Traumabehandeling is zinloos

Help! Hulpverleners!

Psychosociale hulpverlening na rampen, geweldsmisdrijven en oorlogssituaties, is dat nodig? Soms wordt het leed van slachtoffers er alleen maar groter door.

«Na alles wat er is gebeurd, rust op jullie de plicht om extra je best te doen», sprak rector Schrijver van het Rotterdamsch Lyceum enkele weken na het Duitse bombardement van 14 mei 1940 tot zijn leerlingen. «Zorg dat je geen onvoldoendes haalt, want jullie ouders hebben al genoeg zorgen aan hun hoofd.» Hij riep de scholieren niet op hun gevoelens met de hele klas te delen. Hij verzachtte niet het leed van de zwaarst getroffenen en de angst van de rest. Zelfs als hij het had gewild, konden zijn woorden niets afdoen aan de meer dan duizend doden, de tienduizenden verwoeste huizen en de rook en stank van de dagenlang voortwoedende branden in het centrum van de stad.

In die tijd had nog niemand van counseling en posttraumatische stress gehoord. De medische stand had uit de ervaringen met shell shock in de Eerste Wereldoorlog de conclusie getrokken dat behandeling de symptomen alleen maar verergert. De inwoners van Londen kregen tijdens de Blitz dan ook te horen dat ze er met een stijve bovenlip en een kop thee wel bovenop zouden komen. In de eerste jaren na de oorlog konden zelfs de overlevenden van de concentratiekampen op weinig begrip rekenen, laat staan op een bijzondere tegemoetkoming van de overheid. Het concentratiekampsyndroom werd pas in de jaren zestig erkend.

Hoe anders ging het toe na de bloedige Rwandese burgeroorlog van 1994. Hulpverleners van Unicef ondervroegen duizenden kinderen met behulp van door Amerikaanse psychiaters opgestelde vragenlijsten. De uitkomst was dat velen van hen leden aan het Posttraumatisch Stress Syndroom, kortweg ptss, en onmiddellijk behandeld moesten worden. Omdat er geen geld voor die behandeling was, werden ze aan hun lot overgelaten. Intussen werd een hele generatie Rwandezen opgezadeld met een stigma van psychische gestoordheid dat de wederopbouw van het land bemoeilijkt. Sociaal onrecht, politieke conflicten en de soms schadelijke gevolgen van buitenlands ingrijpen in Rwanda worden niet erkend, maar wegverklaard met behulp van het «collectieve trauma». Het lijkt wel of het land in zijn geheel ontoerekeningsvatbaar is verklaard.

Als we daartoe de moed hadden, zouden we ons kunnen spiegelen aan Rwanda. De traumacultuur die de afgelopen twintig jaar in het Westen is ontstaan, dreigt mensen onnodig machteloos te maken omdat ze zich verbeelden dat ze hun problemen niet kunnen oplossen zonder professionele hulp, georganiseerd contact met lotgenoten en bijstand van de overheid. Na elke ramp, gijzeling, aanslag of geweldsmisdaad staat een traumateam klaar om de getroffenen te helpen bij het verwerken van hun ervaringen en gevoelens. Psychische bijstand lijkt zelfs een universeel recht te worden, met als ongewenst bijverschijnsel dat slachtoffers er tegen wil en dank aan worden onderworpen.

Autoriteiten en werkgevers die verstek laten gaan, worden steeds vaker voor de rechter gesleept. In Groot-Brittannië diende begin dit jaar een rechtszaak van een groep ex-soldaten tegen het ministerie van Defensie. De militairen (veteranen van de burgeroorlog in Noord-Ierland, de Falklandoorlog, de eerste Golfoorlog en de «vredesmissies» op de Balkan) waren van mening dat het leger hen onvoldoende had voorbereid op de psychische nasleep van hun inzet, met als gevolg een hoog aantal gevallen van ptss. De rechter verwierp hun claim, maar bevestigde in zijn uitspraak dat dit syndroom onlosmakelijk hoort bij het militaire handwerk en dat de overheid medeverantwoordelijk is voor het voorkomen ervan. Anders gezegd: oorlog voeren is per definitie traumatiserend. Volgens The Guardian zien Britse advocaten al reikhalzend uit naar de claims van soldaten die terugkeren uit Afghanistan en Irak.

De uitspraak van de Britse rechter is de kroon op het werk van de Amerikaanse psychiaters die het syndroom in de jaren zeventig «uitvonden». Om hun oppositie tegen de Vietnamoorlog een wetenschappelijke rechtvaardiging te bieden, veegden ze een aantal symptomen bij elkaar die in verhoogde mate bij Vietnamveteranen voorkwamen. Vaak waren die symptomen niet tijdens hun inzet in Vietnam ontstaan, maar pas achteraf, na hun terugkeer in een samenleving die onverschillig of zelfs vijandig tegenover hen stond. De implicatie van het syndroom, die sommige psychiaters en psychologen openlijk uitspraken, was dat oorlog per definitie ziek makend is, niet alleen voor de soldaten maar ook voor de samenleving die hen uitzendt.

