Sylvain Ephimenco

Hemels toneelstuk

Een lugubere kamer met vertrapte peuken en lege wodkaflessen op de grond. Het behang is van de muren afgescheurd en de ramen zijn geblindeerd. Op een boekenplank staat alleen een vermoeid exemplaar van De ontdekking van de hemel. In het midden van de kamer, zittend op een barkruk, rookt een lijvige vrouw. Ze is zwaar opgemaakt, draagt een te korte rok en netkousen met gaten erin.

Lijvige vrouw, haar rook uitblazend: «Pfff… eerst verklaren ze God dood en dan geven ze diezelfde God de schuld van alles. Het zal je maar gebeuren.»

Een man komt binnen. Hij draagt een lange grijze baard en een soepjurk. Over zijn schouder hangt een kalasjnikov. Hij kijkt verschrikt naar de lege flessen, de peuken en de vrouw en gaat twee pasjes achteruit.

Bebaarde man: «Moet tegen de verkeerde deur hebben geduwd. Snap hier niets van. Dit moet de hel voor de kafirs (ongelovigen) zijn.» Hij hapt naar lucht en moet door de rook in de kamer hevig hoesten. «Ik zat rustig in een tunnel een nieuwe video op te nemen toen die daisy cutter viel. Ja, verkeerde deur. Ik ga alweer. Salaam.»

LV: «Ho, ho, lieve schat. Hier blijven. Je bent helemaal niet verkeerd en ik zat op jou te wachten. Maar eerst die troep (ze wijst naar het wapen) even buiten zetten, capice?»

Geïmponeerd laat de man zijn wapen van zijn schouder glijden en gaat op zijn hurken zitten. De vrouw trekt haar rokje over haar dikke benen en steekt een nieuwe sigaret op.

LV: «Dus zo ging je de pijp uit.»

BM: «Ik ben echt verkeerd hier. (Hij wijst naar het haar van de vrouw). Kunt u dat niet even bedekken, alstublieft?»

LV: «Nou wordt-ie mooi! Vraag ik je soms je te gaan scheren, baardaap? Effe dimmen, zeg. En nu serieus: hoe haalde je het in je hoofd om al die onzin over mij rond te bazuinen. Om al die dombo’s wijs te maken dat ze niet hoefden leren landen of opstijgen. En dat ze als beloning hier een bataljon verse troela’s met wat frisdrank en gevulde dadels konden krijgen. En ik maar al die roddels uit hun hoofd praten, iedere keer dat ik weer zo’n ezel op twee poten binnenkreeg.»

Op de achtergrond verschijnt een engel met een geamputeerde rechtervleugel die een munitiekist achter zich aansleept, en weer uit de kamer verdwijnt.

LV: «Opruimbrigade. Een linke job hier met al die selfmade martelaars.»

BM: «U wilt toch niet zeggen… het kan toch niet zo zijn… dat… dit Het is. U zou toch niet één van die 72 zijn? (Hij kijkt wanhopig om zich heen). Maar dan… waar zijn die 71 andere maagden?»

De lijvige vrouw laat een vette lach horen en blaast de rook van haar sigaret in het gezicht van de bebaarde man.

LV: «Alweer die bullshit. Je zou eens de kop moeten zien van al die arme sloebers met gordels dynamiet om als ze hier binnenstappen. (Ze maakt een grimas). Luister baardaap, jij en soortgelijke typetjes hebben me heel wat overwerk bezorgd. Al dat geouwehoer over die maagden. Was je maar een echte kerel geweest. Vrouwtje, kinderen, autootje en een baan van acht tot vijf. Netjes sparen voor de vakantie en op je tachtigste een Drion-pilletje achter de kiezen. Geen ethisch bezwaar. Maar in plaats daarvan ben je over me gaan roddelen. God is groot en zus en zo. En nu krijg ik van alles de schuld terwijl ik nota bene vliegangst heb.»

BM: «God… een vrouw?»

LV: «En wat voor een, sukkel! Ik broed trouwens al een tijdje op een leuk ideetje. Een derde feministische golf of zo. Met alle toeters en bellen. Wat vind je? (Ze dooft haar peuk onder haar zool en gooit een bezem naar de man). Kom op luie donder, werk aan de winkel!»