Help! Help!

Dat was een verrassing! Ik werd via via gebeld door de beeldhouwster, Esther heet ze, die zichzelf had herkend in mijn vorige column in De Groene. Ze vond het leuk mij ontmoet te hebben. Nee, zij had geen seksuele gedachten gehad. Helemaal niet! Maar ze wilde me wel weer eens ontmoeten, hoor. Als ik me maar niets in mijn hoofd haalde.

We spraken weer af in het ongezellige restaurant van het Stedelijk. En daar zat ze. Ze wilde gewoon ‘zomaar’ van alles weten. Wat ik bijvoorbeeld van de huidige kunstenaars vond. Ik vertelde een verhaal.

‘Een aantal jaren geleden – ik geloof een jaar of vier – besloten enkele beeldende kunstenaars om eindelijk actie te voeren vanwege het feit dat het Stedelijk Museum maar niet opschoot en er een hele generatie Nederlandse kunstenaars een mogelijkheid werd ontnomen om internationaal door te breken.

Hoe gingen de kunstenaars actievoeren? Als volgt: hoog, aan de voorkant van het Stedelijk, bevinden zich allerlei nutteloze nissen. Misschien ooit door architect Weissman bedoeld om daar een afschuwelijke negentiende-eeuwse kitsche Apollo of Vrouwe Fortuna neer te zetten. De kunstenaars zouden uit protest die lege nissen gaan bezetten, zodat je vlak onder de dakgoot tegen de wand van het Stedelijk opmerkelijke levende kunstwerken zou zien. Dus toen de actie een aanvang nam, zag ik kunstenaars grote glazenwassersladders tegen de muur van het Stedelijk zetten en met vereende krachten hielpen zij elkaar in de nis.

En daar stonden ze. Te poseren als… ja, als wat… als kunstenaars die juist niet werden geëxposeerd.

De aanwezige pers maakte foto’s. Het Amsterdamse publiek hief het in dat soort gevallen gebruikelijke spreekkoor aan, gericht tegen de kunstenaars: “Spring-en! Spring-en! Spring-en!”

Toen het even stil was, hoorden wij boven ons opeens een zacht en bibberig: “Help… Help!” Een jonge kunstenaar was bevangen geraakt door hoogtevrees en versteende – en eerlijk gezegd was die nis daar een uitstekende plek voor, maar toch… Hij bleef maar “Help! Help!” roepen, en natuurlijk was er een buurvrouw die de ernst van de situatie inzag en ons maande die glazenwassersladder weer tegen de muur te zetten zodat die jongen naar beneden kon klimmen. Maar dat deed die jongen niet. Hij wilde wel, maar zoals gezegd was hij bevangen door doodsangst. Op dat moment, vermoed ik, had hij zijn jonge leven al een keer of twintig aan zich voorbij zien gaan.

De snel aanwezige politie maande het publiek tot stilte, want uiteraard waren de toffe Amsterdammers vrolijk doorgegaan met hun yell: “Springen! Springen! Springen!”

De brandweer arriveerde. Uit de Lange Jan, of hoe heten die brandweerauto’s tegenwoordig, kwam een commandant die natuurlijk luid vroeg: “Zo, waar is de brand?” Er werd naar de jongen gewezen die inmiddels groen zag en aankondigde ieder moment te kunnen flauw­vallen, waarop hij van de commandant het advies kreeg: “Diep ademhalen en denk maar aan iets leuks. Je vriendin of je poes of zo. Of de poes van je vriendin.” Wij genoten van deze ongesubsidieerde voorstelling van Amsterdamse humor met bezoekersparticipatie. Want toen de ladder met het kleine balkonnetje om de jongen te redden werd uitgeschoven, riep een man weer vrolijk: “Brandweer, blijf met je poten van onze kunstwerken af!”

Precies op het moment dat de jongen door een brandweerman in zijn balkonnetje werd getrokken, hoorden we de drie andere actievoerders naar de heldhaftige brandweerman roepen: “Mij ook alstublieft! Ja, mij ook… En mij ook.”

Het liep allemaal goed af. Sterker, toen iedereen gered was en de voorstelling was afgelopen, kregen de kunstenaars en de brandweer het verdiende applaus.’

Esther amuseerde zich. Ze vertelde hoe zij eraan toe was. Beeldhouwen zoals zij deed, was niet alleen een dure kunst, het was ook een ‘totaal invloedloze vergane kunst’, zei ze. Daarover vertelde ze toen. Vergane kunst…