Helse protocollen

De joden willen de wereldmacht veroveren. Zo luidt, kort samengevat, de inhoud van een van de meest lugubere schrijfsels die de menselijke geest heeft voortgebracht: de ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’, een geschrift dat grote invloed had op de nazi’s. Merkwaardig daarom dat er tegenwoordig zo weinig aandacht voor bestaat.
DE ZOGENAAMDE Protocollen van de Wijzen van Zion zijn misschien het meest obscure en tegelijk meest lugubere geschrift dat ooit door de menselijke geest werd voortgebracht; adjectiva die uiteraard enige toelichting behoeven, evenals deze schriftuur zelf.

Met ‘obscuur’ doel ik op het half-clandestiene karakter ervan. In ons land althans zijn de Protocollen nauwelijks bekend, zoals ik afgelopen jaar in een navraag onder bekenden heb ervaren. Sommigen hadden er wel eens van gehoord, maar niemand had ze ooit gelezen of ook maar onder ogen gehad. Dit is zeker merkwaardig in het geval van een geschrift dat volgens bepaalde - zij het ook aanvechtbare - schattingen in onze eeuw nog massaler verbreid zou zijn dan zelfs de Bijbel; om andere populaire boeken zoals Mein Kampf van een zekere Hitler en de verzamelde werken van Lenin en Stalin nog buiten beschouwing te laten.
Met het woord 'luguber’ doel ik op datgene wat dit jaar meer dan ooit wordt herdacht en beschreven: het einde van de Tweede Wereldoorlog en van de methodische massamoord van de nazi’s op de Europese joden, die men doorgaans - nogal eenzijdig en onvolledig - verbindt met 'Auschwitz’ (verreweg de meeste joden werden elders vermoord). Op de drie termen waaronder deze 'genocide’ bekend is gebleven - de Endlosung, de Holocaust en de Shoah - wil ik hier niet verder ingaan, hoewel ik denk dat de door de nazi’s zelf gebruikte benaming van de Endlosung der Judenfrage in Europa nog altijd de meest onthullende is. Want in wezen ging het hier voor de hoofdverantwoordelijken, die wisten wat zij deden en die dat zeer bewust ook wilden doen, inderdaad om een 'oplossing van het joodse vraagstuk in Europa’. Waar men deze curieuze benaming van 'het joodse vraagstuk’ - wat men in alle talen kan vertalen - tegenkomt, moet men dan ook altijd alert zijn; want in wezen ging en gaat het allereerst om een antisemietenvraagstuk.
De bijdrage van de Protocollen - zoals ik het boek hier verder zal citeren - aan deze ellende is even onmiskenbaar als onmeetbaar, zoals dit in historische processen vaak het geval is. Want wie zal uitmaken hoe de geschiedenis van onze eeuw zou zijn verlopen zonder een Adolf Hitler en wie kan onder alle Hitlerologen nog achterhalen welke aandeel de lectuur van de Protocollen aan zijn 'wereldbeschouwing’ heeft gehad? Wat wel vaststaat, is dat hij ze heeft gelezen en dat hij ze in Mein Kampf heeft vermeld als een bron van zijn politieke inspiratie. Zoals eveneens geldt voor talloze van zijn geestverwanten en partijgenoten, voor zover zij inderdaad ook 'heilig’ geloofden in een wereldomvattende samenzwering van 'de joden’ om zich meester te maken van deze wereld. Aan dit geloof hebben velen van hen zeker ook hun rechtvaardiging ontleend voor wat zij meer of minder enthousiast deden en mee-deden; met dien verstande dat een groot deel van de topploerten hieraan toch eigenlijk weinig behoefte had, zij moordden om zo te zeggen zeer spontaan en nauwelijks ideologisch bewogen. Hetgeen men kan controleren aan het voorbeeld van een Eichmann of een Rudolf Hoss, de minder bekende maar wel zo 'typische’ commandant van Auschwitz.
DE INHOUD VAN DE welgeteld 24 Protocollen is, kort gezegd, de volgende. Een niet nader gedefinieerde woordvoerder vertelt tegenover al evenmin gespecificeerde toehoorders op welke tegelijk ingenieuze en simpele wijze 'de joden’ zich, zoals gezegd, meester zullen en kunnen maken van de 'wereldmacht’ - en als men deze woordvoerder mocht geloven, was dit eigenlijk een politiek fluitje van een cent: als men zich maar even meester had gemaakt van de hele wereldpers als beheerser van de publieke opinie, evenals van alle kapitaal, dat toch al alles onder zijn controle had, en terloops ook nog alle politieke instellingen had geinfiltreerd en gecorrumpeerd - dan lag ten slotte deze grondig bedorven wereld klaar om aan de macht van de joden en hun jodenkoning van het 'Huis David’ te worden onderworpen.
