ziekenhuis ging het mis, maar laten we het zeker niet hebben over een systeem dat al dan niet deugt, er zijn nog andere ziekenhuizen, daar kunt u heen, en u ook, en u, en dan maar hopen dat het daar wel goed gaat.

Op de dag dat ik dit schrijf behoor ik in het MC Slotervaart bloed te laten prikken. De datum staat al tijden in mijn agenda. Het plan was dat ik om de week langs zou komen – een noodzakelijkheid omdat mijn huidige medicatie ieder moment nieuwe bijwerkingen kan veroorzaken. Er staat ook nog een evaluatiegesprek gepland bij mijn arts. Ik mail hem en de betreffende poli of de afspraak doorgaat, of dat ik juist beter andere dokters kan benaderen, en of het eigenlijk nog zin heeft om bloed te laten prikken, als dat nog kan. Er komt geen reactie, waar ik al stiekem vanuit ging want ook toen het ziekenhuis nog gewoon open was duurde het vaak lang voor ik iets te horen kreeg; de wachttijden voor een afspraak bedroegen steevast weken, soms maanden. Nadat ik voor een vierde keer heb opgebeld wordt me wel eindelijk duidelijk dat de prikpoli van het MC Slotervaart nog geopend is. Maar ook telefonisch kan niemand me precies vertellen wat er met de bloedwaardes zal gebeuren, wie daar nu naar enigszins rustig en analytisch naar zou kunnen kijken.

Het MC Slotervaart is nu bijna drie weken failliet. Moet ik blijven aankijken wat er gebeurt? Alvast naar een ander ziekenhuis overstappen, maar welk dan? Is er ergens in de buurt nog ruimte, wie werken daar?

Andere patiënten, om eventueel mee te overleggen, ken ik niet. Als een kantoor failliet gaat verenigen gelijkgestemde collega’s zich, maar ik heb met niemand contact; tijdens de vele uren die ik in wachtkamers van het MC Slotervaart doorbracht, zag ik weliswaar honderden patiënten voorbij komen, alleen begaven die zich voelbaar in geheel andere werelden dan ikzelf. Vaak ook spraken ze amper Nederlands: in het Slotervaart kwamen veel patiënten met Turkse of Marokkaanse wortels, in de gangen klonken geregeld meerdere talen door elkaar. Nu ik dit schrijf vraag ik me ineens af of die mensen eigenlijk al weten dat hun ziekenhuis failliet is gegaan, of er in dat hele ziekenhuis een laag of groep was waar mensen werkelijk dezelfde taal spraken en begrepen wat er aan het gebeuren was.

Naar het schijnt kan elke patiënt nu zijn dossier opvragen. Ook dat weet ik uitsluitend omdat ik er zelf achteraan heb gebeld; maar dat wil ik helemaal niet zien en bovendien, wat moet ik ermee? Het als een cv naar andere ziekenhuizen rondsturen, in de hoop dat ze me ergens anders nog willen ‘aannemen’?

‘Afwachten’, raadde mijn vaste arts me aan. Op een moment dat ik het niet meer verwacht had belde hij me op, nog altijd de enige poging tot contact die vanuit het ziekenhuis zelf is gedaan. Ik kreeg de indruk dat hij op eigen initiatief al zijn patiënten opbelde. Het was een surrealistisch gesprek.

Hij zei: ‘Er staan hier huilende mensen in de gang, alle medewerkers zijn gebroken, je kan je het gewoon niet voorstellen.’

Ook zei hij: ‘Er is net namens het ziekenhuis een persbericht naar buiten gestuurd dat onze specialisten alle medische dossiers gaan bekijken. Dat kan dus helemaal niet, het is de zoveelste leugen.’

En hoe zat het met de verdere planning, de toekomst, met het zogeheten medicinale ‘traject’ waaraan ik net was begonnen en de bijwerkingen die moesten worden onderzocht? ‘Afwachten’, herhaalde hij. ‘Meer kan ik er niet van maken. Tot nader order gaat onze afspraak door, maar alles kan elk moment veranderen, het kan ook zijn dat ze de deur morgen op slot doen en geen patiënt meer toelaten.’

Het was de eerste keer dat niet hij mij sterkte wenste, maar ik hem. Op de valreep gaf hij me ook zijn privételefoonnummer en mailadres. Hij was bang dat zijn werkmail elk moment kon worden afgesloten.

Het lastige aan het schrijven over zorg en ziekenhuizen, over casussen zoals het MC Slotervaart, is dat een paar van de breedste maatschappelijke vraagstukken zo nauw vervlochten zijn met het allerparticulierste: iemands lijf en gezondheid. Het riekt al snel naar effectbejag, zoals Hart van Nederland een item over het MC Slotervaart vult met beelden van een Bijlmerramp-slachtoffer dat in paniek is geraakt, zoals allerlei programma’s diverse zieken of familieleden van patiënten snikkend voor de camera neerzetten – maar tegelijk kun je het ook niet blijven hebben over privatisering en het marktdenken dat nationale ziekenhuizen heeft overgenomen, zonder stil te staan bij de concrete effecten. Hoe vaak het woord ‘zorg’ deze weken ook gebruikt wordt, hoe hol het daar af en toe ook van gaat klinken, uiteindelijk gaat het hier om persoonlijk maatwerk: een dokter die een patiënt aankijkt en de tijd neemt. Een dokter die indien nodig een lijf onder handen neemt, die meer weet dan enkel in een dossier staat en na jaren kan peilen hoe iemand waarschijnlijk zal reageren, wat zijn gewoontes zijn, wat er al gebeurd is, waar de situatie om vraagt.

Een paar uur na ons telefoongesprek kreeg ik nog een bericht van mijn arts. Hij stuurde me een staccato mail: of ik alsjeblieft een recensie over hem wilde schrijven op zorgkaartnederland.nl. Dat bleek een beoordelingssite voor artsen, een soort Iens waarop niet alleen ziekenhuizen maar ook elke medicus vermeld staat. Een positieve beoordeling kan hem mogelijk helpen als hij straks gaat solliciteren.

Of ik hem ooit nog zal zien weet ik nog steeds niet.