Interview: Max van der Stoel

«Henry Kissinger wilde kijken of ik wel ruggengraat had»

Max van der Stoel, Nederlands meest gelauwerde diplomaat, groeide in zijn carrière gaandeweg in statuur. Hij werd benoemd tot Minister van Staat en geldt nu als het geweten van de Nederlandse buitenlandse politiek. «Ik sta nog steeds achter vrijwel alle fundamentele keuzes die ik in mijn leven heb gemaakt.»

In de gang naar de werkkamer van Max van der Stoel (81) op het ministerie van Buitenlandse Zaken hangt een wereldkaart, naast de koffieautomaat waar Nederlands meest gelauwerde diplomaat met moeite de juiste knopjes weet te vinden voor zijn Wiener Melange. Er hangen nogal wat kaarten op het ministerie, zoals de pompeuze wandvuller met wereldklok bij de entree, als om de ambtenaren steeds te herinneren aan hun imposante werkveld. Die grandeur doet Van der Stoel niets. Gevraagd naar wat zijn werkterrein van de afgelopen halve eeuw het meest symboliseert, die kaart of de grijze, sombere kantoorgang waar hij in hangt, hoeft Van der Stoel niet na te denken: de gang.

Hij bracht er nogal wat tijd door, in de ministeries, directoraten en kantoorgebouwen over de wereld, en hij bouwde er een imposante reputatie op. Die hangt ook dik om hem heen als hij met zijn trage tred door «zijn» ministerie loopt – blikken uit ooghoeken, een respectvolle stilte bij de lift en grapjes waar te hard om gelachen wordt – maar het lijkt Van der Stoel niets te doen. «Nuchter» is een veelgebruikt cliché in verband met de oud-minister, maar met reden.

Ook over zijn carrière spreekt Van der Stoel zonder opsmuk, terwijl geen Nederlandse politicus een soortgelijk relaas kan doen. Van der Stoel verhaalt van cruciale beslissingen bij het omvallen van de Portugese dictatuur, verhitte discussies met Henry Kissinger, ontmoetingen met dissidenten die hun leven riskeerden door met hem te spreken, bluswerk in allerhande explosieve uithoeken van de wereld en impopulaire maatregelen met mogelijk immense consequenties tijdens een van de donkerste perioden van de Koude Oorlog.

Het tweede wat opvalt aan Van der Stoels carrière – naast de op Nederlandse schaal ongebruikelijk grote gebeurtenissen waar hij bij betrokken was – is hoezeer zijn keuzes achteraf de juiste bleken te zijn. Al in de vroege jaren zestig, nadat hij op zijn 35ste Eerste-Kamerlid geworden was, pleitte Van der Stoel ervoor om dicht tegen de Verenigde Staten te kruipen en dictaturen te bestrijden door dissidenten en burgerrechten te steunen. «Een stuk of wat stencilmachines, een paar jeeps of Landrovers, een man die kans ziet om op niet-neerbuigende wijze een stuk scholing te geven», konden landen op de koers naar vrijheid zetten, betoogde hij in 1964 in het pvda-blad. Financiële en morele steun aan dergelijke «mannen» zouden zijn handelsmerk worden.

Dat Van der Stoel op de lijn zat van het historische gelijk was destijds uiteraard niet duidelijk. Het was ook zeker niet een gemakkelijke keuze voor wat nu «politiek correct» zou heten. Integendeel, de keuzes die Van der Stoel maakte – en waarbij hij altijd schijnbaar vanzelfsprekend afging op zijn eigen inschatting van goed en fout – maakten hem onder meer een buitenbeentje onder zijn medestudenten, een mikpunt voor vernieuwers in zijn partij, en brachten hem met een reeks regeringen in aanvaring. «Ik heb in mijn leven altijd vertrouwd op mijn eigen oordeel», zegt hij. «Ik blijf altijd tegenargumenten wegen en blijf met mezelf in gesprek als ik geen opponent heb. Als een soort noodzakelijke hygiëne.»

Het is hem niet slecht bekomen: hij groeide gaandeweg in statuur, werd benoemd tot Minister van Staat en geldt nu als het geweten van de Nederlandse buitenlandse politiek. Hij glimlacht om de vraag of híj nou zo veel is veranderd in de decennia dat hij publiek actief was of de wereld om hem heen. De wereld, denkt hij ook zelf.

Voor een oudere heer met zo’n degelijke reputatie zit Max van der Stoel er verrassend ontspannen bij: een kwartslag gedraaid op de stoel, met de benen tegen de armleuning. Hij oogt broos en sluit soms de ogen tijdens het praten, maar houdt het schijnbaar moeiteloos een halve werkdag vol en zijn stem heeft nog niets aan kracht verloren. Hij formuleert precies en weloverwogen en staat zich enkel een lichte krachtterm toe als hij het over sommige momenten heeft in de jeugd van zijn vijf kinderen die hij door zijn werk heeft moeten missen.

