H.J.A. Hofland

Herdenken in Rotterdam

In het wereldgedaver over de dood van de paus en het nationale kabaal over de bijna gekozen burgemeester is het een wonder dat het de televisie nog heeft gehaald. Voorzichtig worden op het ogenblik ergens in Nederland de restanten van een Britse bommenwerper uitgegraven. Behalve de resten van de bemanning bevat het wrak vier van de zwaarste bommen. Het vliegtuig was op weg naar Kassel waar ze op een fabriek van kogellagers hadden moeten ontploffen. Voor alle zekerheid liet het Journaal twee keer zo’n bommenwerper zien, de eerste keer een Lancaster, de tweede keer een Vliegend Fort. Het neergeschoten toestel was een Short Stirling. Kleinigheid. Al die dingen hadden vier motoren, allemaal gooiden ze bommen, en daarom was het tenslotte begonnen.

Over minder dan vier weken is het zestig jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog voorbij was. Eerst de herdenkingen, dan de feesten. Ik stel voor dat we de vondst van dit vliegtuig gebruiken. Eerst de bemanning beter te leren kennen door hun foto met zo veel mogelijk biografische bijzonderheden in alle media te publiceren. Jongens van even in de twintig waren ze, die zoals iedereen die in welke oorlog dan ook gesneuveld is ervan overtuigd waren dat het anderen zou overkomen, maar dat zij gemakkelijk de volgende eeuw zouden halen. En dan, nadat ze met militaire eer waren begraven, zou er op een veilige afstand, maar ook voor zo veel mogelijk mensen zichtbaar en voor alle media, de vier bommen tot ontploffing worden gebracht. Dit alles om op bescheiden schaal, maar zo aanschouwelijk mogelijk zo veel mogelijk mensen te laten zien waar iedere oorlog altijd in eerste instantie op uitdraait: verminking, dood, vernietiging.

Herdenkingen verlopen altijd in abstracties. Eerbetoon aan de gevallenen en dank voor de vrijheid die we aan hun opofferingsgezindheid hebben te danken. Met minder kan het niet. Door van tijd tot tijd te herdenken bevestigen we bovendien de nationale identiteit en eventueel trots hoewel we daarmee in Nederland bescheiden omspringen. Toen prins Bernhard nog leefde, was er het défilé van de veteranen in Wageningen, maar dat was meer een plechtige stoet van ouwe jongens onder elkaar dan een vertoon van vaderlandse krijgshaftigheid. Voor een flinke parade met steun van de luchtmacht hebben we hier geen ruimte. Een optocht van oude, goed onderhouden militaire voertuigen, van de vereniging Keep Them Rolling, kan in Amsterdam al niet doorgaan wegens te veel opgebroken rijwegen en gevaar voor opstoppingen. We zijn dus wel op de abstracties aangewezen.

Daar zitten een paar risico’s in. Grote herdenkingen zijn ook massale uitingen van droefheid en die krijgen in deze tijd de bijsmaak van een evenement. Je kunt dat jammer vinden of niet, het is niet anders. Stille tochten, de dood en de begrafenis van de paus met alles wat erbij hoort: het is ook een collectieve zelfverzadiging aan gemeenschappelijke treurnis. Het evenement van de rouw is een doel in zichzelf. Daardoor zijn de rouwenden geneigd te vergeten waarom het allemaal begonnen is. Herdenkingen zijn bedoeld als periodieke bevestigingen van een continuïteit. Na een evenement ga je naar huis en over tot de orde van de dag.

Bij herdenkingen wordt het verleden tot het uiterste vereenvoudigd. Dat kan ook al niet anders. Je kunt niet verwachten dat de koningin of de minister-president op de Dam capita selecta uit Loe de Jong voorlezen. Dan komt het volgende risico. Onvermijdelijk worden uit de vereenvoudiging conclusies getrokken. Het best kun je die zo algemeen mogelijk houden. Dat is onze vorstin toevertrouwd. Maar, zal zij toch zeggen, behoud van de vrijheid eist onze permanente waakzaamheid. Daar weten de politici dan weer raad mee. Imams, Lonsdale-jongeren, dodenlijsten, kogelbrieven. Zo leidt de herdenking van vijf jaar oorlog regelrecht naar een moskee of een hangplek. Ik onderschat het allemaal niet, maar het valt buiten de historische proporties.

Op het ogenblik is in Rotterdam, in het Schielandshuis, een tentoonstelling over het bombardement waardoor op 14 mei 1940 de oude binnenstad werd verwoest. Daar kunnen we op foto’s en films praktisch van uur tot uur volgen wat een groot bombardement betekent, van de eerste verbijstering bij de bewoners tot de puinvlakte die hun stad was. Er hoeft geen herdenkingswoord aan te worden toegevoegd. In een ander deel van het gebouw is een expositie van politieke prenten die L.J. Jordaan voor de oorlog in De Groene Amsterdammer heeft getekend. Wie, zoals hij, scherp zag, wist wat ons toen boven het hoofd hing; en dat het onvermijdelijk ook op ons neer zou komen.

Ik heb wel eens geopperd dat we de nationale herdenking niet op 4 maar op 10 mei zouden moeten houden, omdat toen in 1940 deze neutrale provincie van Europa tot verbazing van vrijwel het hele volk van het ene uur op het andere weer in de wereldgeschiedenis werd meegesleurd. Dat het daarna nog tien tot twintig jaar heeft geduurd voor het tot het hele volk was doorgedrongen, is een andere zaak. Het praten over oorlog, het herdenken kun je alleen met enig recht doen als je in ernst wilt beseffen wat er toen, vijf jaar lang, gebeurde. Doe het dan voor één keer niet op de Dam, die voorspoedig verder verandert in het plein van de permanente nationale kermis, maar in Rotterdam, voor het beeld Verwoeste Stad, van Ossip Zadkine. Dan weten we weer even waar we het over hebben. Het nationale uit je dak gaan van 5 mei kan zich weer in Amsterdam voltrekken.