Jorge Semprún & Imre Kertész

Herbeleven op locatie

Jorge Semprún en Imre Kertész waren respectievelijk twintiger en tiener toen ze in Buchenwald belandden. Erover schrijven deden ze pas jaren later, als een ouder, ander persoon. Dat maakt het onderscheid tussen vertellen en interpreteren in hun werk ingewikkeld.

Er verschijnen de laatste jaren nogal wat boeken over het kwaad, en menigeen mag graag uitweiden over het begrip, liefst aangeduid als het Absolute Kwaad. Daar zijn trouwens goede boeken onder, zoals Evil in Modern Thought van de filosofe Susan Neiman. Ook in het nieuwe boek van Jorge Semprún wordt over het kwaad gefilosofeerd, door jonge intellectuelen, op een plaats die te denken geeft: de latrine van het Kleine Kamp van Buchenwald, een vrijplaats waar opzichters en zelfs SS’ers vanwege de stank niet komen.

Het is winter 1944. Nadat ze zich ’s zondagsmiddags hebben verzameld rond de stervende Maurice Halbwachs, Semprúns hoogleraar aan de Sorbonne, discussiëren ze, met afgestroopte broek op de steunbalk zittend, over Kant en Schelling, over het kwaad, dat hun gedachten meer bezighoudt dan de dood. De Jehova’s getuige worstelt met het zwijgen van God, de jonge Semprún meer met het zwijgen van de mensen.

Herinneren is voor Semprún: herbeleven op locatie. Na de indrukwekkende kampverhalen De grote reis (1963) en Zo’n mooie zondag (1980) viel in 1994 de autobiografie Schrijven of leven een beetje tegen, omdat het boek de indruk wekte dat het gedicteerd of al te vaak verteld was. De dode met mijn naam, de roman die hij op zijn tachtigste schreef, over een zondag in Buchenwald, die niet eerder ter sprake kwam, is misschien wel Semprúns beste boek. «Ik zal proberen te overleven om me jou te herinneren. Om me de boeken te herinneren die je hebt gelezen en waarover je me hebt verteld in de latrinebarak van het Kleine Kamp.»

Semprún heeft eens gezegd dat hij over het kamp alleen in de verleden tijd kon schrijven. Het gaat hier ook om andermans herinneringen: hij heeft het tegen iemand die in de ziekenbarak naast hem ligt en die zo meteen gaat sterven in zijn naam, letterlijk. De communisten in Buchenwald waren goed georganiseerd en hadden een bericht uit Berlijn onderschept waarin om nadere inlichtingen over Semprún werd gevraagd; gewoonlijk betekende dat onmiddellijke executie. Om hem te redden, vonden ze iemand van zijn leeftijd die op sterven lag, met wie hij van naam zou wisselen.

De jongen is ongeveer tegelijk met hem in het kamp gearriveerd, zoon van een nazi-gezinde militair uit de Franse landmacht. Dezelfde jongen had hij al op het eerste gezicht als een jongere broer beschouwd, zijn Doppelgänger zelfs, met wie hij, hoewel de jongen een «muzelman» was, dat wil zeggen een wandelend lijk, het over literatuur had gehad. Ze hadden ombeurten uit Rimbauds Seizoen in de hel geciteerd.

In de roman gaat het om deze persoonsverwisseling, maar in het bredere levensverhaal van Semprún krijgt de sterfscène een sinister vervolg. Aan het bericht uit Berlijn zat een luchtje, vond de partij. Kennelijk had zijn vader een goed woordje gedaan bij de ambassadeur van Franco in Berlijn. De jonge Spaanse communist werd op het matje geroepen en onderging een regelrecht stalinistisch verhoor: «Dat een fascistische ambassadeur bezorgd is om de gezondheid van een militante communist, dat verbaast je niet?»

Semprún noemt twee van de ondervragers, medegevangenen dus, bij naam. Het is niet de enige polemische noot in het boek als hij in een nawoord met bittere voldoening vaststelt dat die twee in de jaren vijftig zelf «in de dodelijke spiraal van de laatste stalinistische processen terechtkwamen».