Een vraag die zich hierbij aandient is natuurlijk wie dit alles nu eigenlijk heeft geloofd. Dat is tamelijk eenvoudig te beantwoorden: onvoorstelbaar veel mensen die door hun opvoeding al overtuigd waren van alle boosaardige bedoelingen van de joden (die altijd en overal weer opdoemden, al was het maar als de aartsvijanden van alle brave christenen). Of die door de mateloze ellende en verwarring van een wereldoorlog en wat daarop volgde, bereid waren om wie dan ook aan te wijzen als de zondebokken voor al hun misere. Hierop kan ik in dit verband niet verder ingaan; maar wie iets weet van wat de Europeanen, met name in het Duitstalige gebied, is overkomen in, laten we zeggen, het decennium 1914-1924, weet ook wat miljoenen mensen in die tijd geestelijk hebben moeten verwerken. En dat velen dit alles tenslotte alleen nog maar konden verklaren op de meest absurde en obscurantische wijze; getuige de carriere van Adolf Hitler zelf, die in 1923 (het jaar van de Duitse hyperinflatie) zijn eerste greep naar de macht deed. Tien jaar later zou het hem gelukken.
Merkwaardigerwijs liggen de oorsprongen van deze Protocollen echter niet in Duitsland of Oostenrijk, maar in twee andere landen, die hun eigen aandeel hebben gehad aan het zogenaamde antisemitisme. Te weten Frankrijk, dat aan het einde van de vorige eeuw zijn Dreyfus-affaire beleefde, en Rusland, dat de naam heeft gegeven aan het begrip pogrom, dat zo iets als 'vernietiging’ betekent.
De eerste teksten van deze Protocollen verschenen in Rusland aan het begin van deze eeuw en zijn waarschijnlijk gefabriceerd om invloed uit te oefenen op de laatste Russische tsaar, Nicolaas II, die in 1894 zijn zeer zelfbewuste en hardhandig-autoritaire vader Alexander III was opgevolgd en die met zijn toch al wankele zelfbewustzijn ook nog eens werd vervolgd door persoonlijke en politieke rampen. Tot zijn zeldzame verstandige ministers behoorde een minister Witte, die een betrekkelijk vooruitstrevend- liberale politiek heeft nagestreefd. Maar 'liberaal’ betekende in de ogen van de echte obscurantisten al bijna zo iets als 'joods’; zodat alle toespelingen op een liberaal-joodse macht in deze Protocollen ook van toepassing konden zijn op Witte.
VOOR DE MEER VOOR DE HAND liggende herkomst van deze Protocollen komen we echter terecht bij een onmiskenbare bron van deze falsificatie, namelijk het boek dat een zekere Maurice Joly in 1864 publiceerde: de 'Dialoog in de hel’ (Dialogue aux enfers), een tweegesprek tussen Montesquieu en Machiavelli. In deze discussie-op- hoog-niveau kreeg de eerste gesprekspartner alle kans zijn verheven oplossingen van alle staatkundige problemen uiteen te zetten; en iedere enigszins geschoolde Fransman wist natuurlijk dat hier de theoreticus van een ideaal liberalisme aan het woord was (van 'L'Esprit des Lois’ uit 1748). Het deprimerende gelijk was echter kennelijk te vinden in de argumenten van zijn tegenpartij, die duidelijk maakte hoe het in de politiek in werkelijkheid toeging; daar werkte geen mooie 'scheiding der drie machten’, maar alleen het harde 'catch as catch can’ van de brute machtspolitiek, met alle middelen - en bij voorkeur de meest brute en vuile. Dat dit ook de manier was waarop de toenmalige selfmade keizer Napoleon III (1852-70) zich wist te handhaven, was overduidelijk; ook voor de Franse overheid, die Joly arresteerde en tot anderhalf jaar celstraf veroordeelde. De grondig gedesillusioneerde Joly maakte in 1879 een einde aan zijn leven.
