Barbara Polderman en haar beelden van stof

Herkenning via een omweg

Een arend met vleugels van stropdassen, een verstrengeld paar van gebruikte gordijnen. Beeldend kunstenaar Barbara Polderman maakt beelden van stof. «Ik wil zo dicht mogelijk bij de kern komen van een gevoel of herinnering.»

Aanverwanten is de titel van de expositie in Arnhem waar werk van Barbara Polderman te zien is: een bungelende aap, een slapend hondje op een kussen, een enorme arend, een wolf, een uil, twee collages en een liggend paar. Die titel dekt niet alleen de lading van deze werken, je zou het een, zo niet hét, thema kunnen noemen van alles wat Polderman maakt. Barbara Polderman: «Kijk hier, naar die blik van dit luipaard.» Ze wijst naar een collage vol dieren- en bloemenafbeeldingen: «Ik herken die manier van kijken, denk hem daardoor te kunnen verstaan. Maar ik hoef in het echt mijn arm natuurlijk maar zo’n stukje uit te steken en hij neemt een hap. Hij lijkt grijpbaar, maar is volkomen autonoom. Dus dat wederzijdse begrip of verstaan is er helemaal niet. Maar door die blik voelt zo’n dier heel dichtbij.» We staan voor een ruimtelijke collage, opgehangen aan een muur: een aluminium bak van anderhalve bij anderhalve meter, vijftien centimeter diep. Gevuld met heldere, uiteenlopende, felle kleuren van alle plaatjes die Polderman hierin heeft verzameld. Van bloemen, planten, eieren en dieren. Eerst zijn ze geknipt uit natuurboeken, toen gescand, in een fotolaboratorium vergroot, zorgvuldig uitgeknipt en verstevigd en uiteindelijk op verschillende hoogtes en dieptes samengebracht in de diepe lijst. Het resultaat is een soort kijkdoos, omdat je daarin ook zo kunt dwalen, verschillende dieptes en gezichtspunten kunt kiezen, nieuwe dingen blijft zien, elke keer als je kijkt: «Alles is los te benoemen; hier zie je een kikker, daar een wandelend blad. Maar tegelijkertijd is het een enorm gekrioel van vormen en kleuren. Hetzelfde heb ik als ik door Amsterdam loop; je kunt dat op verschillende manieren beleven. Er is een tram, er fietsen mensen, er vliegen duiven. Alles zoemt en gonst en beweegt en leeft, en is niet op één manier te grijpen. Zo’n ervaring of emotie kan voor mij het uitgangspunt zijn voor wat ik maak. Ik wil de herinnering eraan vastleggen.»

Met haar objecten – de collages en de beelden van stof met huiden van veren, bont, oude gordijnen of vleugels gemaakt van stropdassen – vertelt Polderman (34) verhalen. Zo staat haar heuphoge Wolf voor het leven en wat je daarin zoal opdoet, met je meesleept of juist laat liggen. Een hoog op z’n half ontvelde poten staand beest, draden aan zijn lijf, bont op kop, borst, rug en staart. «Ik wilde niet per se een wolf maken, maar een beeld over wildheid, onthechtheid, onaangepastheid.» Na bladeren door haar verzameling natuurboeken, onderzoek in de bibliotheek, neuzen in tweedehands boekwinkels krijgt Polderman langzaam een idee over de vorm die zo’n onderwerp zou kunnen krijgen: «Ik kwam op een wolf uit, omdat die eindeloos jaagt en door de bossen rent; er blijven takken in zijn vacht hangen, hij raakt beschadigd. Dat is de bagage van het leven. Helemaal niet erg, dat gebeurt nu eenmaal.»

Het maken van zo’n beeld duurt maanden: «Het is heel arbeidsintensief en dat is goed, want daardoor heb ik de tijd om erover na te denken. Eerst maak ik een skelet van kippengaas. Daaromheen gaat papier-maché en daarover een laag polyester. Zo is de basis heel sterk; die kan het niet breken of door vocht aangetast worden. Tijdens het maken van de vorm doemt op wat ik uiteindelijk maak, wat ik er echt mee wil zeggen. Ik ga in mijn hoofd voor me zien hoe de huid moet worden, krijg een idee over de kleur, over het materiaal, of het ruwharig of gladharig moet zijn, welke richting de haren op moeten gaan. Al het materiaal zet ik in om het werk de zeggingskracht te laten krijgen die ik zoek, om het te laten kloppen. En daarbij kun je zoveel beslissingen nemen. Als ik geconcentreerd aan het werk ben, bal ik al mijn energie samen, zodat ik echt denk en voel: dit is het. Zo’n beeld groeit onder mijn handen, in alle opzichten.»