Van der Stoel noemt drie hoogtepunten in zijn carrière: dat hij er mede voor heeft gezorgd dat mensenrechten in Nederland en de Europese Unie worden gezien als integraal onderdeel van buitenlands beleid, zijn grote aandeel in de oprichting van een etnisch gemengde universiteit in Macedonië, en zijn werk als Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden voor de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (ovse). Van alle posten die hij bekleedde, was die laatste hem het liefst. «Het was de meest enerverende periode in mijn leven. Juist omdat het werk compleet nieuw was», stelt Van der Stoel.

Er was niets geregeld. Op 1 januari 1993 zat zijn werk bij de Raad van State erop en zou Van der Stoel beginnen voor de ovse. Buitenlandse Zaken zorgde voor huisvesting in een kantoortje aan de Haagse Prinsessegracht. «Eerst was het de vraag of het echt wel nodig was dat ik een secretaresse zou hebben», zegt Van der Stoel. Maar BZ leverde die en leende een staflid uit, net als Zweden en Polen. Verder mocht de nieuwe Hoge Commissaris het zelf uitzoeken.

Dat bleek uiteindelijk een groot voordeel. Max van der Stoel: «Mijn mandaat was extreem vaag, het zou nu nooit meer zo uit een onderhandeling rollen. Ik kon naar elk land gaan waar etnische spanningen waren, zonder toestemming te vragen of te wachten op consensus tussen de tientallen ovse-landen. Nu was een telefoontje genoeg, daarna kon ik op het vliegtuig.»

Van der Stoel stapte vervolgens op de plek van de gekozen brandhaard wel uit met betrekkelijk lege handen: «Ik was mij er zeer van bewust dat ik wel een prachtige titel had – Hoge Commissaris – maar dat ik weinig macht had buiten de macht van de overreding. In de landen waar ik naartoe ging zat niemand op me te wachten, en niemand was direct geneigd naar mijn aanbevelingen te luisteren.»

Om die reden lobbyde Van der Stoel vaak in het Weense hoofdkwartier van de ovse bij ambassadeurs van grote landen. Hij wist op die manier vaak de Europese Unie achter zich te krijgen, en de Verenigde Staten, en ook de Scandinavische landen, van oudsher meer geneigd zich voor idealistische doelen in te spannen. Van der Stoel: «In een land met etnische spanningen was ik dan niet alleen de meneer met de mooie titel. Dat helpt, als je een gesprek aanvraagt met een minister-president.»

Als Van der Stoel zo’n gesprek kreeg en hij had steun van de EU of grote landen was succes nog allerminst gegarandeerd. Vaak vergden de gesprekken diplomatiek vernuft om vruchten af te werpen: «Je moet lang aftasten, soms wel het halve gesprek lang, om een inschatting te maken van het karakter van je opponent. Is hij rustig of opvliegend, impulsief of terughoudend, zelfverzekerd of onzeker. Dan kun je gokken welke woorden kunnen werken als je lastige zaken aansnijdt.»

Dat laatste bleek vaak makkelijker gezegd dan gedaan, bijvoorbeeld bij geslepen of zelfingenomen opponenten: «De president van Estland bleef bijvoorbeeld maar doorpraten over de berken die rond zijn huis stonden, hoe hoog ze waren, welke soort, enzovoort. Daar moet je dan een tijd geïnteresseerd in meegaan, voor je kunt proberen het gesprek om te buigen. ‹Wat fascinerend dat u zulke interesses heeft als mens›, kun je dan proberen, ‹want als politicus staat u toch voor ingewikkelde problemen.› Of iets dergelijks.»

Dat «iets dergelijks» behelst overigens wat meer diplomatieke kunst dan Van der Stoel zegt, of misschien dan hij zich realiseert. Zijn gesprekspartners waren vaak onder de indruk van zijn kwaliteiten, bijvoorbeeld Jorge Zorreguieta, die na Van der Stoels bemiddeling een enorme hap uit zijn eer toestond: hij gaf zijn dochter weg terwijl hij niet op de bruiloft met Willem-Alexander mocht zijn. «Van der Stoel was zó onverbiddelijk dat Zorreguieta ervan onder de indruk raakte», heet het in de Zorreguieta-biografie van journalist Jan Thielen, aan wie Máxima’s vader vertelde dat hij zijn eigen onderhandelaarskwaliteiten bepaald hoog aansloeg en het waardeerde als hij een vaardige tegenstander had, zoals Van der Stoel. Het was een opdracht die verschilde van Van der Stoels eerdere opdrachten, omdat het voor de familie Zorreguieta een privé-aangelegenheid betrof en geen politieke. Dat maakte de onderhandelingen moeilijk. Maar Van der Stoel wil daarover nog steeds niet in detail treden.

