Herinneringen als gletsjerlijken

Douwe Draaisma, Vergeetboek. € 19,95
Douwe Draaisma, Vergeetboek
. € 27,50

‘Want het geheugen wordt gedomineerd door vergeten.’ Zo begint het nieuwe boek van Douwe Draaisma, Vergeetboek. Het is een goudmijn voor morele vragen over het ongrijpbare fenomeen herinneren.

Vier boeken heeft Douwe Draaisma (1953), hoogleraar geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen, op zijn naam. Boeken met de prachtige titels De metaforenmachine (1995), Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001), Ontregelde geesten (2006) en De heimweefabriek (2008). Centraal in zijn werk staat het autobiografische geheugen, ‘het type geheugen dat poogt onze persoonlijke lotgevallen vast te leggen’. De essays zelf zijn vaak opgebouwd rond beroemde gevalsstudies die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de (neuro)psychologie en de geneeskunde, of rond wetenschappers die hun naam gaven aan bekende ziektebeelden, George Gilles de la Tourette (1857-1904) bijvoorbeeld, of Hans Asperger (1906-1980). Terugkerend element is de aandacht voor geheugenmetaforen, een onderwerp waarop Draaisma in 1993 promoveerde bij Piet Vroon en dat aan bod komt in De metaforenmachine.
Bovenal blijkt Draaisma echter een wetenschapper die, zoals dat heet, beschikt over de gave van het woord. Hij paart een volstrekt heldere stijl aan mooie literaire vondsten. Zo is de hoogleraar bijzonder creatief in het opdiepen en bedenken van nieuwe geheugenmetaforen. In Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt noemt hij, in navolging van Gerrit Krol, foto’s 'de tentstokken van de herinnering’. En in De heimweefabriek schakelt hij ter illustratie van de ontwikkeling en het verval van onze cognitieve functies het beeld in van een trans-Atlantische vlucht: 'Na het vertrek moet er snel hoogte gewonnen worden, maar als dat is gelukt, verloopt de vlucht lange tijd op hetzelfde niveau.’
Draaisma’s werk, kortom, is populaire wetenschap op zijn best. Zijn nieuwe bundel Vergeetboek wijkt in die zin niet af van de eerdere publicaties. Het gaat over wetenschappers als Korsakov en Alzheimer, over gezichtsblindheid en amnesie, over verdringen en cryptomnesie, over afscheidsbrieven en jeugdherinneringen, en over dromen en de kunst van het vergeten. Ook hier beeldende beschrijvingen van de werking van het geheugen. Zoals het kindergeheugen dat Draaisma vergelijkt met 'een motor die direct na de pruttelende start weer afslaat’. En onze persoonlijke herinneringen doen hem denken aan 'gletsjerlijken’, lichamen van omgekomen bergbeklimmers die na jaren weer onder aan de voet van de berg te voorschijn komen, sommige uitgewalst tot een reus, andere ineengekrompen tot een dwerg, en weer andere precies zoals ze eruitzagen voordat ze in het ijs verdwenen, inclusief knickerbockers met kwastjes.
Er is één belangrijk verschil met de eerdere bundels; in Vergeetboek ligt de nadruk op vergeten in plaats van op herinneren. Een perspectiefverschuiving die niet zonder gevolgen is. Doordat wordt ingegaan op de keerzijde van herinneren, lijkt in Vergeetboek de morele dimensie van wat, strikt genomen, louter neuropsychologische verschijnselen zijn, onmiskenbaarder aanwezig dan in het vorige werk.
Dat Draaisma met zijn nieuwe boek in de hoek van de moraal terechtgekomen is, blijkt ook uit een recent interview in de Volkskrant. 'Hebben we zelf nog iets te zeggen over wat we vergeten?’ luidt de vraag. De hoogleraar antwoordt: 'Ik ben bang van niet, maar het voordeel daarvan is dat we ons ook niet druk hoeven te maken over de morele kant van het vergeten. We hebben de neiging om het iemand kwalijk te nemen als hij een naam of een datum is vergeten, we associëren het met onverschilligheid. De ongezeglijkheid van het geheugen biedt een excuus. Je kunt niet persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor wat je bent vergeten.’
Vanuit de psychologie is dat een acceptabel antwoord; psychologen zijn op zoek naar verklaringen van het gedrag van mensen, niet naar de morele betekenis ervan.
