Herfsttij van Antwerpen

Pieter Bruegel de Oude, Dulle Griet, 1563. Olieverf op paneel, 117,4 x 162 cm © Museum Mayer van den Bergh

Nee, Jeroen Olyslaegers is niet de man van het subtiele gebaar. Woest en overvloedig, dat lijkt het credo van deze Vlaming, auteur van Wij (2009), Winst (2012) en Wil (2016), waarvan die laatste, over Antwerpen in de Tweede Wereldoorlog, met meerdere prijzen is bekroond.

Nu heeft hij zich nog dieper in de geschiedenis van de stad gegraven, in het rumoerige, laat-zestiende-eeuwse Antwerpen, en die wereld lijkt hem op het lijf geschreven. De verteller is de herbergier Beer, die zijn kroeg in Antwerpen ontvlucht, achtervolgd door rampspoed, dode echtgenotes, doodgeboren kinderen en politieke intriges, en een nieuw leven en een nieuwe herberg probeert op te bouwen in Amsterdam.

Daar ‘maakt hij de balans op’, zoals dat tegenwoordig heet, maar Olyslaegers grijpt naar de toepasselijke vorm van een litanie aan God. ‘U hebt mij beproefd, o God. Veel van wat ik heb meegemaakt lijkt het verhaal van een halve zot die zijn zinnen verliest in een waanzinnig geworden tijd om achteraf nog eens te worden vervloekt met momenten van helderheid.’

We zijn dan al een pagina of vijftien onderweg, hebben een gruwelkabinet aan bloed en kraamdoden voorbij zien komen, en Beer gaat er eens rustig voor zitten. Eerst twaalf pagina’s over de geschiedenis van Antwerpen in relatie tot de rivieren en handel, de boekdrukkunst, calvinisten en lutheranen… ‘De laatste keer dat de fortuin brengende Schelde in alle deemoed werd gevierd was tijdens het nog tamelijk plezante jaar 1561.’

Dan volgt een lange passage met feesten en processies, die van doen hebben met de ‘wildeman’ en ‘wildevrouw’ zoals we ze uit het stadsembleem van Antwerpen kennen, halfnaakt en met knotsen. En daar, met de introductie van personages als Beers zoon Ward, en bestaande historische figuren als Brueghel, drukker Willem Silvius, rederijker Hans Franckert, begint het verhaal wat op gang te komen.

Gun ons af en toe een adempauze, Olyslaegers, ruimte om mee te voelen

Al die sleutelfiguren komen in en rond Beers herberg samen, die uitgroeit tot een schuilplaats voor vrijdenkers en wegbereiders. De intrige draait rond John Dee, astroloog, alchemist, die verborgen in Beers bovenkamer aan een occult geschrift werkt. Dit en veel meer zorgt dan voor een plot rond vriendschap en verraad, maar het is zonneklaar dat dit verhaal alleen de aandrijvingsmotor is voor wat dit boek beoogt: de grote monumentale roman zijn over de Antwerpse Gouden Eeuw.

Het is een boek waarbij personages, verhalen en anekdotiek dienen om vooral de toenmalige samenleving in de volle breedte te vangen, de overgangstijd van Late Middeleeuwen naar Renaissance. Herfsttij van Antwerpen.

Het is een tijd waarin de wereld ineens groter werd, van handelsreizigers, uitvindingen, maatschappelijke onrusten en oorlogen, pestepidemieën, en niets daarvan ontbreekt. Wildevrouw stort die hele wereld van het zestiende-eeuwse Antwerpen over je heen als één bulderende lawine, één kolkende stroom waarin de geschiedenis van de stad opgaat in volksmythologie, zuipfestijnen, ziekte, wetenschap, narren en neukpartijen, humanisten en hoeren, oorlogen, godsdienst, kabbalistiek… alles uitgebraakt en uitgebruld in een hoogdravende archaïsche taalorgie.

Dat register en die vorm – of juist de tomeloze vormloosheid – grijpen terug op een romanvorm van vóór de psychologische, realistische romans van Flaubert of Dostojevski. Met Wildevrouw zijn we terug in de wereld van Rabelais, op wie meer auteurs met zo’n historische inslag teruggrijpen. Denk bijvoorbeeld aan hoe Salman Rushdie met het Italië uit diezelfde tijd aan de slag gaat in De verleidster van Florence.

Het maakt ook dat het allemaal wat op afstand blijft. Het is een gezwollen, ontploffend kostuumdrama met bonnetten en fazantenveren en bombastische dialogen (‘Bij alle duivels in de koude hel! Waar is mijn wijn?’). Goed mogelijk dat men in Vlaanderen dit boek zal duiden als de grote historische Antwerpse roman, op ooghoogte met Consciences De leeuw van Vlaanderen (1838), maar voor mij hield het lezen van deze roman vooral in dat ik veel namen, jaartallen en gebeurtenissen googelde, waardoor het meer leek op studeren dan dat ik werd meegesleept.

Op de schaarse momenten dat Olyslaegers eens wisselt van register – het kopergeschetter vervangt voor een warme cellosolo – merk je dat dit de leeservaring ten goede komt. Bijvoorbeeld wanneer Beer zich in een badhuis laat wassen door het ‘venusdier’ Annabella, en de spoken van zijn overleden echtgenotes hem achtervolgen. Dat is een scène die roerend, zinnelijk en zeker ook komisch is, allemaal in doseringen die werken. Beer raakt hier eindelijk de schimmen van de overledenen kwijt, al begrijpt hij dat ‘het verlangen’ zou blijven. ‘Het zong gelijk een vrouw in een taal die ik niet begreep.’

Eindelijk. Gun ons af en toe een adempauze, Olyslaegers. Ruimte om ons hart wat te openen, om mee te voelen met wat onder die rook, dat vet en dat walmen, onder de dampen van de geschiedenis, wel degelijk gloeit aan menselijks. ‘Er kwam geen dooi’, horen we dan. ‘Het begon weer te sneeuwen. De turf geraakte op.’ Doodnormale zinnen blijken ineens veel intenser werk te verrichten dan al die slingerende woorddronkenschap die al gauw weer terugkeert.