In 1980 werd ptss opgenomen in het diag nostisch handboek van de Amerikaanse Vereniging van Psychiaters en sindsdien worden steeds meer normale gebeurtenissen in een mensenleven, tot en met de geboortes en het sterven van familie leden, als «traumatisch» bestempeld. Ook in Nederland neemt deze overgevoeligheid epidemische vormen aan. Bij catastrofes als de Bijlmerramp, de Volendammer cafébrand en de vuurwerk ontploffing in Enschede had psychische bijstand een hoge prioriteit. De horeca zet traumateams in om ondernemers bij te staan en werkgevers eisen dat hun werknemers zich na een verontrustende ervaring melden bij een Riagg om psychische schade te voorkomen. Om de psychische nood van hun cli enten te benadrukken, neigen hulpverleners er toe aantallen slachtoffers te overschatten. Na de Bijlmerramp voorzag psychiater Gersons van het amc minstens duizend ptss-gevallen. Het werden er enkele honderden, daarbij aangetekend dat de hulpverlening soms meer sociaal dan psychisch was.

In gezaghebbende publicaties worden steeds vaker kanttekeningen gezet bij de gevraagde en ongevraagde psychosociale hulpverlening na rampen, geweldsmisdrijven en oorlogssituaties. In 2000 kwamen Britse onderzoekers tot de conclusie dat de hulpverlening na het treinongeluk bij Paddington en de ramp met de gezonken veerboot bij Zeebrugge het leed van de slachtoffers alleen maar had vergroot. Vooral de techniek van debriefing — een eenmalig groepsgesprek waarin de getroffenen binnen een week na een ontwrichtende gebeurtenis hun ervaringen en gevoelens met elkaar bespreken — moet het ontgelden sinds de Royal Society of Medicine er in 1998 haar twijfel over uitsprak. Onderzoek na onderzoek wijst uit dat de meeste betrokkenen daar geen baat bij hebben en dat het soms hun verwerking zelfs belemmert.

«De scepsis over psychologische debriefings zou gemeengoed moeten zijn, maar kritische publicaties wekken nog steeds opschudding», zegt de Amsterdamse psycholoog Arnold van Emmerik, die vorig jaar samen met drie collega’s een dergelijk onderzoek in het Britse medische tijdschrift The Lancet publiceerde. De uitkomst was vernietigend voor de meest gangbare vorm, de critical incident stress debriefing oftewel cisd. Deze methode is ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog en voormalige brandweerverpleegkundige Jeffrey Mitchell. Hij bestaat uit een kringgesprek van enkele uren onder leiding van een counseler die de betrokkenen achtereenvolgens door zeven stadia van aanvaarding en verwerking leidt.

Volgens Emmerik cum suis appelleert de methode aan onze «intuïtie», maar is het resultaat zelden gunstig. «Mensen met ernstige klachten kun je er in zo’n sessie niet uithalen. Daarentegen loop je het risico dat je mensen die heel goed in staat zijn de situatie zelf te verwerken, opzadelt met negatieve verwachtingen. En je onderbreekt het natuurlijke verwerkingsproces. Daarbij hoort een afwisseling van bewustwording en verdringing. Het verzwijgen van negatieve gevoelens of herinneringen betekent niet automatisch dat mensen die niet kunnen verwerken, alleen willen ze zelf uitmaken hoe en wanneer ze dat doen. Maar de afwijzende reacties op ons artikel waren niet van de lucht. Mitchell in eigen persoon schreef een ingezonden brief. Van mijn vakgenoten, die geschoold zijn om alert te reageren en het belang van hun cliënten voor ogen te houden, mag je verwachten dat ze hun zienswijze zouden aanpassen, maar de feiten dringen kennelijk maar heel langzaam tot hen door.»

De Mitchell-methode is in Europa minder verbreid dan in de Verenigde Staten. In het Nederlandse leger is hij zelfs nooit gebruikt, zegt kolonel Wil Martens, psycholoog en hoofd van de afdeling individuele hulpverlening van de landmacht. «Wat dat betreft lopen we vooruit op andere landen. We voeren geen eenmalige gesprekken met militairen die in noodsituaties hebben verkeerd omdat we weten dat die averechts kunnen uitpakken. Ik heb daar zelf een hypo these over, namelijk dat je bij een therapie moet uitgaan van de lijdensdruk die mensen kunnen verdragen. De reden waarom mensen vaak counseling nodig hebben is juist dat ze die grens hebben overschreden. Als je die in gesprekken achteraf nog eens overschrijdt, maak je hun ellende alleen maar erger. Je veroorzaakt een secundair trauma.

Als wij mensen begeleiden, laten we het nooit bij een enkel gesprek, er is altijd een follow-up en zelfs de mogelijkheid tot volwaardige therapie. We zijn een soort Riagg voor militairen en hun gezinnen. Daarvoor beschikken we over vijf kantoren, waaronder één in Seedorf, en een staf van dertig psychologen, vijf maatschappelijk werkers en een psychiater. Wij sturen ook psychologen en maatschappelijk werkers mee op uitzending om de mensen ter plekke te begeleiden. De uitgezonden soldaten krijgen ook voorbereidende lessen voordat ze worden uitgezonden. Daarbij leren we ze dat verdringing heel functioneel kan zijn, zeker in een oorlogssituatie. Midden in een militaire actie kun je je emoties soms maar beter in de emmer laten zitten, als die emmer na verloop van tijd ook maar weer wordt leeggemaakt.»