Het verhoor door een communistische trojka in een nazi-kamp had net als de sterfscène en het zondagse filosofische debat in het schijthuis een huiveringwekkend toneelstuk kunnen opleveren. Nu zijn het sterke scènes in een roman waar behalve een kritisch beeld van de hiërarchie onder de gevangenen van Buchenwald een aantal goedgetekende portretten van medegevangenen staan. Semprún vergeet zichzelf niet: in het kamp bleef hij de weetgierige student die ook daar fanatiek met filosofie en literatuur bezig was, meer dan met zijn lichamelijke toestand en geestelijk leven. Hij was ook maar pas begin twintig.

Ook bij Primo Levi vergeet de lezer soms dat in het kamp een jongeman van twintig zat en niet de wijzere man van latere leeftijd op de foto. In de ziekenbarak van Buchenwald lag in dezelfde periode waarover Semprún het heeft, begin 1945, een Hongaarse jongen van net vijftien, Imre Kertész. Hij is er levend uitgekomen. Toen hij in 1960 zijn ervaringen begon op te schrijven is hij er niet meer mee opgehouden. Kort na zijn terugkeer uit Buchenwald besloot Semprún te kiezen voor het leven: «Ik koos voor een lange kuur van zwijgen en bewust vergeten, om te overleven.» Toen Kertész begin jaren zestig ging schrijven was dat een bewust besluit om te schrijven in plaats van te leven.

In 1944 werkt de veertienjarige Kertész, als de scholen gesloten zijn, in een wapen fabriek. Op een ochtend wordt hij samen met andere joodse jongens uit de bus gehaald. In de kazerne waar ze worden geïnterneerd, geeft hij zich op als vrijwilliger om in Duitsland te werken. Na een treinreis van drie dagen arriveren ze op een klein stationnetje waarvan de naam, Auschwitz-Birkenau, hem niets zegt. Hij schrikt bij het zien van kaalgeschoren mannen in gestreepte misdadigerskledij: «De gezichten van de gevangenen waren niet bepaald vertrouwenwekkend: uitstaande oren, vooruitstekende neuzen en kleine, diepliggende ogen, die sluw glansden. Ze zagen er in alle opzichten als joden uit en ik vond het maar verdachte en vreemdsoortige lieden.»

Van het Jiddisch verstaat hij alleen het woord zeschzain. Als hij even later bij de selectie niet gezegd had dat hij zestien was maar vijftien zou hij meteen de verkeerde kant uit zijn gestuurd. Op dat moment dacht hij dat het er alleen om ging wie wel of niet geschikt was om te werken. Er is waarschijnlijk niet één verhaal over Auschwitz waarin niet al bij binnenkomst alles over het kamp bekend is. Toen in 1975 Onbepaald door het lot, de eerste roman van Imre Kertész, uitkwam, moet de lezer verbaasd zijn geweest dat hij meer wist dan de hoofdpersoon. Die zegt wel parmantig: «Ik durf te stellen dat ik nog vóór de avond van de eerste dag van bijna alles wat er in het kamp gebeurde op de hoogte was», maar in feite weet hij van niets. Als hij dat het eerste etmaal nog eens een keer of vijf herhaalt, klinkt het bijna komisch. Bij het horen over de misleidende procedures die aan de vergassing voorafgaan, heeft hij het gevoel dat het om een grap of studentenstreek gaat.

De verbazing van de veertienjarige bij alle nieuwe details doet mij denken aan de half geamuseerde, half verontruste bevreemding van Gulliver wanneer hij na de schipbreuk te midden van de lilliputters wakker wordt. Zo reageren ook bezoekers die in een utopische samenleving worden rondgeleid. Lilliputterland is niet een totaal andere wereld, alleen de schaal en dus de verhoudingen verschillen. Zo ook vindt de jongen in het kamp alles normaal, alleen blijken vele details én woorden iets heel anders te betekenen.

Het is precies deze scène waarover men struikelde bij de uitgeverij waar Kertész in 1973 zijn eerste manuscript aanbood. Men gebruikte zogenaamde literaire argumenten en beweerde in de afwijzingsbrief dat hij «in de artistieke bewerking» van zijn materiaal te kort was geschoten. Uitdrukkelijk werd daarvoor naar het gedrag van de hoofdpersoon bij aankomst in Auschwitz verwezen — de onkiese zinnen over de gevangenen en de «poets van de verbrandingsovens» — en naar de verwijten die hij bij terugkeer maakte aan het joodse gezin in zijn huis. Dat zijn nu juist de ook literair meest interessante delen van de roman.

