Herboren

Na twaalf jaar Alexander Pechtold moet D66 zich weer eens afvragen waartoe ze op aarde is. En hoe ze zich teweer gaat stellen tegen de ‘verzuiling van het eigen gelijk’.

November 2006, Nederland moet na de val van Balkenende II stemmen. d66 heeft dat kabinet, waarin cda en vvd de coalitiegenoten zijn, laten struikelen. In de verkiezingsweek schrijf ik over d66: ‘Ik stem niet graag op een partij die dan misschien wel gelijk heeft, maar niet in staat is ook gelijk te krijgen… Ik wil niet dat mijn stem gaat naar een partij die straks meer commissarissen van de koningin (2) heeft dan Kamerzetels.’

Afgelopen zaterdag besloot toenmalig lijsttrekker Alexander Pechtold om na twaalf jaar het partijleiderschap van d66 neer te leggen en per direct uit de Tweede Kamer te stappen. Destijds trapte hij als ambteloos burger vanuit zijn Wageningse achtertuin de verkiezingscampagne af, met het risico na de verkiezingen nog steeds ambteloos burger te zijn, zo slecht stond d66 er voor. De partij had bij Pechtolds aantreden jarenlang electorale verliezen geleden, werd geteisterd door interne ruzies en ontbeerde politici die het politieke handwerk in de vingers hadden. d66 was compleet de weg kwijt. ‘De vraag waartoe de partij op aarde is, zou aan bod moeten komen’, vond ik destijds. ‘Maar dat is altijd een moeilijke. Want stel dat het antwoord is: nergens meer voor.’

Twaalf jaar later verlaat Pechtold het Binnenhof als leider van een partij met een fractie van negentien Kamerleden, met drie ministers en drie staatssecretarissen in het kabinet en met bijna 29.000 leden, wat vergeleken bij het ledenaantal van iets meer dan elfduizend in 2006 een voor andere partijen jaloersmakende aanwas is. Zelf noemde Pechtold in zijn afscheidsspeech d66 een stabiele middenpartij, de grootste liberale ledenpartij en de grootste progressieve partij. Wat een sneer was naar zowel de liberale vvd, die hem te populistisch wordt, als het progressieve GroenLinks, dat hem te ouderwets links is.

Vergeleken bij de vele openlijke ruzies in de periode voor zijn aantreden is d66 inderdaad een stabiele partij geworden. Dat is te danken aan het politieke leiderschap en vakmanschap van Pechtold. Zo was de manier waarop hij bij de afgelopen kabinetsformatie de ChristenUnie als mogelijke coalitiegenoot aanvankelijk bruuskeerde een bewuste manoeuvre. Pechtold wilde dat de buitenwereld op het netvlies kreeg dat het door hem geprefereerde GroenLinks zelf doelbewust afhaakte bij de kabinetsvorming en dat d66 pas daarna instemde met de voor haar minder aantrekkelijke ChristenUnie.

Daarmee kon hij ook, zoals wel vaker de afgelopen jaren, laten zien dat d66 een partij is waarvoor het sluiten van compromissen tot het wezen van de democratie behoort. Het was dan ook met recht dat Pechtold zijn d66 een middenpartij noemde. Op het partijcongres afgelopen zaterdag roemde hij nadrukkelijk ‘de schoonheid van het compromis’.

Vergeleken bij de periode voor Pechtolds aantreden is D66 een stabiele partij geworden

Dat zette hij tegenover wat hij de nieuwe verzuiling noemt. Dat is niet de terugkeer van de verzuiling waar d66 zich bij haar oprichting tegen afzette, die van de toen dominante christelijke en sociaal-democratische zuilen. De nieuwe verzuiling is volgens Pechtold ‘de verzuiling van het eigen gelijk’.

Geert Wilders met zijn pvv is zo’n nieuwe zuil. Wilders deed bij Pechtolds aantreden in 2006 voor de eerste keer mee aan de verkiezingen. Inmiddels is daar ook het ‘eigen gelijk’ van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet bij gekomen. Een gelijk dat Pechtold gevaarlijker vindt dan dat van Wilders. In politieke debatten stelde hij zich er consequent tegen teweer. Het kwam hem op het verwijt te staan dat alleen voor eigen gewin te doen en niet uit overtuiging.

Pechtold heeft dat geloof in ‘het eigen gelijk’ in zijn Haagse jaren versterkt zien worden door de opkomst van de sociale media, het ontstaan van de eigen bubbels en de mede daardoor groeiende afkeer van het compromis als onlosmakelijk onderdeel van een democratie. Dat heeft zijn invloed gehad op het mislukken en als gevolg daarvan afschaffen van het raadplegend referendum, aanvankelijk een paradepaardje van d66. Baudet en anderen van ‘het eigen gelijk’ waren met dat referendum aan de haal gegaan. Dat had d66 niet voorzien. Pechtold had het lef niet voort te modderen en zijn eigen minister van Binnenlandse Zaken dit slecht doordachte referendum te laten afschaffen, maar niet alle d66-leden nemen hem dat in dank af.

Twaalf jaar geleden beantwoordde Pechtold de vraag waartoe d66 op aarde was door onder meer consequent te hameren op het belang van onderwijs, zelfs met zo veel succes dat d66 het verwijt kreeg dat onderwijsinstellingen het extra geld niet uitgegeven kregen. Ook werd hij samen met de huidige minister van Sociale Zaken, Wouter Koolmees, pleitbezorger van het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Met hun steun vanuit de oppositie voerde het vorige kabinet dat in. Inmiddels moet Koolmees als minister, onder druk van werkgevers en werknemers, beslissen of die leeftijdsverhoging niet te snel is gegaan.

Maar na twaalf jaar is het wederom tijd voor d66 zich af te vragen waartoe de partij er is en waarheen ze wil. De EU staat onder druk, het klimaat moet beschermd, het eigen gelijk in de politiek vraagt om het opnieuw doordenken van de democratische middelen, individualisering én globalisering smeken om nieuwe sociale samenhang en de arbeidsmarkt vraagt om andere arbeidscontracten. Allemaal onderwerpen die d66 aan het hart gaan. Een nieuwe partijleider is beter in staat antwoorden op die vraagstukken te formuleren dan een die twaalf tropenjaren achter de rug heeft. Die opvolger treft wel een herboren d66 aan, met dank aan Pechtold.