Herinnering aan Holland

‘Ik weet niet meer of ik nu wel of niet nog over Beyoncé mag schrijven. En dat we pas kunnen gaan slapen als het Rijksmuseum in de as ligt, en de Prinsen-, Keizers- en Herengracht herdoopt worden.’

Ik weet niet meer of ik nu wel of niet nog over Beyoncé mag schrijven. En over Afrika en Adriaan van Dis. Over het Rijksmuseum en zijn goede bedoelingen. Over Joost Niemöller en zijn angsten. Over hoofddoekjes bij de politie en waarom die er niet allang zijn. Over dat je geen slaaf mag zeggen, maar tot slaaf gemaakte. Geen vrouw, maar tot vrouw gemaakte. Dat je niet vermenging moet zeggen, maar verkrachting. Dat we pas kunnen gaan slapen als het Rijksmuseum in de as ligt, en de Prinsen-, Keizers- en Herengracht herdoopt worden.

In iets naargeestigs.

Nee, we zijn niet te redden. Hanya Yanagihara zei het toen ze vorig jaar het succes van haar megaroman A Little Life in Nederland kwam vieren. Het leven is droevig en toch gaan we er allemaal mee door. Waarom? Omdat leven onze bedoeling is. Alleen schrijvers mogen zo ostentatief pessimistisch zijn, voor wetenschappers ligt dat anders. Vorige week sprak ik er eentje die opgewekt voorspelde dat over vijftig jaar de mens een dusdanig ander wezen is, met dusdanig andere besognes, dat we hem niet zouden herkennen als mens.

Over vijftig jaar! Hij had net zo goed ‘morgen’ kunnen zeggen.

Mijn voorstellingsvermogen is zo beperkt, dat in mijn hoofd de allerslechtste science fiction-film onmiddellijk begint te draaien. Ik zie amoebe-achtige wezens elkaar aantikken en zich griezelig moeiteloos voortplanten, ze zijn slijmerig en haarloos, er is nog slechts een vage herinnering aan ruggengraat. Maar waarschijnlijk bedoelde de wetenschapper gewoon dat je dan met een vingerafdruk de treindeuren kunt openen.

Treinen? Over vijftig jaar?

Ik zie vliegmachines

laag ronkend

door zwarte luchten gaan.

Vijftig jaar geleden was ik er al, misschien is dat nog wel moeilijker voorstelbaar. De zon scheen, ik had maar één ding aan mijn hoofd: met zes ballen tegelijk proberen te ballen, tegen de muur en in de lucht.

Het leven is droevig en toch gaan we er allemaal mee door

Die wetenschapper had het over dna-profielen. Dat er geen tijd meer verdaan hoeft te worden met een beetje tasten, een beetje koekeloeren. Dat gelukkige liefde een kwestie wordt van elkaars dna-profiel opvragen via een app. Dat een beter mens worden – slimmer, knapper, sneller, genialer piano kunnende spelen – een kwestie wordt van op tijd ingrijpen. Gisteren hoorde ik iemand zeggen – ze had een groot pakket bij zich, ‘deze kant boven’ stond erop gedrukt – dat ze op weg was naar een ‘gender revealing party’. Wat is het volgende? Een ‘pick your gender party’?

Ik zie rijen ondenkbaar

kneedbare ego’s

als hooge torens

in ieders blikveld staan.

Er is een toneelstuk van Beckett waarin de personages een houten bord om hun nek hebben hangen. Op dat bord staat een getal, het is de leeftijd die ze zullen bereiken. Nu weet ik niet meer of je van jezelf ook kunt zien wat er op het bord staat. Het lijkt me echt iets voor Beckett om het alleen van de ander te kunnen zien. Opdat medelijden en hoogmoed jegens de ander zegevieren, terwijl jijzelf zonder het te beseffen net zo beklagenswaardig bent, en daarmee de meest beklagenswaardige.

O blissful ignorance.

O vrolijke wetenschap.

Aan de ene kant moeten we alsmaar langer leven, aan de andere kant mogen we nergens meer tijd aan besteden. Niet aan eten bereiden, niet aan lanterfanten, niet aan dromen, niet aan priegelen op niets af, niet aan proberen en mislukken. Ik zie iets opdoemen, het is een groot zwart gat.

Dit is allemaal theorie. De praktijk van a little life, nú: de zon schijnt. Mijn tot zoon gemaakte is ziek, gewoon een griepje, ik ga hem zo kippensoep brengen, misschien mag ik hem even aaien. Ik weet niet waar we over vijftig jaar zijn, ik beschouw het als mijn opdracht om het niet te weten.