Hendrik Lodewijk (Henk) Wesseling, 6 augustus 1937 – 18 augustus 2018

Met historicus Henk Wesseling verloor Nederland een klassieke intellectueel, die het romantische, theatrale en persoonlijke van de geschiedenis probeerde te vangen in meeslepende werken voor een groot publiek.

‘Over schrijven zijn eigenlijk maar twee dingen te zeggen: het kost grote inspanning en het geeft nog meer voldoening.’ Dat gaf de historicus Henk Wesseling zijn lezer mee in het voorwoord van een van zijn laatste boeken, Van toen en nu. Het was eigenlijk het enige waarvan Wesseling grif toegaf dat het hem moeite kostte, want hij wekte graag de indruk dat de zaken hem min of meer kwamen aanwaaien: zijn docentschap aan de universiteit, zijn benoeming als hoogleraar, de boeken die hij gevraagd werd te schrijven, zijn column in NRC Handelsblad, de wetenschappelijke instituten waar hij bij betrokken was, het rectorschap van het Netherlands Institute for Advanced Study (Nias) in Wassenaar. Dat was natuurlijk niet zo, maar het paste bij de levenshouding die Wesseling uitdroeg, en bij het elan van mannen die hij bewonderde, zoals Charles de Gaulle en François Mitterrand. De combinatie van een geliefde pen en zijn persoonlijkheid maakte Wesseling een van de bekendste intellectuelen van Nederland.

Wesseling werd geboren in Den Haag, als zoon van de katholieke politicus C.D. Wesseling. ‘Bijna iedereen in de straat was ongetrouwd of weduwe, een freule, een douairière. Er was nergens een man bij’, zei hij eens in Vrij Nederland – plus de verzekering dat zijn eigen familie heel gewoontjes was. Via het gymnasium kwam hij terecht bij de Universiteit Leiden, daar zonder heldere reden bij geschiedenis en vervolgens bij toeval bij de specialisatie Frankrijk. ‘Een opleiding was het zeker niet’, vertelde hij in De Groene. Professoren waaiden naar eigen goeddunken de universiteit in of uit, studenten werden geacht ‘geleidelijk aan door een of ander mysterieus proces als het ware vanzelf historicus te worden’. En door bij de hoogleraar, na schriftelijke afspraak, mondelinge tentamens af te leggen met koffie of sigaar.

Na zijn afstuderen monsterde Wesseling eerst aan op een vrachtschip dat op Zuid-Amerika voer, werd na terugkomst geschiedenisleraar, trouwde, en werd daarop door zijn voormalige docent gevraagd of hij zijn scriptie niet wilde omwerken tot een proefschrift. Na afronding daarvan – opnieuw zonder noemenswaardige begeleiding – kreeg hij een baan aangeboden als universitair docent. En niet lang daarna, op 35-jarige leeftijd, het hoogleraarschap. ‘Een kredietbenoeming’, zoals hij het later noemde, met vertrouwen dat het zich zou terugbetalen.

Als historicus wilde hij de actoren van het verleden tot leven brengen

Als het vertalen van wetenschap naar de maatschappij toen al een streven van de universiteit was, was Wesseling zijn krediet dubbel en dwars waard. Hij schreef een boekenplank vol, essayeerde erop los in tijdschriften als De Gids, Hollands Maandblad en Historisch Nieuwsblad, schreef columns, ‘opstellen’ en biografieën, bracht bundels uit. Het plezier om alle verhalen na te vertellen die hij aantrof in de geschiedenis, in heldere, vaak licht ironische taal, steeg vaak op van de bladzijden. Bij een groter publiek raakte hij ook bekend omdat hij Willem-Alexander begeleidde bij diens scriptie.

Wesseling schreef vaak over Frankrijk, het land waar hij ‘gewoon stapelverliefd’ op was. Op de roerige geschiedenis van het land, met name de negentiende eeuw, maar ook de Franse eetcultuur, de taal, in gezelschap dineren, samen drinken, Parijs. Op de ‘mannen van betekenis’ die het uiteraard niet bij één vrouw houden, het vanzelfsprekende intellectualisme en de belezenheid, de Franse grandeur. Het leverde prachtige boeken op, zoals Frankrijk in oorlog en De man die nee zei.

In de profielen die sinds zijn overlijden zijn geschreven, kwam ook een ander thema steeds terug: dat Wesseling ‘geen oordeel’ wilde vellen over de geschiedenis. En inderdaad wilde hij als historicus niet achterwaarts een andere tijd interpreteren, maar de actoren van het verleden tot leven brengen en begrijpen. Behalve ‘geen oordeel’ impliceerde dat ook weinig aandacht voor degenen op wie geschiedenis werd gepleegd. Kritiek daarop hield hij graag met superieure ironie af. Historica Elsbeth Locher-Scholten maakte Wesseling na een lezing eens een impliciet verwijt dat in de Nederlandse geschiedschrijving te weinig aandacht was voor vrouwen, die toch de helft van de wereldbevolking uitmaken. ‘De aarde bestaat ook voor het grootste deel uit oceaan’, antwoordde Wesseling, maar de zee maakt toch ook maar een beperkt deel uit van de wereldgeschiedenis? Hij liet haar sprakeloos achter.

Maar die positie kreeg gaandeweg meer kritiek. Met name Verdeel en heers (1991), Wesselings succesvolste boek, werd daarbij uitgelicht. Het is een uiterst onderhoudende geschiedenis van de kolonisatie van Afrika, maar wel uitsluitend door de ogen van de kolonisatoren en niet gericht op de tol voor de inwoners van het continent en hun toekomst. Wesseling bleef bij zijn standpunt, en zette bijvoorbeeld in zijn essay Geschiedenis & gerechtigheid of: De historicus en de wet uiteen waarom een historicus volgens hem nooit rechter zou moeten zijn over de geschiedenis.

De oppositie tegen geschiedenis zoals Wesseling die bedreef, ging de op leeftijd komende hoogleraar aan het hart. Hij betreurde het dat koloniale geschiedenis ‘enkel nog in het licht kan worden geplaatst als een misdaad die moet worden rechtgezet’. Hij zag dat als verarming van ons historisch begrip, maar was duidelijk ook weemoedig naar het dramatische, theatrale, romantische en persoonlijke in de geschiedschrijving dat verdween met een focus op rechtvaardigheid. En Wesseling betreurde dat het bijdroeg aan een fragmentatie van geschiedbeleving. ‘Het probleem is dat weinig mensen nog voelen dat wij als Nederlanders een verleden delen’, zei hij. ‘Er wordt nu meer belang gehecht aan de herinnering dan aan de geschiedenis.’