De nog altijd onbekende producent van de Protocollen heeft dit boek van Joly op een aantoonbare wijze geplunderd en zodanig vervalst dat van alle subtiliteit in de dialoog niets is overgebleven. Alleen de platste elementen van een pseudo-machiavellistische bewijsvoering zijn hier ondergebracht in een vertoog dat, zo moest men aannemen, de woordvoerder van een uitgelezen verzameling van joodse 'wijzen’ of 'oudsten’ voor zijn toehoorders en medeplichtigen had gehouden. Daarbij ontbrak elke specificatie van een hoe en waar, maar voor gelovige antisemieten stond het zeker vast dat het hier ging om het eerste Zionistische congres van 1897 in Bazel. En natuurlijk had er naast en achter het openbare congres een soort schaduwcongres van machtige joodse touwtrekkers plaats gehad, waar de 'echte’ plannen werden ontvouwd. Of misschien ook was de plaats van samenkomst het joodse kerkhof van Praag geweest, wat aan dit alles in elk geval een extra luguber aspect verleende. Dat de nazi’s dit kerkhof bewust hebben geconserveerd, heeft waarschijnlijk te maken met de Protocollen.
De eerste edities van de Protocollen verschenen overigens niet in Frankrijk, maar in Rusland, in 1903 en 1905. Dit laatste revolutiejaar was uiteraard van belang vanwege alle onlusten, die grotendeels tegen het regime waren gekeerd, maar die vaak ook tegen de joden werden gericht in de beruchte pogroms: een meer dan ooit bruikbaar middel om stoom af te blazen en de enorme sociale onvrede af te leiden. De producenten en propagandisten van deze Protocollen moet men dan ook vooral zoeken in nogal obscure kringen rond de tsaar, zoals de bizarre geestelijke Sergej Nilus (net geen 'Raspoetin’, maar toch wel zoiets) en het hoofd van de geheime politie of 'Ochrana’ Rachkovski, een naar het schijnt obscuur en intrigant individu met Franse relaties, die mogelijk ook als bemiddelaar voor deze Frans- Russische coproduktie is opgetreden.
Erg invloedrijk was dit banale en fantastische boekje intussen nog altijd niet, maar dit veranderde drastisch tengevolge van alles wat zich na 1914 in Europa afspeelde. Na 1918 was dit werelddeel in bepaalde kringen min of meer 'rijp’ voor deze openbaring. Of misschien moeten we schrijven: na 1917, want de Russische revolutie van dat jaar (en zeker de tweede 'bolsjewistische’ van oktober-november) gaf een enorme stimulans aan alle ideeen over een joodse samenzwering, die al tijdens en na de Franse Revolutie van 1789 in omloop werden gebracht. Met dit verschil dat men in die Franse omwenteling nog met een vergrootglas naar joodse prominenten moest zoeken, terwijl bij de Russische revolutie inderdaad een opvallend aantal leidinggevende figuren - Trotski voorop - van joodse origine waren (voor antisemieten was Lenin natuurlijk ook een jood).
Dat het fascisme in al zijn varianten na deze oorlog, ten dele ook als reactie op het bolsjewisme, furore maakte, veronderstel ik bekend; evenals het feit dat voor de eerste succesvolle fascist Mussolini het antisemitisme aanvankelijk geen enkele rol speelde. Bij zijn grote broer Hitler lag dit echter vanaf het allereerste begin van zijn agitatie (in 1919) heel anders; de jodenhaat stond hier terstond en overduidelijk centraal - en dat heeft de wereld geweten.
Hoe verleidelijk deze bizarre idee van een door de joden begeerde 'wereldmacht’ in die verwarde tijd is geweest, bewijst het Engelse voorbeeld van de gezaghebbende Times. Hierin werden begin 1920 serieuze beschouwingen gewijd aan 'The Jewish Peril’. Toen door een medewerker van de krant, Philip Graves, echter was onthuld dat de Protocollen grotendeels te herleiden waren tot het boek van Joly, kwam de krant in 1921 op zijn dwaling terug. Van een werkelijk dominant antisemitisme was in Engeland sedertdien geen sprake meer, ondanks alle schrijverij in die geest van een Hilaire Belloc en Chesterton. In andere landen hadden de Protocollen zo hun eigen grotere of kleinere succes, en tenslotte uiteraard hun allergrootste en fataalste in het Duitsland van Adolf Hitler en consorten.
