Kees van Beijnum

Hemel en aarde

In zijn nieuwe roman ‘De oesters van Nam Kee’ laat Kees van Beijnum zijn hoofdpersoon na een jeugd in Amsterdam-West zijn grote liefde ontdekken.

DE SCHRIJVER groeit en zijn personages groeien met hem mee. Van het opgroeiende jongetje in Dichter op de Zeedijk (1995), dat zich afvraagt waar je je aan kunt vasthouden, ‘iets moet toch blijvend zijn’, via de studente filosofie in De ordening (1998) die dekking zoekt in een papieren wereld, naar de gesjeesde gymnasiast in De oesters van Nam Kee (2000), die weigert zich erbij neer te leggen dat de dingen anders zijn dan hij dacht, ligt een duidelijke lijn. Ze worden naakter. Completer. Geholpen door de groeiende souplesse waarmee Kees van Beijnum ze in hun eigen wereld plaatst en ze hun eigen taal in de mond legt.


‘Hoe weet hij dat allemaal?’ dacht ik onwillekeurig tijdens het lezen van De oesters van Nam Kee. Hoe weet Van Beijnum dat zulke jongens uit Amsterdam-West zo met elkaar praten? De ordening was op de een of andere manier een bedachter verhaal, waar de scheppende geest van de schrijver op de achtergrond voelbaar bleef. In zijn nieuwe roman lijkt de schrijver te werk zijn gegaan als een illusionist, wandelend door Amsterdam, her en der straatstenen aanrakend, een willekeurige snackbar instralend, over een groepje hangjongens even de witkwast heen halend. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde…’ Wat hij ons daarna laat zien, is niet bepaald de grauwe realiteit waarin we ons toch al tot over de oren bevonden, maar een wereld die even hartverscheurend als gewoon is.



DE ZEVENTIEN- à achttienjarige Berry Kooijman wacht in het vroegere Franse vakantiehuis van zijn ouders tot de gendarmerie hem komt ophalen. In Nederland heeft hij een daad begaan, iets tussen wanhoop en criminaliteit in. Langzaam en onontkoombaar ontrolt zich zijn geschiedenis. Gewoon, een jeugd in Amsterdam-West, in het enige villalaantje, met uitzicht op steeds meer schotelantennes op de krappe balkonnetjes aan de overkant. Grieks en Latijn op het Barlaeus Gymnasium en in de vrije uurtjes de jongens uit de buurt. Met Otman, Jamal, De Laatste Mode en Gerrie Grolsch een smerig hamburgertje halen bij Fast Eddie. De wereld van de drank, drugs en kleine misdaad.


De seks doet zijn intrede met Thera, die in zilverkleurige string en op naaldhakken dansend haar brood verdient in een nachtclub. Berry is verloren. Thera ook, voorzover ze in staat is zich te verliezen. Ze eten samen haar favoriete gerecht in haar favoriete restaurant, oesters bij Nam Kee, waar Berry een beetje wee van wordt. Ze neemt hem mee naar haar huis, waar ze eindeloos in bed liggen, biertjes drinken en croissantjes eten. Dreigend op de achtergrond is Thera’s vorige eigenaar Ben, een pornoproleet.


Berry woont nog bij zijn moeder en broer, die minder en minder op de hoogte worden gebracht van Berry’s handel en wandel. De kleine akkefietjes met zijn buurtvriendjes nemen onder invloed van Thera een grootsteedsere wending. Van de slag die ze slaan leven ze een tijdje als John en Yoko in het Hilton, in die bewuste suite. Daarna gaat het fout met Thera, iets waar Berry zich niet bij kan neerleggen. Met alle gevolgen van dien.


Kenmerkend voor De oesters van Nam Kee zijn de toon en het tempo waarin het verhaal wordt verteld. Berry praat tegen ons, cool en weloverwogen. ‘Mijn moeder had de gewoonte je recht aan te kijken als ze wat zei, waardoor je het gevoel kreeg dat je een cliënt van haar was.’ Hij beschikt net over die mix van zelfrelativering en radicaliteit, lafheid en lef die hem tot een interessant figuur maken wiens wel en wee je aan het hart gaan. Daarnaast is hij geestig en scherp. ‘Wie denkt dat een hoofddoekje een symbool van kuisheid is, heeft het mis. Het is een teken van verboden lust, en daardoor een uithangbord dat je voortdurend herinnert aan de mogelijkheden.’ Vaak laat hij zich leiden door oneliners uit beroemde films; in het licht van zijn denken en doen krijgen de gekste uitspraken (‘We need a bigger boat’ uit Jaws bijvoorbeeld) een onvermoed metaforische betekenis.


Prachtig treft Van Beijnum de mengeling van afkeer en loyaliteit in de gesprekken van Berry met zijn moeder en zijn broer. De herinneringen aan de gezamenlijke vakanties toen ook de vader nog leefde, en de shetlandpony niet te vergeten, geven zijn geschiedenis de kleur van dagelijkse liefheid en verlies. Verlies van onschuld en hoop, en groei van het besef dat het geluk dat zo gewoon leek, misschien ook al geen geluk was.



HET IS lang geleden dat ik een Nederlandse roman las waarin zo overtuigend de staat van verliefdheid die optilt en doet neersmakken, wordt neergezet. Tegen de achtergrond van aan de ene kant het nog verse papamama-nest waar Berry vandaan komt, en aan de andere kant de streetwise jongenswereld krijgt de liefde voor Thera de allure van de nooduitgang. ‘Ik wist zekerder dan wat ook dat ik de rest van mijn leven met haar door stationshals wilde lopen. Met haar, met haar alleen wilde ik gezien worden. Ik voelde me de frisgewassen, zongebruinde held in een film, die met soepele tred en hét stuk van de cast aan zijn zijde de explosies en geweersalvo’s had overleefd en nu op weg was om opgewekt een Italiaans sportautootje in de kreukels te rijden.’


Kees van Beijnum is een verteller, met een scherp oog voor de wetten van het goede verhaal. Hij speelt geen intellectueel spel met zijn personages, maar voorziet ze van een warm kloppend hart en zintuigen die op scherp staan. Ondanks de ontnuchterende waarheden die zijn hoofdpersonage in De oesters van Nam Kee onder ogen moet leren zien, leest zijn geschiedenis alsof je een feelgood movie bekijkt. Een lekkere film, waarin het onmiddellijk nabije even de glans van diepzinnigheid krijgt.



Kees van Beijnum, De oesters van Nam Kee. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 320 blz., ƒ37,50