Met de combinatie van lobbyen in Wenen, pendelen tussen ruziënde partijen en zijn eigen diplomatieke kwaliteiten kreeg Van der Stoel dingen gedaan waarvan hij twijfelde dat hij ze gedaan zou krijgen. Aan de rafelranden van de Sovjet-Unie, bijvoorbeeld, nadat het communistische rijk ineen was gestort. Zo kreeg hij in Estland en Letland, waar extreme nationalisten schreeuwden om deportatie van de Russische minderheden en Rusland steeds scherper protesteerde, gedaan dat Russen meer mogelijkheden kregen om het burgerschap te verwerven. Zo kreeg hij de Tataren in Kazachstan van hun afscheidingsplannen af met een overeenkomst die hun garandeerde dat ze op zon- en feestdagen met sabels mochten zwaaien en in krijgskostuum paraderen onder de vlaggen waaronder hun wilde voorvaderen in naam van de tsaar hun vijanden bestormden op de steppen – iets wat Van der Stoel een kolonelschap in de Tataarse ridderorde opleverde. En zo ontdekte hij het praktisch nut van alcohol en mondaine oorden bij bemiddeling op de Balkan en in Oekraïne.

«De ‹conferentiemethode› was een beproefde manier om twistende partijen nader tot elkaar te brengen», vertelt Van der Stoel. Hij boekte «aardige» hotels in plaatsen met allure als Locarno of Noordwijk en trachtte de onderhandelaars buiten het officiële programma om samen aan de bar te krijgen. «Na een drankje of hopelijk meer komen de tongen los en ontwikkelen de contacten zich. Al werkte het niet altijd.»

Van der Stoel bedreef op die manier stille diplomatie in nog niet ontbrande regio’s: diplomatiek dankbaar werk, maar hoewel het oorlogen voorkomen kan, blijft dat wat níet gebeurd is doorgaans uit de aandacht. En je wint er geen Nobelprijs mee, ondanks een nominatie door de Nederlandse regering in 1999. Succes boekte Van der Stoel bij het verminderen of oplossen van etnische spanningen in de Baltische landen, Kazachstan, Roemenië en Slowakije en Oekraïne, en hij slaagde half in Macedonië. Het mislukte in Kosovo: «Je kon het zien escaleren, maar het lukte me niet er genoeg aandacht voor te vragen. Achteraf gezien had ik er nog meer bij regeringen op moeten hameren dat het echt mis ging.» Het is een van de weinige episodes uit zijn carrière waar Van der Stoel met spijt op terugkijkt.

Na de val van het communisme heeft Van der Stoel ook de terugkeer van de geschiedenis van dichtbij mogen meemaken: de oorlogen, vluchtelingenstromen en instabieler wordende landen in de jaren negentig en daarna. Het stelt hem teleur dat er vaak zo weinig structurele vooruitgang zit in mensenrechten, nadat de val van het communisme zo veel hoop had gewekt. Want het communisme, dat was voor Van der Stoel tijdens het grootste deel van zijn leven de grote vijand.

Om zijn wantrouwen voor de Sovjet-Unie en andere totalitaire regimes en zijn focus op mensenrechten te verklaren, grijpt Van der Stoel terug op ervaringen uit zijn jeugd in het Zuid-Hollandse Voorschoten: «In mijn familiekring verdwenen in de Tweede Wereldoorlog geen mensen naar concentratiekampen, maar je bemerkte wel de slavernij waarin Nederland gebracht was. In Leiden werd een SS’er doodgeschoten. De Duitsers pakten direct dertig mensen op die zich kritisch over de bezetting hadden opgesteld en fusilleerden enkelen van hen. De conrector van mijn school werd doodgeschoten, net als het hoofd van mijn lagere school. Dat maakt veel indruk op een jongen van zestien.»

Hetzelfde gold voor de Russische opmars in Polen en later het uitspreiden van de communistische deken over Oost-Europa. Van der Stoel was er erg bitter over dat Stalins legers stilhielden voor Warschau, zodat de Duitsers het Poolse verzet konden breken voor de Russen de stad bereikten. Van der Stoel wond zich ook erg op over de communistische machtsovername in Praag in 1948.

