Herenhuis, doorgangshuis, pakhuis

Waar zijn, in dit land van ‘wij’ en 'zij’, de schrijvers als omroepers van oproer, als provocateurs en ontmaskeraars van corruptie in taal en denken? Hadden wij maar iemand als Ed Doctorow, schrijver van historische romans, met Ragtime (1975) als eerste hoogtepunt, die onder meer de turbulente immigratiegeschiedenis van de Verenigde Staten onder het vergrootglas legde en zijn dwarse conclusies trok die haaks staan op welk Tea Party-gedachtegoed ook.
Ook in Amerika zijn er mensen die literaire woordkunst geringschatten en schrijvers zien als vijanden van de republiek en profiteurs van 'heel die socialistische subsidiefabriek’ (Doctorow in Verhalen van een beter land, 2005). Het gangsterdom van de Amerikaanse geest is niet zomaar een obsessie van hem. Bij het vertellen van verhalen gaat het hem om het zoeken van treffende beelden, om de 'vooruitgang van metaforen’ (Jack London, Hemingway and the Constitution, 1993), en om het formuleren van een collectieve verbeelding in een verscheurd land. Het huis van de fictie is voor hem een levendige, open stad. En romans die de moraal even opschorten 'kunnen uithalen in de duistere verschrikkingen van het bewustzijn’ (City of God, 2000). Rampverhalen geschreven uit liefde voor het land. In Doctorows nieuwe roman Homer & Langley staat: 'Kunst geeft eerst aanstoot en vindt dan ingang. Er wordt opgeroepen tot vernietiging ervan (door de politieke proleten - gb), en dan begint het bieden.’
Het beeld in Ragtime dat beklijft is dat van een T-Ford. Een blanke racist aan het begin van de twintigste eeuw vernedert de zwarte muzikant Coalhouse Walker en laat diens T-Ford (symbool voor het moderne consumentisme) vernielen. Walker kent maar één antwoord: brandstichting, moord en doodslag totdat hij zijn T-Ford weer in de oude staat terugkrijgt. En hij krijgt zijn zin: onderdeel voor onderdeel wordt zijn T-Ford weer in elkaar gezet. Het gaat om een strijd tussen rekkelijken en preciezen, opportunisme en prinzipienreiterei.
Het beeld van de gesloopte en weer in elkaar gezette T-Ford komt 35 jaar later terug in de New Yorkse roman Homer & Langley. De beginzin luidt: 'Ik ben Homer, de blinde broer.’ De mythologisch-historische tocht die de blinde ziener Homer Collyer vervolgens onderneemt, dwars door de twintigste eeuw, is geënt op het straatjutters- en kluizenaarsduo Collyer uit de jaren veertig van de vorige eeuw. Maar Doctorow zet de feiten op zijn eigen literaire rij en zorgt ervoor dat het huis van Homer en Langley - aan Fifth Avenue met uitzicht op Central Park - een doorgangshuis wordt van schokkende gebeurtenissen én een pakhuis van kranten, schrijfmachines en duizend andere spullen, onder meer een T-Ford. Die moest eerst worden gedemonteerd om door de deur te kunnen. In de eetkamer zet Langley hem weer in elkaar, en zo wordt de automobiel een kunstwerk in de geest van Marcel Duchamp.
Homer, die ook doof wordt, reist al schrijvend door de twintigste eeuw. Dat wil zeggen, hij zit achter zijn braille-schrijfmachine en typt aan zijn vertelling, gericht aan zijn muze die hij één keer heeft gezien: een Franse Le Monde-journaliste. Om hem heen in het volgestouwde herenhuis zijn zijn broer, die hem eten brengt, en troep van de straat. Het territorium van de schrijver is in feite beperkt tot het vel papier dat in zijn machine zit. Het huis dat hij beschrijft ís de twintigste- eeuwse geschiedenis van Amerika: de traumatische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, de roaring twenties vol ragtime en swing, de Depressie, de internering van Japanners na de aanval op Pearl Harbor, de Koude Oorlog, de hippies die de maatschappij afwijzen: alles passeert de revue in de vorm van komende en gaande mannen en vrouwen. Tegelijkertijd krimpen de wereld en de stad, die een steeds vijandiger houding tegenover de broers - die slecht zijn in rekeningen betalen - aannemen: de elektriciteit wordt afgesneden, de telefoon afgesloten, enzovoort. Maar Homer blijft onverstoorbaar doorschrijven.
Langley’s zogenaamde vervangingstheorie verklaart zijn gedrag: alles in het leven kan vervangen worden: ouders, dieren, dingen. Maar hoe zit het als alles bij het oude blijft, dan is er toch geen vooruitgang? (pareert Homer). Langley’s dialectiek luidt: er is vooruitgang én er verandert niets. Het is Langley’s ideaal een ééndagskrant te maken, dat wil zeggen een dagblad waarin alles in één keer staat over moord en doodslag, oorlogen, economische crises, rampen, sport en spel van alle tijden. Die krant komt er niet, wel bewaart Langley tientallen jaren lang alle ochtend- en avondkranten. De geschiedenis ligt voor het oprapen in hun pakhuis, maar waar precies?
Het meest fascinerende thema in Homer & Langley is de immigratie. Allerlei figuren van divers pluimage spelen een rol in deze Amerikaanse vertelling. Het personeel dat de broers aanvankelijk hebben komt uit het oude Europa of uit Japan. Homer ziet de waarde van de immigratie: 'Het zijn de hordes immigranten die dit land op de been houden, de golven die hier jaar in jaar uit aanspoelen. We hebben dat meisje moeten ontslaan, maar in feite vormt ze het levende bewijs van hoe geniaal ons nationale vreemdelingenbeleid is. Wie gelooft er vaster in Amerika dan degene die van de loopplank af gerend komt en de grond kust?’
Wat een verfrissend beeld. Goed om die zinnen te lezen in een historische roman van een schrijver die het tijdloze in het actuele ziet en het actuele in het historische. De geschiedenis? Die voltrekt zich nu. Dat zei Ralph Waldo Emerson al anderhalve eeuw geleden. Wijze woorden. Homer had ze kunnen opnemen in zijn brailletekst, waarin hij het herenhuis aan Fifth Avenue eerder ziet als 'een weg waarop Langley en ik een pelgrimstocht aflegden’. Die literaire tocht in het herenhuis én on the road, onder leiding van Ed Doctorow, blijkt buitengewoon leerzaam.

E.L. DOCTOROW
HOMER & LANGLEY
Vertaald door Sjaak Commandeur, De Bezige Bij, 223 blz., € 19,90