Ger Groot

Herinnering

Op een tentoonstelling van Oud-Nederlandse kunst overviel Johan Huizinga ooit wat hij later een ‘historische sensatie’ zou noemen. Hij voelde zich letterlijk teruggeplaatst in de tijd van de late Middeleeuwen. Later omschreef hij die ervaring als iets mystieks. Met enige schroom, want met zoiets kun je in het wetenschapsbedrijf slecht aankomen.

De historicus Frank Ankersmit, die in zijn boek De sublieme historische ervaring (Historische Uitgeverij) alsnog een lans voor haar breekt, weet zich bij voorbaat van de scepsis van de geschiedschrijvers verzekerd. Methodologisch kan men met zo’n sensatie nu eenmaal niets aanvangen. Maar als inzicht speelt ze wel degelijk een rol. Ankersmit verdedigt haar niet alleen met filosofische brille, maar ook met een autobiografische inzet. De ervaring treft nu eenmaal allereerst de persoon van de historicus – die ook van zijn kant zorgvuldig uit het métier van de beroepsgeschiedschrijver is weggefilterd.

In de literatuur ligt dat allemaal zo scherp niet. Zij leeft juist van de persoonlijkheid van haar auteur en van diens particuliere relatie tot het verleden. Zo kan de strijd rond de historische sensatie worden teruggeplaatst in de oude vraag of geschiedschrijving allereerst literatuur dan wel wetenschap is – zo hardnekkig omdat ze van allebei een beetje heeft.

Bij Proust, de grote herinneraar van de modernistische literatuur, komt methodologie zijn recherche niet verstoren. Toch staat ook bij hem meer op het spel dan zijn private herinnering. Zijn zoektocht naar het verleden wil een antwoord zijn op de onttovering van het moderne leven. In zijn nieuwe essaybundel De innerlijke ervaring (eveneens Historische Uitgeverij) neemt Maarten van Buuren ook daarbij het woord ‘mystiek’ in de mond. ‘De grote lijn waarlangs literatuur, filosofie en kunst van de twintigste eeuw zich hebben ontwikkeld is de lange poging antwoord te geven op de vragen die Nietzsches gek opwierp: hoe ervaart een mens het leven als God niet bestaat?’ schrijft hij.

Gods plek blijft voortaan open, maar wil de wereld niet aan haar eigen banaliteit verslijten, dan moet haar alledaagsheid worden opengescheurd door een ervaring die haar uit zichzelf wegslingert, aldus Van Buuren. Die sensatie opent zich voor Proust wanneer de tijd plotseling een wormgat vertoont. Onverwacht ziet en voelt ook hij zich terug in zijn eigen geschiedenis geplaatst en ontsnapt daarmee aan het doodse regime-van-dag-tot-dag.

Al vroeg aangekondigd door de archetypische madeleine culmineert die ervaring in de herinnering aan een lang vervlogen bezoek aan Venetië, ontvonkt aan een scheefliggende tegel in het Hôtel de Guermantes. Zo scheef hadden ook in de San Marco de tegels gelegen, beseft Marcel, terwijl ‘een diep azuur mijn ogen benevelde’. Het azuur, dat even later in een andere herinnering terugkeert, is – aldus Van Buuren – de kleur van de transcendentie.

Wellicht is dat zo – hoewel Huizinga eerder getroffen werd door Van Eycks diep-rood. Maar onverwacht keert het blauw opnieuw terug in een ander opstel van Van Buuren. Dan is het Gerrit Achterberg die bij het schrijven van zijn sonnet Ets aan het woord ‘azuren’ de impuls geeft tot de voortzetting van het eerste, kennelijk in één pennenstreek opgeschreven kwatrijn van het gedicht: ‘De bomen waren tot een staalgravure/ gebeten tijdens mijn afwezigheid./ Toen ik terugkwam stonden zij de tijd/ tegen te houden en verscherpt te duren,/ in droge naald gezet voor de azuren/ avond, aftekenend hun takken wijd.’

Heeft Achterberg dat woord eenmaal gevonden, dan vloeit het vers moeiteloos voort, om ook hier de herinnering vrij te maken. De dode geliefde – altijd Achterbergs thema – wordt opgeroepen uit een verleden dat een eigen plaats krijgt, tegelijk in het heden en buiten de tijd, gevrijwaard tegen vergetelheid: ‘Daaronder lag het huis in veiligheid/ en kon ik doorgaan met dezelfde uren// aan u besteed; zij bleven uitgespaard.’

Net als Ankersmit brengt in deze bundel ook Van Buuren zichzelf in het spel. In zijn eigen herinnering ziet hij zich, bij een bezoek aan Panorama Mesdag, plots letterlijk verplaatst naar zijn jeugd en het bijna gelijke panorama vanuit zijn ouderlijk huis. Een ‘extatische ervaring’ noemt hij het in zijn inleiding: ‘In elk geval moet ik een tijdje wezenloos aan de balustrade hebben gestaan; daarna doofde het licht.’

Probeert Van Buuren die sensatie ook bij de lezer op te roepen wanneer hij in zijn nawoord die passage letterlijk herhaalt? Opnieuw een ‘bovennatuurlijk licht’ dat ‘de dingen van binnenuit [leek] te verlichten’. Toch werkt het niet. De lezer bladert terug naar de bladzijden die nog geen geschiedenis en misschien niet eens verleden zijn geworden. Hij ziet alleen herhaling en vermoedt – in het regime-van-bladzijde-tot-bladzijde – hoogstens een onhandige redactie.