Hij vond daarvoor tijdens zijn studies rechten en sociologie in Leiden weinig weerklank. Dat gold voor de sociaal-democratische studievereniging Politeia, waar Van der Stoel voorzitter van was, maar nog veel sterker voor het Leids Studenten Corps, waar Van der Stoel ook lid van was. Vanwege het streven naar eenheid waren alle gezelligheidsverenigingen na de oorlog gefuseerd met het Corps, dat al aardig de trekken begon te krijgen waar het later bekend om zou worden. «Er werd fors van het leven genoten», zegt Van der Stoel. «Er werd gedronken, soms te veel, en het gevoel leefde sterk dat je in een voorbereidingsperiode zat. Daarom moest je je ook nog niet te veel bezighouden met De Kille, dat kwam later pas. Ik vond dat onzinnig.»

Afzijdigheid van De Kille schreef ook onthouding van politieke discussie voor: «Aan de bar of bij de haard werd vaak verhit gediscussieerd, met name over de meest beladen kwestie van die tijd, Indonesië. Maar het idee dat je dat in georganiseerd verband zou kunnen doen, werd bizar gevonden.» Van der Stoels pogingen om daar verandering in te brengen wierpen ook weinig vruchten af omdat hij als socialist op de sociëteit een vreemde eend in de bijt was: «‹Rooie rotzak› werd er wel joviaal geroepen als ik een drankje kwam drinken.» Van der Stoel imiteert het bekakte Leidse accent.

De sociaal-democratie is een tweede rode draad door Van der Stoels carrière. Hij kreeg het niet van huis uit mee: zijn ouders stemden op de Vrijzinnig Democratische Bond, in Van der Stoels ogen «de vooroorlogse voorloper van d66». Zijn ouders vormden hem natuurlijk intellectueel, zegt Van der Stoel, maar de enige directe parallel die hij ziet tussen zijn politieke denken en dat van hen is zijn moeders activisme voor de Vereniging voor Volkenbond en Vrede. Wat wellicht belangrijker was, was dat de jonge Van der Stoel via zijn vader, huisarts in Voorschoten, een inkijkje kreeg in het leven aan de onderkant van de Nederlandse samenleving: «Mijn vader nam me soms mee naar huisbezoeken. Als je dan naar voren werd geroepen in de arbeidershuizen zag je wel dat het allemaal een stuk minder florissant was dan thuis.» Hij werd «op de eerste dag» lid van de pvda, toen die na de oorlog werd opgericht, en bleef de partij trouw.

Dat is minder logisch dan het op het eerste gezicht lijkt. Van der Stoels carrière draaide om internationale functies en de koers die hij daarbij voer – anticommunistisch, pro-Amerikaans, nadruk op burgerlijke vrijheden – past meer bij vvd of cda. Van der Stoel onderkent dat, maar voor hem wogen andere overwegingen zwaarder: «De socialisten zijn toch de partij die staat voor maatschappelijke vooruitgang en progressieve oplossingen voor sociale problemen. Dat heeft voor mij altijd zwaarder gewogen dan internationale standpunten.»

Die positie als socialist met een onverdachte buitenlandse koers maakte Van der Stoel een acceptabele middenfiguur in de Nederlandse politiek, een brug tussen het soms sterk naar links hellende links en rechts. Binnen de radicalere stromingen in de pvda was er minder enthousiasme voor die link. De idealistische en radicale lichting die de partij bestormde in de jaren zestig en zeventig onder de naam Nieuw Links, met daarin onder anderen Jan Pronk, Han Lammers en Jan Nagel, wilde verwijdering van de Verenigde Staten en de Navo en toenadering tot het Oostblok, Noord-Vietnam en Cuba. Van der Stoel, voor de pvda minister van Buitenlandse Zaken van 1973 tot 1977 en van 1981 tot 1982, werd een van hun favoriete mikpunten. Collega-minister Vredeling beschreef later hoe Van der Stoel en Pronk eindeloos konden bakkeleien, «altijd tegen elkaar in, gewoon in het kabinet». Elkaar tegenspreken was een «pavlovreactie over en weer», volgens Vredeling, al «kwam de agressiviteit van Jan [Pronk]».

Hoewel hij het historische gelijk aan zijn kant kreeg, heeft Van der Stoel nog geen vrede met die soms venijnige interne oppositie: «De voortdurende tegenstand, vooral van partijgenoten, heeft een stempel gedrukt op mijn ministerschap. Ik wil ze zeker geen crypto-communisten noemen, maar ze waren wel ongelooflijk naïef. ‹Als je je ontspannen opstelt, doen de Russen dat ook›, zei een van hen eens, en dat was de algemene houding. Ze geloofden dat mensen als ik bezeten waren van de vijandgedachte en toenadering en ontspanning van de Koude Oorlog tegenhielden. Maar ze hadden geen idee. De Russen waren keiharde onderhandelaars, die vriendelijk lachend een concessie in ontvangst namen en direct een nieuwe eis stelden.»

