In Memoriam

Henriëtte Boas (1911-2001)

Alle uitgevers die ik ken, hebben er hardop over gedroomd: een bundel met de verzamelde brieven en artikelen van Henriëtte Boas. Een van die uitgevers benaderde haar twee jaar geleden. Hij kreeg geen poot aan de grond; Boas (1911) vond zichzelf te oud voor een boek. Zij wilde wel het eerste exemplaar in ontvangst nemen van een bloemlezing van mijn hand, met werk van joodse schrijvers. Als tegenprestatie bedongen wij dat zij bij de presentatie een woordje zou spreken.

Mijn boek Levi en de Lage Landen vond geen genade in haar ogen. Niet alleen had ik allerlei assimilanten opgenomen — assimilatie vond ze onzin —, ook mijn schrijversbiografieën waren onzorgvuldig. Genadeloos veegde ze de vloer met me aan. Zo was ze. Niet alleen tegen mij, tegen iedereen die zo nodig over joodse zaken moet schrijven, maar zich niet goed documenteert en zijn fouten niet verbetert.

Ze overleed vorige week, vrijdag 22 juni. Pas nu ze er niet meer is, realiseer ik me hoeveel ik van haar heb gelezen. Opiniestukken en ingezonden brieven, maar ook artikelen over zionistische vrouwen en studies over welke joodse families voor de oorlog op welke adressen woonden in de Amsterdamse Plantagebuurt. Het heeft iets treurigs dat veel van haar creatieve energie weggesijpeld is in het corrigeren van anderen. Was alles iets anders gelopen, dan was ze de Nederlandse Isaiah Berlin geweest. Dat ambieerde ze niet. Denk ik. Ik heb het haar nooit durven vragen, want ze was niet familiair met zomaar iedereen.

Een paar maanden na de presentatie zat ik op een terras, toen aan een aanpalend tafeltje mijn naam viel. «Ja», riep iemand in het Engels, «Jetje Boas heeft die Meijer mooi in de hoek gezet.» Ik stond op en stelde me voor. Het bleken Nijmeegse wetenschappers te zijn, die met een collega uit Israël een dagje Amsterdam deden. «Dat boek van jou», vervolgde mijn criticus, «dat deugt niet.» Ik mompelde dat het reuze meeviel, maar de Israëlische wetenschapper beaamde: «Als Henriëtte Boas het zegt, zal dat wel zo zijn.»

Onlangs publiceerde ik een journalistiek boek over een onderwerp met betrekking tot de jodenvervolging in Nederland. Ik ben ervan overtuigd dat zij het heeft gezien, mede omdat haar schoonzuster erin voorkomt. De afgelopen weken zette ik me schrap voor haar ongetwijfeld ook ditmaal zeer kritische bespreking. Die zal nu nooit verschijnen, net zo min als al die andere stukken die ze nog had kunnen maken.

De wereld is dommer, kaler en saaier geworden.