13 oktober 1948 - 14 augustus 2010

Herman Franke

Hij was de grote bewegingskunstenaar van de Nederlandse literatuur, leidde een leven vol breuken en schreef romans vol compassie en engagement. En zong een loflied op de verbeelding.

NET VOOR ZIJN dood, en bedoeld om bij zijn leven nog dank je wel te kunnen zeggen, verscheen een Gids-nummer dat geheel gewijd was aan het werk van Herman Franke. Franke komt erin naar voren als de grote bewegingskunstenaar van onze literatuur. Hij was niet iemand om terug te leunen in een bereikt resultaat. Zijn werkzame leven werd gekenmerkt door breuken. Zijn eerste ideaal was journalist te worden, maar eenmaal met de comfortabele aanstelling bij het Nieuwsblad van het Noorden op zak, besloot hij de wetenschap in te gaan. Toen hij daar de top had bereikt - een bejubelde dissertatie over de geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen, een professoraat in het vooruitzicht - stortte hij zich in het ongewisse leven van de schrijver.
Wie goed kan kijken moet vooral letten op die twee portretfoto’s van Franke die in dat Gids-nummer staan afgedrukt, gemaakt door zijn vrouw, Carla Schoo, een uit 1992, een uit 2009. Vrouwen zijn betere lezers, schreef Franke ooit, maar kijken doen ze blijkbaar ook beter. Toen mijn eigen vrouw die foto’s zag, zei ze: ‘Hij kijkt als een vrouw die naakt gefotografeerd wordt.’
Uit die foto’s spreekt een uitzonderlijke kwetsbaarheid. Dat was een kant die Herman niet zomaar liet zien. Hoekig en gedrongen was hij, alsof eeuwen turfsteken zich in zijn lichaam verzameld hadden. Alles leek scheef aan hem, zoals aan de dichter Kavafis van wie wel gezegd is dat hij volmaakt bewegingloos ietwat haaks op het heelal stond. Dat vat meteen het werk van Herman in thema en intensiteit samen: volmaakt bewegingloos haaks op het heelal.
De mimekunstenaar op Trafalgar Square uit Franke’s bekroonde meesterwerk De verbeelding staat stil, maar vol emotie, te midden van de beweeglijkheid. De romans van Franke zetten de werkelijkheid even stil, maar staan daardoor onder een intense voelbare spanning van gestolde beweging.
Er zit nog een andere even voelbare spanning in zijn romans, die tussen werkelijkheid en verbeelding. De protagonist van Uit het niets is een portretschrijver: hij vervaardigt geschreven portretten voor ieder die daarvoor wil betalen. Maar al snel gaat hij verzonnen details toevoegen aan die beschrijving en juist in die details herkennen de geportretteerden zich het best.
Het loflied op de verbeelding dat Franke met zijn gelijknamige roman begon, verhinderde niet dat hij op elke pagina aanwezig is in het perspectief dat hij inneemt bij de beschrijving van personen en de weergave van gebeurtenissen. De compassie die daaruit spreekt, de hartstocht om te helen wat door traumatische gebeurtenissen werd gebroken, is het engagement van Franke, hetzelfde engagement dat spreekt uit zijn grote boek over het gevangeniswezen in de negentiende eeuw.
Een verhaal, schreef Franke ooit, wordt pas in de verbeelding van de lezer een echt verhaal. Als voorbeeld gaf hij het verhaal Stadia op een levensweg van Kierkegaard. Hij wist precies wanneer hij het las en waar: het was een zomerse dag, hij zat driehoog achter op zijn balkon onder een bont gekleurde parasol.
Niet zo lang geleden zat ik onder diezelfde parasol. Ik was wat te vroeg voor mijn bezoek aan Herman, hij was nog maar net uit zijn bed en werd door Carla gewassen. Dit soort details zijn onverdraaglijk intiem. Ze zijn, zoals Huizinga zo mooi omschreef, 'wat van tweeën alleen is’. Toch was het een detail dat in al zijn tact en tederheid, liefde en leed, direct uit een roman van Herman zelf weggelopen zou kunnen zijn.
Zoals ook die man op dat balkon, die een handeling herhaalt, net iets anders maar onder dezelfde omstandigheden, of precies hetzelfde maar onder net andere omstandigheden, een man is uit een Franke-verhaal. En getrouw aan zo'n verhaal zwierven zijn gedachten weg van dat balkon en kwamen terecht op het boekenbal van het jaar ervoor. Herman had Anne meegenomen, de dochter van Carla. Hij zei dat hij geprobeerd had haar ertoe over te halen voor te wenden dat ze zijn minnares was. Anne had zo haar eigen opvattingen van de werkelijkheid en wervelde vrolijk weg over de dansvloer.
Herman was kwetsbaar maar van niemand bang. Geweld zei hem niets en zijn lichaamshouding was er een van iemand die de eerste klap voor lief neemt. Maar vervolgens werd er wel teruggemept. Hij had grote achting voor Michaël Zeeman, zijn adequate belezenheid, zijn analytische vernuft. Maar toen de kolos weer eens wat al te bazig uitlegde hoe een roman geschreven moest worden, had Herman geantwoord: 'Hé, klootzak, wie schrijft er hier nu romans!’
Hij zag het einde uit de verte aankomen en werkte door aan zijn grote laatste roman, Voorbij ik en waargebeurd, een doorlopende vertelling die nooit af zou zijn. De dood zou ooit een keer tussenbeide komen, maar dat was maar een incident. De lezers, steeds weer nieuwe, steeds weer andere, zouden het verhaal afmaken.
Er zijn weinig auteurs bij wie het leven en het werk zo samenvallen als bij Herman Franke. Zijn werk begon met de dood, een historische studie, De dood in het leven van alledag. En het eindigt met de dood, zijn dood in het leven van alledag. Beter dan in de tekening van Collignon, afgelopen dinsdag in de Volkskrant, kan die niet uitgebeeld worden: centraal staat het bouwvallige, afgebrande huis van het CDA. Een mannetje met peroxidelokken loopt weg met wat pakjes, een oude Dries spuugt wat tabakssap voor de gapend openstaande deur. En aan de rand, net boven de signatuur, staat: 'Dag lieve, goede, leuke, aardige Herman Franke.’