Het gebrek aan liefde tussen Nieuw Links en Van der Stoel was wederzijds: «De armoede in hun denken over internationale betrekkingen irriteerde me vaak. Achteraf vraag ik me wel eens af of ik niet in kleine kring vaker in discussie had moeten gaan. Maar tegelijk weet ik dat het weinig zin zou hebben gehad. Zij bereden eigenlijk alleen stokpaardjes, zoals de erkenning van de ddr, of afschaffen van kernwapens. Er is in de pvda bitter weinig discussie geweest over mijn standpunten daarover. Al snel zei iemand dan: ‹Tja, Max, je kunt beweren wat je wil, maar die wapens zijn rotkrengen.› Of iets dergelijks. Verder kwam het niet.»

Het leidde uiteindelijk tot verwijdering tussen de politieke kameraden Van der Stoel en Den Uyl, een intellectueel verbond dat zich sinds hun ontmoeting bij de Wiardi Beckman Stichting in de jaren vijftig over drie decennia had uitgestrekt. Van der Stoel stelde zich in 1982 niet meer verkiesbaar voor de pvda.

De ergernis over de Nieuw Linksers leeft nog steeds bij Van der Stoel: «Ik moet wel lachen als ik denk aan de verhouding tussen de luidruchtige anti-autoritaire en antiburgerlijke idealen van de Nieuw Linksers en hun maatschappelijke carrières. Ze hebben zich ontwikkeld tot burgemeesters, commissarissen van de koningin, minister van Defensie – steunpilaren van de samenleving.» Van idealen als afschaffen van de monarchie en een 99-procentsbelasting op inkomens boven honderdduizend gulden bleef weinig over.

Max van der Stoel: «Ik denk wel dat hun idealisme vaak echt was en je mag niemand kwalijk nemen dat hij aan zichzelf denkt. Maar dat ze zich zó matigden zodra ze zelf op het pluche kwamen, daar kijk ik nu met een glimlach op terug. Al is de bevlogenheid van de jaren zestig, ook al was die zo naïef en inwisselbaar, me altijd nog sympathieker dan de onverschilligheid en lethargie van nu, waarbij jonge mensen vaak niets lijkt te bezielen behalve hun carrière. En ook al keerde het zich tegen mensen als ik.»

De broederstrijd tussen Nieuw Links en Van der Stoel ging niet alleen via interne partijpolitiek maar ook door te proberen de pvda-koers te kapen, bijvoorbeeld door als vertegenwoordigers van de pvda naar de ddr te gaan om daar van de oostkant de Berlijnse Muur te bewonderen en te verklaren dat die noodzakelijk was om de stabiliteit in Europa te verzekeren, of door massademonstraties mede te organiseren tegen het regeringsvoornemen om Amerikaanse kernwapens in Nederland te plaatsen als tegenwicht voor de Russische ss20’s in Oost-Europa. De schoothond van de VS waar Nieuw Links hem voor hield, was Van der Stoel echter niet. Zo betitelde hij bijvoorbeeld de door de cia gesteunde staatsgreep in Chili als «fascistisch» en verzette hij zich tegen de door de VS gewenste toetreding van Franco’s Spanje tot de navo. «Ik heb enkele bijzonder onaangename gesprekken gevoerd met Henry Kissinger», zegt hij. «Hij hamerde altijd op het gevaar van communistische machtsovername. Hij was ongetwijfeld een briljante vent, maar hij schatte soms de ontwikkelingen verkeerd in.»

Een daarvan was de democratische omwenteling in Portugal, waar de dictatuur in 1975 omver werd geworpen. Van der Stoel steunde de socialistische leider Soares en zijn partij in een overgangsregering. Kissinger vertrouwde het voor geen cent: «Het Volksfront, dat onder controle van Moskou stond, was volgens hem het best georganiseerd, het meest doelgericht, het meest meedogenloos. ‹Zij pakken de socialisten binnen de kortste keren in en maken er een dictatuur van›, hield Kissinger me voor. Mijn bronnen in Portugal, zoals de Nederlandse ambassadeur, verzekerden me dat het anders zat. ‹Laten we hen in vredesnaam steunen›, hield ik Kissinger voor, en daar hield ik tot zijn ergernis aan vast.» Het pakte uit zoals Van der Stoel hoopte: de communistische partij bleek inderdaad een oogje op de macht te hebben maar bleek een maatje te klein om die te kunnen grijpen. De socialisten wonnen de eerste democratische verkiezingen en Portugal bleef in de Navo. Overigens negeerde Kissinger vervolgens dat hij het verkeerd had gehad.

