Marianne Vogel: Baard boven baard

Heren en damesromans

Docente Neerlandistiek Marianne Vogel betreurt in haar proefschrift de ongelijkwaardigheid van vrouwen en mannen in de Nederlandse literatuur. Een stap verder op weg naar extreme politieke correctheid.

Wie hoort er in het volgende rijtje niet thuis: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve, Harry Mulisch, Anna Blaman? Toen Ton Anbeek in 1990 over zijn pas verschenen Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 verklaarde dat hij geweldig zijn best had gedaan om vrouwelijke auteurs te vinden die het niveau van de «grote drie» evenaarden maar daar niet in was geslaagd, was zijn uitspraak het startschot voor een controverse waar nog altijd geen einde aan is gekomen. Is het misschien zo dat er een traditie van «vrouwelijk schrijven» bestaat die «niet in de canon is opgenomen», zoals Wiljan van den Akker toen opmerkte? Dit zou dan veroorzaakt kunnen worden door receptieproblemen die met het geslacht van de auteurs zijn verbonden, waarmee literaire topkwaliteit met mannelijkheid wordt geassocieerd. Kritiek van vrouwelijke kant liet niet lang op zich wachten. In 1991 stelden Margriet Prinssen en Lucie Vermij een bundel samen over «vrouwelijke auteurs van formaat» en zij verklaarden dat de onbekendheid van de vrouwelijke schrijfsters meer met de vorming van de literaire canon te maken had dan met een gebrek aan niveau, meer met opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid dan met de kwaliteit van hun teksten.

In 1995 merkten Bert Bukman en Matt Dings in een artikel over vrouwelijke auteurs op dat de literatuurkritiek in het interbellum vrouwelijke auteurs onderwaardeerde, maar dat het moeilijk vol te houden was dat de kritiek van de naoorlogse periode vrouwen nog altijd discrimineerde. Het (voorlopig) laatste woord had Jaap Goedegebuure: «Ik houd het erop dat de schrijfsters van toen vaak niet goed genoeg waren.»

Volgens Marianne Vogel, docent Neerlandistiek aan de universiteit Freiburg im Breisgau, speelde het geslacht van auteurs in de naoorlogse periode nog wel degelijk een belangrijke rol, en werd toen in een hardnekkig gevecht een mannelijke tophiërarchie gevestigd. In Baard boven baard: Over het Nederlandse literaire en maatschappelijke leven 1945-1960, waarmee zij dit jaar aan de Universiteit van Maastricht promoveerde, gaat zij uitvoerig in op deze kwestie. Door een «positie op metaniveau» in te nemen en dus boven de partijen te staan, wil zij een wetenschappelijke bijdrage aan de discussie leveren.

Vogel wilde nagaan of er genderopvattingen te vinden zijn in de receptie van het Nederlandse proza tussen 1945 en 1960, dat wil zeggen ideeën over mannen en mannelijkheid en vrouwen en vrouwelijkheid, en of daar een waardering aan wordt verbonden. Het is echter de vraag of wij een oordeel mogen vellen over de manier waarop in het verleden romans zijn gerecenseerd als dit oordeel is ingegeven door vragen die nu spelen. In de behandelde periode bestond het woord «gender» nog niet. Daar komt bij dat gender als veranderlijke sociale en historische constructie thuishoort bij de mentaliteiten die in een gegeven tijdperk de ondergrond vormen voor de literaire canon. Die mentaliteiten genereren bepaalde vertogen maar kunnen moeilijk als bewust gehanteerde kaders worden beschouwd. De literair-maatschappelijke context die Vogel bestudeert en die voor haar als achtergrond dient voor de «hiërarchiserende genderopvattingen» die zij wil aantonen, verklaart slechts een deel van een probleem dat zich in de kern op onbewust niveau afspeelt. De «diepteboring» die Vogel wil verrichten, komt uiteindelijk neer op het aangeven van oppervlaktestructuren.

Vogel wil bij haar onderzoek op de maatschappelijke context steunen, en zij verwijst naar de grote discussies uit die jaren, waarin naast verzuiling en industrialisering ook ongelijkwaardige behandeling en vrouwenemancipatie een rol speelden. Zij wijst erop dat ondanks het feit dat mannen en vrouwen grondwettelijk als «gelijkwaardig» werden beschouwd, beide geslachten nog altijd oppositionele rolverdelingen, werkterreinen en leefwerelden toebedeeld kregen. Om die reden zou de literatuurkritiek literaire beroepsvrouwen over het hoofd hebben gezien en niet als «een serieus of onontbeerlijk deel van de Nederlandse literatuur» hebben beschouwd. In haar uitgebreide onderzoek naar dit flinterdunne en voorspelbare gegeven bestudeerde Marianne Vogel 250 recensies van twintig boeken van mannelijke en vrouwelijke auteurs, uitgekozen op leeftijd, literaire activiteiten en bekendheid. Vrouwen worden op grond van leeftijd naast mannen gezet om vergelijkend onderzoek te vergemakkelijken, waardoor nogal wonderlijke literaire paren ontstaan. Annie M.G. wordt bijvoorbeeld naast Carmiggelt gezet en aan Willy Corsari wordt Anton Coolen toegevoegd.

Het boek van Marianne Vogel vertegenwoordigt wellicht een stap verder op de weg naar extreme politieke correctheid. In het hoofdstuk Over taal, tekst en genderopvattingen vestigt Vogel er de aandacht op dat mannelijke termen voor beide geslachten gebruikt kunnen worden maar vrouwelijke termen niet. Zij verbaast zich erover dat de meeste vrouwen zich hier niet aan storen, en er dus kennelijk dezelfde genderopvattingen op nahouden als mannen.