Zoals gezegd geloofden bijna alle prominente nazi’s in dit verhaal van de demonische samenzwering van de joden, dat men onder andere kan herkennen in karikaturen van het genre 'Jodewin’: een bijzondere vondst van de propaganda, aangezien men in dit type de drie vereende werktuigen van 'de eeuwige jood’ moest herkennen: Josef (Stalin), Delano (Roosevelt) en Winston (Churchill).
HOE DIT ALLES IN HET GEBIED van Nederland en Vlaanderen heeft gewerkt, is een apart verhaal, en in wezen natuurlijk al even ingewikkeld en verwarrend als de hele geschiedenis van onze 'bezettingstijd’ - en zelfs als men zijn hele Lou de Jong heeft doorgelezen, weet men het nog altijd maar nauwelijks. In elk geval zijn er hier tenminste twee edities verschenen.
De ene en waarschijnlijk meest verbreide was een uitgave van het 'Comite tot bestudeering van het Joodsche vraagstuk’, vertaald door Jan Stoutenburg en becommentarieerd door Dr. P. Molenbroek, die samen ook verantwoordelijk waren voor het tijdschrift De Misthoorn (verkrijgbaar voor 35 cent en ongedateerd, naar ik aanneem van 1939).
Een veel luxueuzer en pretentieuzer editie werd verzorgd door uitgeverij Lannoo (in Tielt, later ook in Den Haag) onder de titel Het jodenvraagstuk. Het tweede deel hiervan bevatte de Protocollen (hier uitvoeriger omschreven als 'Protocollen van de samenkomsten der wijze ouderlingen van Sion’); in een eerste deel vond men onder de suggestieve titel 'Jodendom en christelijke naastenliefde’ een uitvoerige en kennelijk deskundige uiteenzetting van alle joodse boosheid door de eeuwen heen en de gerechtvaardigde reactie hierop van de kant van de katholieke kerk (ook deze editie is ongedateerd, circa 1934).
Aan het penetrant-roomse karakter van dit alles laat de tekst geen enkele twijfel. Ik wil niet bezwijken voor de verleiding er uitvoerig uit te citeren, en beperk me tot deze informatieve passage op de eerste bladzijde: 'Het eerste deel geeft het antwoord op de vraag: welke behoort de houding te zijn van een Christen-mensch in verband met het hoog gebod van Christus over de naastenliefde; het tweede deel bevat het onloochenbaar bewijs, dat de wereldheerschappij van het Jodendom bestaat en dat deze heerschappij niet iets toevalligs is, maar het uitvloeisel van een vast omlijnd, duidelijk herkenbaar plan om de wereldheerschappij van het Jodendom te vestigen.’
Ik heb enige tijd vermoed dat de auteur van dit proza, die bijna zeker een geestelijke is geweest, identiek was met onze eigen onverbeterlijk antisemitische pater J. P. M. van der Ploeg, die al of nog in 1940 zijn boekwerk over Het Joodsche Vraagstuk - een maatschappelijk probleem produceerde. Maar het schijnt hier toch om een andere pater te gaan, die ik nog niet heb kunnen traceren.
WAT MOET EEN MENS aan dit alles nog toevoegen? Eerlijk gezegd vind ik nog altijd het meest zinnige commentaar wat de Duits-joodse schilder Max Liebermann in 1933 gezegd moet hebben: 'Ich kann nicht so viel essen wie ich kotzen mochte.’ Maar toegegeven: dat was geen wetenschappelijke opinie.
Wat de wetenschap betreft: de grondigste studie van deze Protocollen is nog altijd die van Norman Cohn: Warrant for Genocide. The myth of the Jewish world-conspirancy and the Protocols of the Elders of Zion (1967). Een Franse vertaling onder de titel Histoire d'un mythe - van niemand minder dan Leon Poliakov - is, zo meen ik, nog verkrijgbaar.
Een Nederlandse vertaling uit 1986 van het boek van Joly, Dialoog in de hel tussen Machiavelli en Montesquieu over staatsmacht en democratie (door Ernst van Altena, met een inleiding van Martin van Amerongen) is helaas uitverkocht, en kreeg naar mijn mening minder aandacht dan zij had verdiend.
Dit geldt echter in nog hogere mate voor deze Protocollen zelf, die door bijna alle geleerden en andere intellectuelen altijd als iets verachtelijks en vulgairs zijn genegeerd, aangenomen nog dat zij er iets van afwisten.