De wegen van de twee kruisten elkaar met enige regelmaat sinds 1973, toen Nederland had toegestaan dat Amerikaanse vliegtuigen tijdens de Yom Kippoer-oorlog het Nederlandse luchtruim gebruikten. «Toch bleef Kissinger me soms testen, zoals hij kennelijk deed met iedereen met wie hij samenwerkte», zegt Van der Stoel. «Zo kreeg ik bijvoorbeeld vlak voor een gesprek te horen dat ik slechts één van mijn twee meegekomen secretarissen-generaal mee mocht nemen. Ik stuurde de bode terug met het bericht dat ik Kissinger met twee medewerkers zou spreken, en zo gebeurde het ook. Hij wilde kijken of je ruggengraat had.»

Van der Stoels koers bij vraagstukken als die van Portugal bepaalden veel meer zijn invloed op het Nederlandse buitenlandse beleid dan zijn keuzes als cold warrior. Een voorbode ervan was zijn bezoek aan Griekenland in 1968. Hij was toen Tweede-Kamerlid, nadat hij al lid van de Eerste Kamer en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was geweest, en zou voor de Raad van Europa rapport uitbrengen over de toestand van de Griekse mensenrechten. De militaire machtsgreep een jaar ervoor had hem geschokt, zegt hij, een «vrij westers land» dat dezelfde richting op ging als de rest van Oost-Europa.

Wat het kolonelsregime betrof was het bezoek een formaliteit. «Twee stralende, uiterst vriendelijke Grieken brachten me van het vliegveld naar mijn hotel en maakten me duidelijk dat ik op hun diensten kon rekenen tijdens mijn verblijf. ‹Wat wilt u morgen precies doen›, vroegen ze. ‹De Acropolis, een ritje langs de kust?› Die vriendelijke houding verdween al snel toen ik met mijn wensenlijstje kwam met namen van mensen die ik wilde spreken, zoals politici, vakbondsleiders en journalisten die soms onder huisarrest stonden. Ik drong uiteindelijk door tot Papadopoulos, het hoofd van de junta, omdat ik maar bleef herhalen dat ik met geen mogelijkheid weg kon als ik hem niet gesproken had. Na een paar bezoeken werd me de toegang ontzegd.»

Het Griekse regime stapte na een paar kritische rapporten van Van der Stoel maar zelf uit de Raad van Europa om schorsing te voorkomen. Het kolonelsregime had daarmee afgedaan als respectabele regering, raakte internationaal geïsoleerd en gaf in 1974 de geest. Het leverde Van der Stoel bij een bezoek na de val van de junta het Griekse grootkruis in de orde van de Phoenix op en een heldenonthaal zoals Nederlandse politici dat zelden krijgen. De Nederlandse ambassadeur Barkman beschreef het in zijn memoires: «Honderden jonge mensen zwaaien met vlaggen en scanderen zijn naam. Van der Stoel raakt meer en meer bewogen. Hij schudt handen met hen, sommigen vallen op hun knieën en proberen zijn hand te kussen en hij weet nauwelijks waar hij moet kijken, aangezien hij au fond eerder een verlegen intellectueel is.»

Een derde land waar Van der Stoel een positieve rol speelde bij een omwenteling was Tsjechoslowakije, waar hij tot groot ongenoegen van het regime als minister leden van de dissidentenbeweging Charta 77 ontmoette. Van der Stoels ambtgenoot creëerde alvast de juiste sfeer voor die ontmoeting. «‹Loopt u even mee, ik moet u iets interessants laten zien›, zei de minister, en ging me voor naar een achterafkamertje», vertelt Van der Stoel. «Hij liet me een raam zien. ‹Kijk, hier is de zoon van Masaryk uit gesprongen›, zei hij glunderend – iedereen wist dat die er waarschijnlijk uitgeduwd was door de communisten in 1948. Ik was woedend.»

Hoewel een Nederlandse journalist al bemiddelde over een ontmoeting twijfelde Van der Stoel nog, uit vrees voor de consequenties voor de Charta-leden. Toen hun woordvoerder Patocka de volgende ochtend voor zijn hotelkamer stond, liet hij hem echter direct binnen. Het hielp de dissidentenbeweging, met daarin onder anderen Vaclav Havel, aan verdere legitimiteit en bekendheid aan de westkant van het IJzeren Gordijn. Overigens bleek Van der Stoels vrees terecht: «Patocka had een zwak hart, werd na de ontmoeting opgepakt en urenlang intensief verhoord. Hij is kort daarna overleden.»

Havel en Van der Stoel ontmoetten elkaar pas in 1988, omdat de Tsjech bij eerdere bezoeken van Van der Stoel gevangen zat. Havel had een conferentie belegd met de titel «1918-1948-1988», een niet te missen hint op een regimewisseling, en dat pikte de geheime dienst niet. «Bij de opening kwam Havel binnen, ging naast me zitten en zei: ‹Over twee minuten word ik gearresteerd.› En inderdaad, even later gingen de deuren open en kwamen twee geheim agenten hem arresteren.» Van der Stoel rapporteerde de zaak en had opnieuw het tij van de geschiedenis mee. Twee jaar later werd Havel gekozen tot nieuwe Tsjechoslowaakse president.