Marianne Vogel heeft ook iets tegen het concept «literair veld» van de socioloog Pierre Bourdieu, dat door haar lezersonvriendelijk, te technisch en te abstract wordt genoemd. Zij gebruikt liever de uitdrukking: het «literaire leven». De door Bourdieu geïntroduceerde term wordt ongetwijfeld door haar als mannelijk ervaren en door een typisch vrouwelijke metafoor vervangen. Het fallocentrisme van de taal wordt hier weer eens van stal gehaald, en we zijn niet ver van Iteke Weeda en haar oorlogsverklaring aan de «mannelijke wetenschap». Helaas wordt deze strijd meestal gevoerd door vrouwen die op wetenschappelijk gebied weinig presteren en zich om die reden verschuilen achter slappe en achterhaalde feministische uitgangspunten.

Vogels conclusies zijn niet echt wereldschokkend te noemen: voor wat betreft de lengte van recensies differentieert de literatuurkritiek significant tussen beide geslachten in het voordeel van mannelijke schrijvers. Vrouwelijk proza wordt aangeduid als «literatuur geschreven door vrouwen», mannelijk proza als «algemene literatuur». Vrouwelijke auteurs worden significant vaker op grond van hun geslacht tot een aparte groep samengevoegd, en dus losgekoppeld van de literatuur in het algemeen. Hierdoor komen ze over als minder professioneel dan mannen. In tegenstelling hiermee lijkt Vogels bewering dat vrouwen worden ervaren als losse personen die geen vast bestanddeel van de literatuur uitmaken, waarmee zij minder serieus worden genomen en uiteindelijk gemarginaliseerd. Vogel concludeert dat recensenten wel degelijk blijk geven van hiërarchiserende genderopvattingen: vrouwelijke auteurs worden als vrouwelijk, anders en marginaal gedefinieerd, mannelijke auteurs als algemeen en behorend tot de literaire kern. De status van mannelijke auteurs wordt hiermee hoger ingeschat door de kritiek, die hen een positiever waardering toekent.

Tussen 1945 en 1960 bestaat bij het schrijven van literaire recensies een duidelijke tendens om vrouwen over het hoofd te zien of een niet-literaire plaats toe te kennen. Daarbij worden vrouwen veel vaker met andere vrouwen vergeleken dan met mannen, en worden door vrouwen geschreven romans bijna nooit als innovatief beschouwd. Vrouwen worden er vaak van beschuldigd «damesromans» te schrijven, een verwijt dat geen enkele man te horen krijgt. Omdat vrouwelijke auteurs uit die tijd verbonden worden met het huishouden en het moederschap, wordt een maatschappelijke norm gehanteerd die in tegenspraak is met de literaire norm. Een magere conclusie, die overtuigingskracht lijkt te moeten putten uit de dwangmatige herhaling ervan.

Baard over baard is een studieus en langdradig proefschrift waarin in slaapverwekkend vulgair-sociologisch proza het beginstandpunt van de onderzoekster almaar bevestigd lijkt te worden door op zich onbenullige gegevens. Zou een onderzoek naar de poëticale en esthetische kwaliteiten van de betrokken auteurs niet interessanter en spannender zijn geweest? Een diepgaande analyse van stijl, thematiek en vertelstructuren zou misschien hebben aangetoond dat vrouwelijke auteurs uit die tijd wel degelijk hetzelfde literaire niveau hadden als mannelijke auteurs.

Waarom deze grote stilte over de literaire kwaliteiten van de behandelde auteurs? Had Vogels grote voorbeeld en promotor Maaike Meijer, muze van de feministische literatuurwetenschap en moeder van de wilde poëzie-analyse, haar daar niet op moeten wijzen? Literatuursociologen zullen tegenwerpen dat dit een onderzoek is naar het literaire bedrijf en niet naar de literaire kwaliteiten van romans, maar gaat het hier nog om wetenschappelijk onderzoek? Ook kun je je afvragen wat de zin is van dergelijk onderzoek, een vraag die er tegenwoordig blijkbaar niet meer toe doet. Maar misschien hoeft onderzoek helemaal geen zin te hebben, en is literatuur iets geworden waar je slechts theo rieën op los moet laten.

Gelukkig is er in de tussentijd het een en ander veranderd op het gebied van literaire canon en receptie van damesauteurs. Veel machtige recensenten zijn tegenwoordig van het vrouwelijk geslacht, al weten zij dat soms aardig te verbergen. Elk jaar wordt weer een blik vrouwelijke debutanten opengetrokken die meestal niet kunnen schrijven en ook niets bijzonders te melden hebben. Allen profiteren van het feit dat zij vrouw zijn. Ook in academia laten vrouwen zich niet meer wijsmaken dat hun enige recht het aanrecht is. Er worden tonnen uitgegeven aan biografieën van de eerste vrouwelijke dit en de eerste vrouwelijke dat, obscure negentiende-eeuwse schrijfsters worden in navolging van pulpmadam George Sand in de canon opgenomen, vrouwendagboeken verschijnen met de regelmaat van een gezonde menstruatie, terwijl jonge lesbo-onderzoekers onder leiding van hun lesbo-promotor dissertaties schrijven over lesbo-auteurs. Hiermee zal een volgende generatie hiërarchiserende-genderopvattingen-onderzoeksters misschien overbodig zijn geworden, en kan de energie op echt interessante literaire problemen gericht worden.

Marianne Vogel

Baard boven baard: Over het Nederlandse literaire en maatschappelijke leven 1945-1960.

Uitg. Van Gennep, 294 blz., ƒ59,50