Kertész werd al na drie dagen van Auschwitz naar Buchenwald overgebracht, waar hij, zoals hij schrijft, binnen drie maanden in een afgeleefd oud mannetje veranderde. Zo jong als hij was, werd hij een «muzelman», een «lichaam zonder geest». Zelfs de honger voelde hij niet meer, niets raakte hem, hij werd alleen uitermate prikkelbaar en agressief.

Het aftakelingsproces staat in de roman gedetailleerd beschreven, en alleen dat is al heel bijzonder, omdat bijna niemand van de muzelmannen het er levend vanaf bracht. Op hen doelde Primo Levi met zijn titel De verdronkenen en de geredden: «Nu, jaren later, kan men wel zeggen dat de geschiedenis van de Lager bijna uitsluitend geschreven is door wie, zoals ik, de diepste diepten ervan niet heeft gepeild. Wie dat wel heeft gedaan, is niet teruggekomen, of was door zijn lijden en zijn onbegrip onmachtig om iets waar te nemen.»

Zonder namen te noemen verzet Jorge Semprún zich in het begin van zijn roman tegen de conclusie die hieruit, ook door Levi zelf, getrokken is: dat de overlevende die geluk heeft gehad zich schuldig zou moeten voelen. Kertész heeft de bodem bereikt, als muzelman was hij niet meer van deze wereld. Die ervaring doorkruist al het werk van Kertész, zoals hij keer op keer te kennen geeft hoe vreemd de wereld, zowel de verre als de nabije, voor hem is.

Zo reageerde ook de vijftienjarige György Köves (de naam betekent «steenachtig») bij terugkeer in Boedapest. Het ouderlijk huis blijkt door anderen bewoond, bij joodse trapbewoners wordt hij binnengelaten en vindt er een woordenwisseling plaats die met «gesprek tussen doven» nog mild is getypeerd. Almaar gebruiken ze het woord «komen»: toen «kwam» de jodenster, «kwamen» de pijkruisers, «kwam» het getto, «kwamen» de executies en «kwam» de bevrijding. «Wij zijn toch ook zelf gegaan», zegt de jongen. Hij heeft de selectie in het kamp voor ogen, de rij die stap voor stap naar de tafel schuifelde waar de selectie plaatsvond — elke stap had ook een andere stap kunnen zijn. Als alles in het leven van buitenaf bepaald wordt, is er geen vrijheid; is er wel vrijheid, «dan zijn wij zélf het lot!», is de ontdekking van de jongen.

Ook de oudere Kertész vertelt niet waarom opeens de speling van het lot in persoonlijke vrijheid omslaat. Op 1 mei 1965 zet Kertész in zijn aantekeningen, geschreven naast het werk aan zijn roman, uiteen waarom hij de titel Onbepaald door het lot zo goed vond. Volgens mij laat de roman zien dat die titel meer wens dan werkelijkheid is. Van de pagina uitleg, te vinden in de zojuist vertaalde verzameling aantekeningen met de loodzware titel Dagboek van een galeislaaf, begrijp ik eerlijk gezegd niets. We kunnen ons verdedigen door ons het lot eigen te maken en ons geheel met onze determinanten te vereenzelvigen, óf ertegen in opstand komen. Geen van beide is een oplossing, stelt Kertész en kiest, getuige een volgende notitie, voor de «irrationele lijdzaamheid» als uitweg.

Maar dat is een opmerking van maanden later. Het boek is ook helemaal geen dagboek. De aantekeningen uit de vijftien jaar die voorafgaan aan de publicatie van de eerste roman beslaan nog geen dertig pagina’s. Soms zitten er jaren tussen. Dat maakt het lastig om op de verspreide gedachten in te gaan. Met sommige ervan heb ik grote moeite, dat kan ik wel zeggen. Het ligt voor de hand dat niet iedereen die dit soort dingen heeft meegemaakt er goed over kan vertellen. Maar als iemand zijn ervaringen overtuigend weet op te schrijven, wil dat nog niet zeggen dat de overlevende ook de aangewezen persoon is om de gebeurtenissen te analyseren en te interpreteren. De Kertész van toen was vijftien, de schrijver van 75 is een andere persoon, net als Semprún. Dat maakt het onderscheid tussen vertellen en interpreteren alleen maar ingewikkelder. Je kunt je afvragen hoe je dan zo’n boek met oude aantekeningen moet lezen. Er is een simpeler kwestie die daaraan voorafgaat: hoe zijn de vertaalde boeken van Kertész tot dusver gelezen?

