Hemels kabaal

Bij aankomst schrik: de bosrand langs het huisje is uitgedund. Meer licht, minder geheimzinnigheid. Misschien valt het mee: eiken zijn altijd laat, later zelfs dan de acacia’s thuis, en moeten nog in blad komen. Bovendien, er lijken dit jaar nog meer vogels. Alleen het spechtgeklop ontbreekt (erg genoeg); voor de rest is het een hemels kabaal, van vroege morgen tot late avond en het luidst juist in die uiteinden; en heerst niet-aflatende beweging.

Welk deel van m'n leven heb ik verspild door daar straal langsheen te gaan? Bijna 25 jaar komen we hier, maar de eerste twintig bleef ik ziende blind en horende doof, verdiept in relatie, kind, werk, bier, sigaar, krant, boek. Toen pas gloorde het en als een peuter moet ik een taal leren. Ik mag niet zo erg zijn als stadsgenoten die louter ‘sijssies’ en 'drijfsijssies’ kennen, ik kon geen lijster van merel onderscheiden.
Nu, schrijvend met die lijster op vijf meter, vind ik dat onvoorstelbaar dom. Hun formaat mag verwant zijn, hoe is het mogelijk het egale en voorname zwart, respectievelijk zeventiende-eeuwse regentenbruin van meneer en mevrouw merel te verwarren met de bescheiden, maar o zo mooie gespikkelde bruinvariaties des zanglijsters?
Als altijd strooien we brood, waardoor de wereld buiten in geen tijd een volière wordt. We kijken in een prent zoals die vroeger aan de schoolmuur hing - waarop de kunstenaar alle dieren en planten van 'sloot’ of 'moeras’ bij elkaar had gebracht - op het lachwekkende af geconcentreerd. Alleen, deze prent beweegt. En hoe - het lijkt of al dit kleine grut zich als steentjes uit de lucht laat vallen, maar als je hun lichtheid bedenkt, besef je dat ze de zwaartekracht een flink stuk helpen.
We noemen namen of zoeken die op. Kool- en pimpelmees natuurlijk. Hoezo 'gewoon’? Prachtig zijn ze - geen mens zo mooi als zij. En dan de roodborst, normaal alleen, maar nu uit ’s partners bek etend. Schaamrood wanneer we na lang zoeken begrijpen dat dat kleine kleurenwonder gewoon 'vink’ heet - z'n vrouwtje minder spectaculair maar fraai. Zelden op de grond, meestal op een tak en op afstand, de staartmees, vol- gens het boek 'een dot witte watten met een lange staart; een van de nuttigste vogels voor de mens’. Dus bedank ik hem even, terwijl hij als een kolibri stilhangt boven een insect. Trouwens, de glanskopmees van achter het huis blieft ook geen brood.
Plots doen de ogen pijn van een rood waarbij de roodborst bruinborst lijkt: goudvink. Z'n echtgenote grijsbruin. Daar verschijnt de Vlaamse gaai. Later zowaar een Turkse tortel. Geloof het of niet, ik lees Yashar Kemals Ook de vogels zijn verdwenen, waarin drie provinciale jongens bij Istanbul ontelbare vogeltjes vangen in de hoop die voor moskee, synagoge, kerk te verkopen aan lieden die door hen vrij te laten een voorspreker willen bij de hemelpoort. Maar niemand koopt ze meer (fundamentalisten worden er zelfs razend om) - metafoor voor een veranderende wereld.
De lijster hakt splinters uit een vermolmd houtblok voor in het nest. Dan geweldig geraas: een dragline graaft een bouwput naast het buurhuisje: er wordt een kamer aangebouwd. Lijster en buurman, allebei het voorjaar in hun kop. De tweede heel wat minder ontroerend voor wie de stad twee weken ontvlucht. Maar het valt mee.
Blijft het enige probleem: was die vreemde vogel van twee herfsten geleden een koperwiek?