Ten slotte speelde Van der Stoel ook een positieve rol bij het aanscherpen van de internationale sancties tegen Zuid-Afrika, toen hij midden jaren tachtig de Nederlandse ambassadeur in de Veiligheidsraad van de VN was. Al had hij – vóór de dood van Steve Biko, vóór de grote rellen in Soweto – een Nederlandse levering van kernreactorvaten aan het apartheidsregime in eerste instantie goedgekeurd, uit vrees dat een Franse reactor minder goed zou worden gecontroleerd. Een ander wapenfeit uit die tijd was Van der Stoels betrokkenheid als Nederlandse vertegenwoordiger bij de Veiligheidsraad bij pogingen om de uiterst wrede oorlog tussen Iran en Irak te beëindigen. Van der Stoel stelde zich onpartijdig op, opnieuw een houding die nu logischer lijkt dan destijds.

Het historische gelijk helpt, als je terugkijkt op je leven. Waar rijen Nederlanders en andere westerse intellectuelen, politici en kunstenaars na de jaren tachtig onder ogen moesten zien dat ze jarenlang weggelopen waren met een systeem dat in al zijn verschijningsvormen verschillende gradaties van corruptie, ideologisch faillissement en wreedheid vertoonde, hoefde Max van der Stoel zich niet op die manier te pijnigen. Bovendien bleek zijn manier van buitenlandse politiek bedrijven – de mensenrechten benadrukken en de enkelingen steunen die zich tegen hun onderdrukkende regimes uitspraken – achteraf veel meer dan een veilige keuze voor woorden in plaats van daden: een steun aan de krachten die het communisme uiteindelijk zouden vellen.

Toch lijkt Van der Stoel verrassend diep na te denken over de vraag of hij fundamentele keuzes opnieuw zou willen maken. Hij denkt van niet. «Ik sta nog steeds achter vrijwel alle fundamentele keuzes die ik in mijn leven heb gemaakt», zegt hij. Dat betekent overigens niet dat hij nooit fout zat, of dat hij zich dat niet realiseert. Hij kijkt bijvoorbeeld niet met plezier terug op de Irak-oorlog en zijn keuze om zijn gewicht in de schaal te gooien bij het kamp dat pleitte voor Nederlandse deelname aan de coalitie onder leiding van de VS.

In september 2002 werd in Nederland op het scherpst van de snede gedebatteerd over de Nederlandse opstelling bij de onvermijdelijk lijkende Amerikaanse aanval op het regime van Saddam Hoessein. In zorgvuldig gekozen woorden schaarde Van der Stoel zich toen in het interviewprogramma Buitenhof achter de lijn van de regering-Balkenende. Als «geweten van de Nederlandse buitenlandse politiek» betekende dat nogal wat, en het tilde het vraagstuk ook over de links-rechts-scheiding heen. Van der Stoels mening telde bovendien zwaar omdat hij van 1991 tot 1999 VN-gezant voor de mensenrechten in Irak was – hij wist wellicht beter dan iedere andere Nederlander waar hij het over had.

Omdat hij na zijn eerste bezoek Irak niet meer in mocht, had Van der Stoel zijn informatie verkregen via interviews met vluchtelingen in het Westen of in kampen in Saoedi-Arabië of Iran, net als de Amerikaanse inlichtingendiensten. En hij trok net als zij de conclusie dat Saddam Hoessein duistere militaire activiteiten aan internationale controle onttrok. «Ik heb niet doorzien dat Saddam het geloof in zijn massavernietigingswapens met opzet in stand wilde houden als dreiging», zegt Van der Stoel nu.

Ten tweede was het hem een doorn in het oog dat de Veiligheidsraad verdeeld bleef over de vraag hoe een regime aan te pakken dat honderdduizenden had omgebracht en tweemaal agressie had gepleegd. En ten derde woog het voor hem zwaar dat de Britse premier Tony Blair zich ook achter de VS schaarde. «Dat is een politicus die indruk op me heeft gemaakt», zegt Van der Stoel. «Hij heeft allerminst een foutloos politiek parcours doorlopen, maar in visie stak hij in mijn ogen met kop en schouders boven zijn tijdgenoten uit.»