Kertész deed dertien jaar over zijn eerste roman, Onbepaald door het lot, die na te zijn geweigerd in 1975 toch verscheen. In de roman Fiasco die hij daarna schreef en die in 1988 gepubliceerd werd, vertelt hij uitvoerig over de verwikkelingen rond het eerste boek. Daar staat ook de afwijzingsbrief van de uitgever. Nog beledigender was de opmerking bij voorbaat dat hij met zijn onderwerp tien jaar te laat was.

Maar het eerste boek dat vertaald werd, was Kertész’ vierde, de kleine roman Kaddisj voor een niet geboren kind uit 1990, die in 1994 in het Duits en in het Nederlands verscheen. Die roman was zonder de voorafgaande boeken nauwelijks te begrijpen. Neem de titel. Die suggereerde dat de overlevende behalve een deel van zijn leven ook de toekomst kwijt was; hij treurde over een hem ontnomen normaal leven, gepersonifieerd door het ongeboren kind. Na de andere boeken ligt een andere interpretatie meer voor de hand: het kind was het leven dat hij niet zou leiden, omdat hij had besloten niet te leven maar te schrijven.

Er is sinds Kafka geen auteur die zich zo totaal aan het schrijven heeft overgegeven als Kertész. Dat was geen keuze voor een literair leven, integendeel. Kertész verafschuwt de literatuur; hij heeft het liever over kunst. Het is niet de enige plaats waar hij het de lezer moeilijk maakt door aan algemene of abstracte woorden een volstrekt persoonlijke lading te geven. Neem bijvoorbeeld zijn lofzang op de Mislukking (het Fiasco). Hij kent het gevaar: «Een te persoonlijke manier van formuleren berooft ons van alles, zelfs van onze persoonlijke waarheid.» De zin zelf is een voorbeeld van zijn geloof in woorden, voor een schrijver een doodzonde.

Uitgeverij Van Gennep heeft de vijf vertalingen die er bestaan tegelijk uitgegeven, de Bezige Bij kondigt Kertész’ nieuwe roman aan, elders verschijnen nog enkele verhalenbundels. De lezer kan dus de schade inhalen door de boeken in de juiste volgorde te lezen. Dagboek van een galeislaaf, dat de periode 1961-1991 beslaat, gaat vooraf aan Ik, de ander, dat aantekeningen bevat uit de jaren 1991-1995, werd gepubliceerd in 1997 en vertaald in 2001. De tweede roman, Fiasco, was van 1988 en werd in 1999 vertaald.

Met de heruitgave van de vijf titels is het probleem nog niet opgelost, want afgezien van de meest recente roman, Liquidatie, zijn er zes boeken niet vertaald.

Bij Kertész is de handicap dat zijn essays niet beschikbaar zijn. Er zijn minstens drie bundels essays van hem en het is goed mogelijk dat uitgewerkte beschouwingen, anders dan losse en wellicht uit hun verband gelichte aantekeningen en flarden van gedachten, antwoord geven op allerlei vragen die door de aantekenboeken opgeworpen maar volgens mij vaak nogal warrig behandeld worden. Zo komt in beide notitieboeken een ziekenhuis voor, in Ik, de ander ligt de moeder op sterven, in het Dagboek een echtgenote. Beide keren merkt Kertész op dat het principe-Auschwitz, de Endlösung, heeft gezegevierd — het ziekenhuis is daarvan een bewijs («De overeenkomst tussen beulen en ziekenverplegers»); de moderne leefwijze is er de oorzaak van. Hopelijk kan een essay van Kertész zo’n boude stelling toelichten.

Jorge Semprún

De dode met mijn naam

Vertaald door Truus Boot

Meulenhoff, 200 blz., € 18,50

Imre Kertész

Dagboek van een galeislaaf

Vertaald door Henry Kammer

Van Gennep, 275 blz., € 22,50