TONEEL

Herinnering aan een open wond

Hunker

In 1963 zet Samuel Beckett een beslissende stap in de radicalisering van zijn theateridioom. Het stuk Play verklankt de herinnering aan een driehoeksverhouding, door elkaar gemonteerd en ‘geacteerd’ op commando van een toneelzoeklicht. De figuren proberen een beetje zielig de aandacht van het publiek te trekken. Alleen hun hoofden zijn zichtbaar. Die kijken ons aan over de rand van drie levensgrote urnen. Becketts verbeelding van voortdurende pogingen van onbestemde personages zich iets te herinneren, wordt gestaag kaler: een sjofele man met een bandrecorder (Krapp’s Last Tape), een vrouw in een rolstoel (Rockaby), een almaar ratelende mond (Not I).
Toneelauteurs die in dezelfde traditie van tekstuele kaalslag opereerden (zoals Harold Pinter in Old Times en bij ons Lodewijk de Boer in De herinnering) baanden zich een weg terug naar aanraakbaarder personages. Gerardjan Rijnders schreef in de voorbije jaren speciaal voor de actrice Sacha Bulthuis teksten over het geheugen dat getroebleerd is door een tijdelijk hersendefect (Beroerd) of de vlieswand van een bijna-dood-ervaring (Ben ik al geboren?). De herinnering is een krachtige brandstof voor drama. De Albanese schrijver Ismael Kadare onderstreepte in zijn essays over de geboorte van het Griekse toneel dat de tragedie in wezen één bloedige herinnering is aan één grote open wond, de collectieve nachtmerrie over de genocide onder de Perzen en in Troje.
Na twee rigoureuze toneelteksten over geweld en liefde (Blasted en Cleansed) en een ruige bewerking van klassieke stof (Phaedra’s Love) eindigde de korte loopbaan van de Britse toneelschrijver Sarah Kane (1971-1999) bij de herinnering, aan de hel waar we vandaan komen en aan de nieuw gecreëerde hel waaruit we willen ontsnappen. Crave heet Kane’s voorlaatste toneeltekst en het is misschien wel haar meest lichtvoetige stuk, althans geschreven met een hoge dosis overlevingshumor en snoeiharde crosstalk. Een plaats van handeling is er niet, namen hebben de vier personages ook niet, ze worden aangeduid als A, B, C en M, uit de tekst kan worden afgeleid dat het om twee mannen en twee vrouwen gaat. Ze schuiven de stukjes uit de legpuzzel van hun collectieve, niet al te rozige herinneringen in en weer uit elkaar. Hoe is het toch zo ver met ons gekomen? zou de onderliggende vraag kunnen luiden. Of waarom draait het altijd hier op uit? Maar of er wel een vraag is, en wat dat ‘hier’ precies betekent, blijven open kwesties. ‘Wat ik soms met extase verwar, is eigenlijk het uitblijven van verdriet’, zegt een van hen, en die observatie scheert langs de rand van de essentie, in een variatie op Bertolt Brecht (met wie Kane meer verwantschap vertoont dan op het oog lijkt): wij die hunkerden naar liefde, konden zelf niet liefhebben.
Hunker heet de voorstelling van het nieuwe ‘gezelschap’ van Olivier Provily, fragmentarisch hunkeren is wat ze doen, deze vier toneelspelers (Tamar van den Dop, Marcel Faber, Anne Gehring en Kalki Aporos) in hun tegelijk wonderlijke (Tsjechov-berken in een broeikas) én rommelig-gezellige (tweedehands bioscoopfauteuiltjes) omgeving. Kane’s partituur klinkt hier als een melancholieke herfstdag vol Sjostakowitsj-strijkkwartetten, inclusief diens liefde voor het adagio. Provily houdt van Kane en het is aangenaam dat hij als regisseur met die koppige liefdes van hem (onder meer voor de verstilling als stijlmiddel en als toneeltaal) weer zo volledig terug is van eigenlijk nooit echt weggeweest.

Hunker is pas volgend seizoen weer te zien. Een andere regie van Olivier Provily, De anderen, speelt in januari nog in Rotterdam, Den Bosch en Den Haag