Barbara Polderman – lange bruine haren, licht gezicht, heldere blik – groeide op in de Achterhoek en verhuisde op haar zeventiende met haar ouders mee naar Arnhem. Daar ging ze ook naar de kunstacademie, maar pas toen ze 21 was: «Ik volgde eerst een opleiding agogisch werk, omdat me dat niet zo ingewikkeld leek. Maar toen ik stage moest lopen op een lom-school, dacht ik: dit gaat helemaal mis.» Een heroriëntatie bracht haar terug bij de creatieve dingen die ze eigenlijk altijd al deed: tekenen en kleren naaien: «Maar dat was geen vurige roeping of zo. Ik had op de middelbare school ook niet het idee dat je dat als vak kon doen.» Misschien omdat ze haar moeder haar stoffen wandkleden altijd zag maken naast al het andere dat ze deed, gewoon als hobby: «Van haar heb ik een grote voorraad lappen gekregen. Soms stuit ik op een kleedje dat vroeger bij ons in huis lag, of een T-shirt of een sokje dat mijn zus en ik als kind gedragen hebben.»

In Poldermans atelier liggen al die stoffen in doorzichtige plastic bakken, hoog opgestapeld naast een kast. Uitpuilende vuilniszakken liggen op de grond: «Soms wil ik het bijvoorbeeld op kleur gaan sorteren, maar ach, eigenlijk is dat helemaal niet nodig. Ik weet wel wat ik waar heb. Vaak ga ik ook op zoek naar nieuwe voorraad. Op de markt, in winkels. Nieuw en tweedehands. Oude stof heeft vaak precies de goede kleur, structuur, het goede patroon. Maar als ik dat gebruik, brengt het ook een soort stoffigheid in het werk met zich mee, die niet altijd de bedoeling is. Daarom combineer ik het met nieuwe stof, voor de helderheid.»

Een flard van een gordijn of een motief op een lap doet denken aan het beeld van de op een bed van bewerkte stoffen slapende, zwangere vrouw die onlangs te zien was bij Reuten Galerie in Amsterdam, de galerie waaraan Polderman sinds twee jaar verbonden is. Of aan het verstrengeld liggende paar dat het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem vorig jaar heeft aangekocht. Beelden die een verlangen naar het stilzetten van de tijd uitstralen, naar het vasthouden van wat je graag wilt blijven hebben: «Heel blij was ik met die aankoop. Omdat het eervol is natuurlijk en omdat mensen het dan kunnen zien. Maar ook omdat het werk daardoor op een plek is waar de omstandigheden goed zijn. Beelden worden er niet beter van als ze eindeloos in mijn atelier blijven liggen.»

Dieren zijn een inspiratiebron: «Ik heb dagenlang rondgedwaald in The American Museum of National History in New York; dat vond ik echt een walhalla. Zo veel zalen, zo mooi. Er is daar een apenhal, ook met een beetje mottige dieren. Daar had ik het gevoel mijn eigen dood in de ogen te kijken; de gelijkenis is zo groot.» Ook aan de muur in haar atelier hangen een paar apen. Een plaatje van een baby-orang-oetan die vol overgave met geheven armpjes ligt te slapen, precies zoals mensenbaby’s dat kunnen. En een zwart-witfoto van een wijs kijkende aap, die meer op een man lijkt met een rare aangeplakte baard: «Daar kijk ik af en toe naar. Die verwantschap verwondert me. Nee, er hangt niet veel aan de muren. Het moet specifiek blijven.»

En hoewel haar kast vooral gevuld is met natuurboeken, naast boeken over het werk van door Polderman bewonderde kunstenaars als Louise Bourgeois, Rebecca Horn en Tom Claassen, maakt ze geen dierfiguren omdat ze zo graag dieren in elkaar zet: «Ik begon met mensfiguren, maar die zijn zo letterlijk. Als je zoiets ziet, relateer je het direct aan jezelf, aan je eigen maat en hoogte; je vergelijkt verhoudingen. Ik wilde dat er meer ruimte zou bestaan voor interpretatie en onderzoek, dat ik onbelemmerder zou kunnen laten zien wat ik wilde. En ik merkte dat ik met een dier soms beter bij de kern kon komen, bij de emotie. Maar zeker niet altijd; de vorm die mijn werk aanneemt is afhankelijk van wat ik wil vertellen. Ik maak ongeveer evenveel beelden van mensen als van dieren.»

De herkenning waarnaar Polderman streeft, is er, soms na lang kijken, soms via een omweg. Zie bijvoorbeeld de witte uil op de rand van een, in verhouding, enorm en leeg nest van flarden stof: «Dat maakte ik in een drukke tijd. Ik was net bevallen van mijn dochter Hasse, ging verhuizen én wilde dit beeld af hebben voor een expositie op de KunstRai vorig jaar. Daarna ging de uil naar een galerie in Maastricht. Ik zag ’m pas na een jaar weer terug, toen het ik het beeld ophaalde om het hier in Arnhem te exposeren. En het raakte me. Het is geen zelfportret, maar ik zie er veel in terug van waar ik toen mee bezig was. Ik kan dat niet goed met woorden beschrijven of benoemen. Als ik dat had gekund, was ik wel schrijver geworden. Ik zeg het met mijn beelden.» l

Aanverwanten, Essent, Nieuwe Stationsstraat 20, Arnhem, tot en met 11 juli.

www.galeries.nl/reuten,

www.gelderland.bkdoc.nl