Henk en Ernest

Henk van Straten. Gekwelde zoeker © Bianca Sisterman

Weinig mannelijke Nederlandse auteurs kunnen zo overtuigend schrijven over relaties, kinderen, scheiding, depressie en aanverwant getob als Henk van Straten. In zijn autobiografische boeken als Wij zeggen hier niet halfbroer (2017) en Berichten uit het tussenhuisje (2018) leren we hem kennen als een gekwelde zoeker, zwalkend tussen zelfmedelijden en zelfdestructie.

De hoofdpersoon uit Hemingway is gecanceld krijgt vergelijkbare karaktertrekken toebedeeld, wat opnieuw voor emotioneel geladen momenten zorgt, juist in iets alledaags, bijvoorbeeld als zijn zoon (hij is co-ouder) komt logeren. De intimiteit en de onmacht daartoe blijkt uit kleine tafereeltjes als het afpakken van de telefoon ’s avonds in bed. ‘Ik aaide hem over zijn rug, wat hij toeliet.’ Het zit ’m in dergelijke rake details, in korte, stevige zinnen, waar de invloed van de bewonderde Hemingway uit de titel merkbaar is. Al is die bonkige, gespierde mannelijkheid met jachtgeweren en whisky nu precies waar de verteller een ambigue relatie mee heeft.

Het begint al met de twee dakdekkers die ten tonele verschijnen op zijn veertigste verjaardag. Ook een vader en een zoon, maar het tegendeel van hemzelf. Hoekige, op het oog ongecompliceerde mannetjeswezens, aan wie de hond van de verteller, Julio Iglesias genaamd, zich spontaan onderwerpt. Dit is hoe mannen horen te zijn, denkt de verteller – die het tegendeel is: een kniezende neuroot, die antidepressiva slikt en bij wie de problemen zich opstapelen.

Zijn hond Julio Iglesias valt een hooligan aan, die hem en zijn baasje erbij kapot dreigt te snijden. Op zijn werk – hij is curator van een fototentoonstelling over Hemingway – komt gedoe na klachten uit de linkse en feministische hoek tegen Hemingway als onderwerp. En dan dient zich ook nog een vriendinnetje van vroeger aan, een meisje dat ooit als scholiere het museum kwam bezoeken en uiteindelijk bij hem in bed belandde, en nu – inderdaad, het laat zich raden – onder het mom van een #MeToo zijn toch al kwakkelende carrière komt verwoesten.

De stap van het particuliere alter ego naar een universeler personage is zinvol

Kortom, alle stukken zijn naar voren geplaatst. Nu is het tijd voor het bloederige slagveld. Dat komt er, en niet zo’n beetje ook. De dakdekkers introduceren de verteller en zijn tienerzoon bij een workshop middeleeuws zwaardvechten. Vooral tienerzoon raakt gefascineerd, maar dan blijkt de club verdacht veel onfrisse trekken van de alt-right-beweging te hebben. Intussen culmineert het op een manifestatie van Black Lives Matter en volgt er een echte moordpartij, en nog wat groteske ontknopingen.

Van Straten heeft nadrukkelijk geprobeerd het woelen van de meest recente wereld het boek in te trekken, en dat slaagt niet overal even goed – soms lijken de discussies die de personages voeren letterlijke transcripties van essays en podcasts die hij achterin noemt – maar de stap die Van Straten hier zet, van zijn particuliere alter ego naar een universeler personage, is op zichzelf een begrijpelijke en zinvolle. Maar Van Straten is nu eenmaal een betere chroniqueur van het dagelijkse leed dan een essayist.

Bovendien zijn veel van zijn bespiegelende uitweidingen al in het verhaal zelf doorleefd, en doet de expliciete duiding daar wat afbreuk aan. Vaders, zonen, het gebrek aan vaders en daarmee het verlangen naar mannelijke rolmodellen, tegen het decor van een wereld waarin zulke mannelijkheid gewantrouwd wordt – dat is waar dit boek over gaat, en de protagonist laat het allemaal over zich heen komen en kan niet echt stelling nemen, laat staan tot handelen overgaan en eindelijk eens verantwoordelijkheid voor zijn leven nemen.

Door zo ongeveer de héle santenkraam van het Amerikaanse identiteitsdenken te thematiseren, van white fragility tot cultural appropriation en van wokeness tot #MeToo, verliest de roman gaandeweg richting en diepte. Want wat is de hoofdzaak van de roman? Is dat de interne worsteling met mannelijkheid, de vader-zoon-relatie of die #MeToo-zaak? Op verhaalniveau lijkt het dat laatste, maar dan hadden het personage van de aangeefster, Elise, en haar drijfveren meer uitgediept moeten worden. De personages lijken soms eerder iets te symboliseren dan dat ze een echte wereld oproepen.

Eén onderliggende, steeds terugkerende geschiedenis blijft hierbij nog ongenoemd, en dat is Semmie, een jeugdvriend die een totaal ander levenspad koos vroeger dan de rest van de groep, en die hen als een soort fotonegatief herinnerde aan hun vroegere levens. Zijn zelfmoord blijft de hoofdpersoon achterna spoken. Het zorgt voor bladzijden die je met ingehouden adem leest. Ook dit is losjes verbonden aan de plot over de Hemingway-tentoonstelling, maar het had evengoed een boek op zichzelf kunnen zijn. Je voelt aan alles dat het hier menens is, dichtbij en waarachtig. Gezien zijn ambities om actueel en op een bepaalde manier geëngageerd te zijn, zal Henk van Straten dit misschien helemaal niet willen horen, maar het is niet anders: in zulke helletochten door het innerlijk blijft hij nu eenmaal ijzersterk.