Met zijn opmerking raakt Draaisma echter aan het vraagstuk van de vrije wil. En belandt daarmee in het hart van de ethiek, gebaseerd als die is op het bestaan van de vrije wil. Zijn antwoord is bedoeld om de moraal buiten de deur te houden, maar hij smokkelt haar (onbedoeld?) via de achterdeur weer naar binnen.
Het voorbeeld dat hij geeft, maakt dat eigenlijk al duidelijk; het vergeten van de naam van iemand die je kent is niet moreel betekenisloos. Iedereen die er ooit mee te maken heeft gehad - en wie heeft dat niet? - weet dat. En de Israëlische filosoof Avishai Margalit weet het al helemaal. Enige jaren geleden veroorzaakte een voorval met een Israëlische legercommandant die de naam vergeten was van een van zijn soldaten die door eigen vuur om het leven was gekomen in de Israëlische pers veel ophef. Het was voor de ethicus de directe aanzet tot zijn boek Herinnering: Een ethiek voor vandaag (2004). 'Ik was getroffen door de morele woede die over de officier werd uitgestort’, schrijft Margalit daar. En hij vervolgt: 'Is het werkelijk zo'n punt dat de officier zich de naam van zijn dode soldaat niet meer herinnerde? Bestaan er speciale plichten om ons de namen van mensen te herinneren?’ Het antwoord op die vraag luidt bevestigend; het vergeten van de naam getuigt volgens Margalit van een gebrek aan zorg om de naaste. De herinnering aan iemand die je dierbaar is, ligt besloten in de zorg om die persoon. Sterker: het koesteren van de herinnering is op zichzelf al een vorm van zorg.
Natuurlijk is dat inzicht ook voor Draaisma zelf niet nieuw. In weerwil van zijn opmerking in de Volkskrant wijst hij in Vergeetboek precies op dit facet van de herinnering. 'Veel van het vergeten in het dagelijks leven is het gevolg van gebrek aan aandacht en nonchalance’, schrijft hij in het hoofdstuk 'Vergeetkunst’. Hij lijkt uit eigen ervaring te spreken: 'Wie het overkomt door iemand glad vergeten te zijn (…) weet dat dit een onuitwisbare ervaring is.’
Het is een enkel voorbeeld, uit het leven gegrepen. Maar Draaisma’s Vergeetboek zit vol met soortgelijke ervaringen en cases waarachter complete morele dilemma’s schuilgaan.
Een duidelijk voorbeeld is de gevalsbeschrijving van Henry Gustav Molaison (1926-2008). Om een einde te maken aan de zware epileptische aanvallen waar hij aan leed, werden bij hem zowel de amygdala als driekwart van de hippocampus verwijderd. Een operatie die indertijd al omstreden was; een variant van deze chirurgische ingreep werd door tegenstanders ice pick surgery genoemd, 'pikhouweel-operatie’.
Aan de epilepsie kwam een eind. Maar Henry raakte als gevolg van de ingreep zowel een deel van zijn verleden kwijt als het vermogen om nieuwe herinneringen in te prenten, een permanente bewustzijnstoestand creërend die wel wat lijkt op het moment dat we ontwaken uit een diepe slaap. Henry’s herinneringen aan vroeger 'verschrompelden gaandeweg tot een eindeloos herhaald en steeds beperkter repertoire van verhalen’, vertelt Draaisma. Een mooi beeld van een dramatisch leven. Maar ook een beeld dat morele kwesties oproept. Want wat betekent ouder worden als niets beklijft van wat je meemaakt na je 27ste - de leeftijd waarop Henry werd geopereerd? Wat betekent vriendschap als je niet onthoudt wie je vrienden zijn en wat ze voor je gedaan hebben? Welke betekenisvolle relaties bouw je op en wat behelzen ze eigenlijk? 'HM’, zoals hij werd aangeduid in de talloze neurowetenschappelijke artikelen die over hem zijn geschreven, is een klassiek geval van een medische 'misser’ die voor de neuropsychologie een belangrijke stap voorwaarts betekende. Maar zijn anterograde amnesie leidde ook tot een, moreel gezien, armer leven.