Van der Stoels keuze betekent overigens niet dat hij achter het Amerikaanse Irak-beleid staat. «Dat is mislukt», oordeelt hij. En onder meer door te voorziene problemen: «Ik heb voor de oorlog begon mijn Amerikaanse contacten op basis van mijn kennis gewaarschuwd voor twee zaken. Ten eerste om niet gebruik te maken van de Iraakse ballingen in de VS onder leiding van Ahmed Chalabi, die ik onbetrouwbaar achtte. Ten tweede om niet iedereen die in de Ba’ath-partij of het leger had gediend te ontslaan – in totalitaire regimes is dat nou eenmaal vaak de enige manier voor mensen om brood op de plank te krijgen of problemen met de autoriteiten te voorkomen. Dat zijn precies de fouten die de Amerikanen hebben gemaakt.»

Het zijn voor Van der Stoel voorbeelden van hoe respectabele idealen verkeerd kunnen uitpakken als ze worden toegepast in complexe situaties. Het meest sprekende voorbeeld acht Van der Stoel president Wilsons «zelfbeschikking der volkeren» die Europa zou bevrijden van spanningen na de Eerste Wereldoorlog – en vervolgens opzadelde met zwakke of heterogene staten als Joegoslavië en Roemenië. «Het probleem bij Amerikaanse beleidsmakers is niet informatie», meent Van der Stoel. «Het Amerikaanse buitenlandse beleid wordt gedragen door mensen met veel kennis van internationale betrekkingen, maar ze trekken de verkeerde conclusies.» Van der Stoel denkt bijvoorbeeld aan Condoleezza Rice, de grote Rusland-expert van Stanford University.

Max van der Stoel heeft nog altijd geen wantrouwen ontwikkeld tegen grote idealen in de politiek, zegt hij, al richtten de idealisten in de pvda zich tegen hem, en al heeft hij in de internationale arena al menige bevlogen missie verkeerd zien gaan. De diplomaat van de kleine stapjes – uitonderhandelen, de juiste mensen bij elkaar brengen, het concrete handwerk in de grijze gangen van de internationale politiek – tekent geen grootse vergezichten als hij het over de wereld heeft. «Ik heb eigenlijk nooit zo diep nagedacht over dat soort dingen», zegt hij, gevraagd naar nu populaire theorieën over de groeiende kloof tussen stabiele en instabiele delen van de wereld.

Van der Stoels opsomming van de «bekende problemen» in de wereldpolitiek bevat ook geen -ismen, cultuurbotsingen en andere grote termen, maar concrete, aan te pakken conflicten: oorlog in Irak, de nucleaire wapens van Iran, het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Voor Van der Stoel krijgen die problemen veel te veel aandacht: «De wereld kampt met problemen waar experts wel steeds over schrijven, maar die om mij duistere redenen maar steeds niet werkelijk dominante thema’s worden: de afhankelijkheid van olie uit allerlei instabiele landen terwijl de vraag steeds toeneemt, het klimaat, de gelatenheid waarmee men steeds maar registreert dat Kyoto niet voldoende is en vervolgens ook niet wordt gehaald, terwijl latere generaties de rampzalige consequenties moeten dragen. Ik denk dat over vijftig jaar niemand begrijpt waarom we de prioriteiten hebben aangehouden die nu boven aan de agenda staan.»

Wellicht geldt hetzelfde voor Nederland, waar voor het eerst een generatie opgroeit die minder goede vooruitzichten heeft dan de generatie van haar ouders. Max van der Stoel: «Je hoeft niet zo ver te reizen om te zien hoe betrekkelijk de problemen van onze jongeren zijn. Al in Europa, laat staan op al die verre bestemmingen waar jonge mensen naartoe gaan, kun je dat zien als je je ogen openhoudt. Of hoe betrekkelijk onze problemen met etnische minderheden zijn in vergelijking met andere landen, hoe welvarend we nog steeds zijn. Daarom stuiten de paniekstemming over zaken als de koopkracht en de scherpte van het integratiedebat me zo tegen de borst.»

Het laatste komt ook opeens op als Van der Stoel wordt gevraagd naar de rol van karaktereigenschappen in de internationale politiek. «Aan iemand als Rita Verdonk kun je zien hoe karaktereigenschappen een politieke carrière kunnen bestempelen», permitteert de Minister van Staat zich, «daar zal ik me toe beperken.»

Over zijn eigen karaktereigenschappen is Van der Stoel voorspelbaar nuchter. De verlokkingen van macht en aanzien heeft hij nooit zo gevoeld, zegt hij. Gevraagd naar hoe hij het beleefde dat er met steeds meer waardering naar zijn verdiensten werd gekeken, zegt hij dat het «wel prettig» was. Hij is zich ervan bewust dat de terugblikken op zijn leven gaandeweg positiever zijn geworden. «Ik hoop erg dat het er niet toe leidt dat ik naast mijn schoenen ga lopen», zegt hij. «Maar als ik eerlijk ben, denk ik dat ik dat niet heb gedaan. Of zal doen.» l