Helpen oversteken

Anneke Brassinga
IJsgang
De Bezige Bij, 62 blz., € 16,90

Van mijn kapper weet ik dat ongelukkige mensen nieuwe kapsels uitzoeken omdat ze geloven dat een nieuw hoofd ze een nieuw bestaan zal geven. Hoe groter de gewenste verandering, hoe extremer het kapsel. Zelf geloof ik in nieuwe schoenen en in nieuwe dagboeken. Niets is zo hoopgevend als een onbeschreven schrift openslaan om daarin de eerste gedachten van het nieuwe bestaan te noteren. Ik moest aan een plank vol dagboeken denken – waarvan alleen de eerste pagina’s zijn beschreven – toen ik de nieuwe bundel van Brassinga las.
Zowel in vorm als in stijl lijkt de dichteres te willen ontsnappen aan een vooropgezet plan. Elk gedicht biedt een kans het leven opnieuw te bekijken, te beleven en invulling te geven. Soms is de toon sereen, ernstig, dan weer jongehonderig en jennend. Klare taal staat naast door klank gedreven gedichten. De ‘ik’ van de dichteres weigert zich vast te laten leggen. Alleen is er op de achtergrond – en naarmate de bundel vordert steeds meer op de voorgrond – de dood. Welk akkoord Brassinga ook aanslaat, hoe ze zich ook verzet, het doodsbesef voert uiteindelijk de boventoon en is als zwaartekracht in deze bundel aanwezig.

Sprinten, als een gek, kan de geest

die zich najaagt, meesleept-

wat doe ik dan waar ik ben

schuchter paraderend met mijn stoffelijk

omwindsel?

Op weg, maar niet heus, om de eindstreep

te ontlopen? Leren arriveren

of ik nergens in het bijzonder zijn wou

om er te brengen luchtigheid,

een stilstand van verstand?

De ‘ik’ in het gedicht Wedloop vervaagt, in de haast op weg naar nergens. De ‘ik’ is zowel dichtende geest als sprintend lichaam, maar kent zijn eigen plek niet, is voor zichzelf ongrijpbaar. Brassinga vergelijkt haar situatie met de paradox van Zeno, die stelt dat het dier die een voorsprong heeft gekregen, nooit door de veel snellere Achilles kan worden ingehaald:

Zoals de koppige schildpad in de Oude Agora;

voelde mijn blik en verstarde, niet willend

dat ik zag hoe hij sneller liep dan ik dacht.

De in de paradox gesloten figuren delen de angst niet snel genoeg te zijn, maar het maakt niet uit hoe hard er wordt gerend, het heeft geen enkele zin. Er wordt niets mee gewonnen.

Voor wie zich onder de knie heeft,

wist ik hem niet te zeggen

is het geen punt meer-

tempo noch bestemming.

In Ludwig en de kleuren heeft Brassinga zich het denken van Wittgenstein aangetrokken. Het is alsof zij hem laat spreken toen hij werkte aan Opmerkingen over de kleuren, vlak voor zijn dood. In de vreemde mengeling van exactheid en ongrijpbaarheid die de ‘opmerkingen’ kenmerken, voelt Brassinga zich thuis. Ze laat, net als Wittgenstein, zien dat taal uiteindelijk ontoereikend is en onbetrouwbaar als middel om de werkelijkheid in kaart te brengen:

Ik zie niet

of ik zie

de kleuren die ik zeg

te zien, ik weet niet wie

me aan kan wijzen waar en hoe

rood rood, groen groen,

blauw blauw is.

Ik zie, het kwelt

de helderziende geest,

maar aangezien kleuren horen

tot het zingenot, feeërie van de fenomenen,

is een zeker blind vertrouwen

niet misplaatst,

mist samengaand, zie ik in,

met altijd erop bedacht zijn

iets geheel nieuws te leren

al zoekt mij wie weet

pas op het laatst en logisch ondenkbaar

het grijsgloeiende, of het doorzichtig wit

terwijl de oostwestelijke noordenwind

opsteekt, me wegvaagt naar het zwijgen.

Wittgensteins zwijgen is meervoudig: ‘waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’. Maar het lijkt vooral te gaan om het ‘ik’, zowel van de filosoof als van de dichteres, dat moet wijken voor de dood. In Zijn gaat Brassinga nog een stapje verder in het opheffen van zichzelf. Ze raakt het idee van ‘zelf’ kwijt:

Wie was het ook weer? Mij weet zich

niet meer, gaat naar nergens heen.

Een oud vrouwtje had het geholpen

met oversteken, zij meende dat het

een oud vrouwtje was, dat zij moest

helpen oversteken.

Brassinga laat de lezer hier opzettelijk de draad kwijtraken. ‘Mij’ raakt spoorloos, en ‘het’ dat door het oude vrouwtje wordt geholpen, is vermoedelijk het verloren gegane ‘zelf’. Maar dan draait het zich om, en heeft het ‘zelf’ – dat ineens een ‘zij’ geworden is – het heft in handen genomen. Het lezen hiervan is vermoeiend, en zwaar, zoals het ouder worden zelf wellicht.

Verzwegen beiden

te zijn nog klein, dat iedereen ons

broer kan wezen levend of dood, de

gezochte; maar alles woei over over

de weg, te gaaf om te bewaren. Wie

jaar en dag het sinds was geweest

staat lichtend soms voor de geest,

vraagt: help mij naar het overzijn.

‘Overzijn’ is overbodig zijn, er niet meer toe doen. Maar ook: het voorbij zijn. ‘Help mij naar het overzijn’ klinkt als een wens tot stervensbegeleiding en bovendien als verlangen meteen maar helemaal te ontsnappen aan het zijn, waartoe ook het sterven behoort. Wie wie is in dit gedicht, is als vragen naar je gelijkenis in een spiegelpaleis. Als gevolg hiervan kan de slotzin uiteindelijk niet aan de dichteres worden toegeschreven. Zij heeft zich uit het gedicht losgeweekt, zoals ze zich zou willen onttrekken aan het bestaan en ze staat op een afstandje te kijken hoe de lezer zich hieruit redt.