Een bijzonder pijnlijk voorbeeld van de dilemma’s die herinneren en vergeten kunnen veroorzaken komt naar voren in het hoofdstuk 'Het geheugen van de Esterházy’s’, over de Hongaarse schrijver Péter Esterházy (1950). Na het lezen van de geheime dossiers die tijdens het communistische regime waren aangelegd, moest de schrijver het trotse portret dat hij van zijn vader had geschetst in Boek II van zijn familie-epos Harmonia cealestis beschaamd herzien. Zijn vader Mátyás Esterházy, die hij als kind had bewonderd om zijn morele onkreukbaarheid en die voor hem een toonbeeld was van 'geestelijke adel’, bleek in werkelijkheid een verklikker.
Het verraad van zijn vader bewerkstelligt bij Péter Esterházy een identiteitscrisis pur sang, aldus Draaisma: 'Lezend in de dossiers moeten al die voorvallen en gebeurtenissen uit zijn jeugd opnieuw worden overdacht, ze betekenen nu iets anders, zijn vader was niet de vader die hij zich herinnerde en daardoor is hij zelf ook de zoon niet meer die hij zich herinnerde te zijn geweest.’ De crisis, door de schrijver vastgelegd in zijn boek Verbeterde editie, raakt echter ook aan morele vragen. Vragen als: mag je besluiten bepaalde zaken niet te willen weten van een dierbare, omdat je weet dat je herinnering aan die persoon daardoor onherroepelijk verandert, ten negatieve wellicht? Of getuigt het juist van zorg en aandacht om die zaken juist wél aan het licht te brengen? Omdat je daarmee de persoon leert kennen zoals hij of zij was, als mens, en niet zoals jij hem of haar graag ziet? En welke verplichtingen voor de toekomst scheppen loyaliteitsbanden die ontstaan en gesmeed zijn in het verleden?
Prangende vragen worden ook opgeroepen door de gevalsbeschrijving van S., een 24-jarige soldaat die als gevolg van hersenletsel door een granaatinslag niet meer in staat was gezichten te herkennen. Een aandoening die door de behandelend arts, neuroloog Joachim Bodamer, in een publicatie na de Tweede Wereldoorlog werd aangeduid als 'prosopagnosie’, van het Griekse prosopon, gezicht, en agnosia, niet-weten.
In het dagelijks leven wist S. zich met zijn handicap 'wonderlijk goed te redden’, oordeelt Draaisma. 'Maar er waren ook incidenten die hem pijnlijk duidelijk maakten dat er iets mis was.’ Zo was hij tijdens een verlof toevallig zijn moeder op straat tegengekomen zonder haar te herkennen. Dat hij aan gezichtsblindheid leed, was niet zijn schuld; in die zin was soldaat S. niet verantwoordelijk voor zijn gedrag. Maar feit blijft dat op het moment van niet-herkennen de wederkerigheid van de relatie tussen moeder en zoon in het geding is en daarmee van de relatie an sich. Het voorval getuigt van het soort intermenselijke vervreemding waar iemand als Milan Kundera wel raad mee zou weten.
Veel van de cases die Draaisma beschrijft zouden zich overigens lenen voor een bewerking tot roman of film, media waarin de morele dimensies beter uitgelicht kunnen worden dan in wetenschappelijke non-fictie. In het geval van Henry Molaison gebeurt dat inmiddels daadwerkelijk; een van zijn onderzoekers is begonnen aan een boek over zijn leven; de filmrechten zijn verkocht aan Columbia Pictures.
Het is eens te meer een bewijs dat Draaisma’s bundel een goudmijn is voor morele reflecties. Ook het lijstje lastige vragen dat de hoogleraar achter in het Vergeetboek opnam lijkt daarvan te getuigen. De moeilijke vragen die hij hier formuleert, legde hij in de zomer van 2010 voor aan schrijvers, dichters, historici en filosofen. Allemaal mensen dus bij wie je een verhoogde ethische gevoeligheid mag veronderstellen. En die precies op dat ethische aspect inhaakten, getuige het antwoord dat schrijfster Sana Valiulina enige weken terug gaf over verdringen: 'Negeren is een goede eigenschap. Ik denk dat er iets te weinig wordt genegeerd tegenwoordig, alles wordt maar gekoesterd en eindeloos geanalyseerd.’ Dat Draaisma zelf niet ingaat op de morele vragen die in Vergeetboek opgeborgen liggen, is dan ook minder een vorm van kritiek dan een aansporing om zijn boek extra aandachtig ter hand te nemen en juist hierop na te lezen. Het opent weidse morele vergezichten.

D. DRAAISMA
VERGEETBOEK
Historische uitgeverij, 280 blz., € 19,95