Ger Groot

Hema

In Brussel heeft de Hema maar liefst vier vestigingen, dus als halfwas expat hoef ik die er niet te missen. Is dat belangrijk? Volgens de Nederlandse emigranten die Manon Sikkel en Marion Witter in verschillende delen van de wereld interviewden wel. Op de vraag waar ze het meest naar terugverlangden, kwam de Hema bij maar liefst drie van de negentien spontaan ter sprake. Als ik goed geteld heb, levert dat de winkelketen samen met de fiets een gedeelde eerste plaats op.

Dat zegt niet alleen iets over de Nederlandse volksaard, die met de Hema kennelijk een bijna mystieke band heeft, maar vooral dat die volksaard bestaat, ook al zegt het correcte zelfbesef onder autochtone vaderlanders vaak iets anders. In de gesprekken die door Sikkel en Witter werden samengebracht onder de titel Ik mis alleen de HEMA (uitg. Bert Bakker), vertelt bijna iedere emigrant dat pas de confrontatie met een andere cultuur hem deed beseffen hoe grondig Nederlands hij zelf wel niet was.

Prettig was die ontdekking lang niet altijd. Weggetrokken waren ze tenslotte niet voor niets, en pas in hun nieuwe woonplaats valt hun de verkramptheid en het dogmatisme op van het land dat zo prat gaat op zijn flexibiliteit en nuchterheid. Maar de eerlijksten moeten niettemin bekennen dat zij datzelfde vaderland in hun eigen hebbelijkheden overal mee naartoe dragen, als een gemengde zegen van daadkracht en onverbeterlijke eigenwijsheid.

Probleemgestuurde werkzin en de overtuiging daarmee ieder probleem in een mum van tijd de baas te kunnen, maken hen tot de halfaangepaste verschijningen wier grootse bedoelingen even mobiliserend zijn als ertoe voorbestemd te verzanden in een inerte realiteit. Op zoek naar rust en gelatenheid, moet een van hen op een tragikomisch moment ontdekken dat hij in het Afrikaanse binnenland allang de hand weer aan de ploeg geslagen heeft met de commerciële rentabilisering van het ene slaperige dorpshotel na het andere.

Gewoonten, smaak, inborst en vooral de taal herinneren iedere uitgewekene genadeloos aan de eigen afkomst, die op de langere termijn weer even hard gaat lokken als ze eerst was afgezworen. Hoe anders een vreemd land wel niet is, toont zich allereerst in de woorden, die nooit meer de klank en glans krijgen van de moedertong. Halverwege een mop ontdekken dat de clou ervan in de nieuwe taal helemaal niet werkt, en juist na het bereiken van de bijna-volmaaktheid in het spreken weten dat de werkelijke nuances altijd zullen uitblijven: in die ervaringen onderscheidt de emigrant zich van de thuisblijver die zijn talen met provinciale zekerheid perfect beheerst.

Met wat bij nader inzien een ijzeren logica blijkt, wreekt dat subtiele onbegrip zich het venijnigst waar Nederland nog maar nauwelijks uit zicht lijkt. Een werkelijk vreemde taal heeft desnoods de charme van de anonimiteit, waarin de uitgewekene zich bewust doof kan maken, om alle drukte als bij toverslag getransformeerd te zien tot een kalm en onverschillig gezoem.

Maar met een taal als het Vlaams, bijna onmeetbaar nabij, lukt die vervreemding niet meer. Ze spiegelt de Nederlandse emigrant de illusie voor van een onmiddellijk begrip waaraan hij zich niet kan of mag onttrekken. In werkelijkheid is ze de valkuil waarin de getourmenteerde relatie tussen noord en zuid vrij spel heeft. Ongewild ziet de Nederlander zich er, zelfs in zijn eigen ogen, al snel de belichaming in worden van zijn spreekwoordelijke schreeuwzin en lompheid.

Om die reden spreek ik in Brussel maar liefst het neutrale Frans – tot zo mogelijk nog grotere woede van de Vlamingen, als ze erachter komen. De juiste culturele toon en evenwichtigheid ligt voor de emigrant nu eenmaal altijd achter de horizon: in het land dat hij ooit verlaten heeft. Op zulke momenten vlucht ook ik in Brussel graag de Hema in. Het winkelpersoneel is er hoofdzakelijk Franstalig.