Herman heijermans

Groots en meeslepend leefde hij, het ‘indringerige joodje’ uit Rotterdam. Maar helemaal schadevrij ging dat niet. Dank zij Hans Goedkoops Heijermans-biografie staat de briljante brokkenpiloot weer volop in de belangstelling. Hans Goedkoop, Geluk. Het leven van Herman Heijermans, Arbeiderspers, 556 blz., f75,-
VAN BESCHEIDENHEID kon je hem onmogelijk beschuldigen, zelfs niet van valse. Als een tank denderde Heijermans door het leven, op zoek naar het geluk. Hij deed dit vol goede bedoelingen, en zelden keek hij om naar degenen die knock-out waren geslagen door zijn overrompelende optreden.

Heijermans werd in 1864 geboren in Rotterdam, bolwerk van het oprukkende kapitalisme, in een gezin van geassimileerde joden. Vader Heijermans was journalist bij de NRC. In die hoedanigheid had hij veel contact met de Rotterdamse elite, maar hij hoorde er niet bij. Hij was een eenvoudige stukjesschrijver die zich gedwongen zag tot op hoge leeftijd te blijven werken. Zoals de meeste vaders hoopte hij dat zijn kinderen het beter zouden doen, en als overtuigd liberaal was hij dan ook apetrots toen zoon Herman na de HBS een betrekking vond bij de Wissel- en Effectenbank.
Veel arbeidsvreugde putte de toekomstige bankier echter niet uit zijn werk. Hij nam al spoedig ontslag om in de handel te gaan, en wel die in lompen en gebruikte metalen. Voor iemand die zich wilde afzetten tegen de in zijn ogen achterlijke ‘joodjes’ op het eerste gezicht een merkwaardige keuze. Het heeft er veel van weg dat Herman Heijermans zijn concurenten eens een lesje wilde leren. Terwijl de andere lompenhandelaren zich doorgaans in hun handelswaar hulden, presenteerde Heijermans zich als een deftig heertje en trok hij zich niets aan van de mores die in dit wereldje golden. Het resultaat was een financieel debacle. Het faillissement, de grootste schande die iemand in Rotterdam kon overkomen, kon alleen worden afgewend door interventie van de Wissel- en Effectenbank.
De lening van die bank zou Heijermans zijn leven lang als een molensteen om de nek blijven hangen. Tot overmaat van ramp werd ook zijn verloving met de dochter van een van zijn concurenten verbroken. Maar Heijermans was er niet de man naar om bij de pakken neer te zitten. Vol goede moed trad hij in de voetsporen van zijn vader: hij werd journalist. Hij schreef voor verschillende bladen. Toneelkritieken, feuilletons, sfeerverhalen - hij draaide er de hand niet voor om.
IN 1892 VERTROK Heijermans naar Amsterdam, waar hij zich in het rommelige en rumoerige wereldje stortte van de 'potkachelboheme’ (Komrij) die zich als de literaire voorhoede beschouwde. Vanaf de oprichting in 1893 was hij toneelrecensent voor De Telegraaf. Het uit zijn eigen letterkundige ambities voortspruitende eerste toneelstuk werd door zijn collega’s echter volkomen aan flarden geschreven. Heijermans, die van zich zelf schreef dat hij 'taai en in zekere zin haatdragend’ was, nam wraak op een hem kenmerkende wijze: hij publiceerde een zogenaamde vertaling van een buitenlands stuk, Ahasveros, en toen dat veel lovende recensies oogstte, maakte hij zich bekend als de werkelijke auteur. Deze represaillemaatregel tegen de hoofdstedelijke literaire coterie, die hem beschouwde als een provinciaal en een 'indringerig joodje’ en die hem hooghartig negeerde toen hij met plannen voor een eigen tijdschrift en een artiestensocieteit kwam, markeerde tevens het begin van zijn succes als toneelschrijver.
Tijdens een reis naar Parijs ter ere van de premiere van Ahasveros (waarvoor hij zich overigens versliep) ontdekte Heijermans het symbolisme, hetgeen resulteerde in een drakerig toneelstuk en een kortstondige pose als dandy. Terug in Nederland zocht hij aansluiting bij de opkomende generatie van de Negentigers, die zich afzetten tegen de l'art pour l'art-opvattingen van de mannen van Tachtig. Geen extreem individualisme maar gemeenschapskunst, geen ivoren toren maar schrijven vanuit de werkelijkheid.
Toch was Heijermans ook hier een vreemde eend in de bijt. Met zijn kleinburgerlijke afkomst en HBS-diploma telde hij niet echt mee te midden van deze welgestelde gymnasiasten. Bovendien had hij de neiging om literatuur en werkelijkheid wat al te zeer door elkaar te klutsen. Zo was een favoriet literair thema uit die dagen het lot van de 'gevallen vrouw’, het meisje uit een proletarisch milieu dat het hoofd boven water houdt door op te treden in dubieuze horecagelegenheden en haar gunsten aan te bieden aan welgestelde heren. In Heijermans’ beruchte roman Kamertjeszonde, in 1896 verschenen bij een uitgeverij van 'populair-geneeskundige’ dus pornografische lectuur, plukt de hoofdpersoon zo'n soubrette uit de goot. Heijermans deed dit zelf ook; hij ging samenleven met Marie Peers, zangeres in een tingeltangel en moeder van twee kinderen, in de steek gelaten door haar naar Amerika geemigreerde man.
Het harde realisme van Heijermans, die zijn teksten peperde met woorden als 'geil’ en 'naaien’, stootte veel mensen af. Volgens Multatuli-epigoon Willem Paap 'stonken’ de boeken van Heijermans. Onder de naam Helmers figureert de schrijver in Paaps sleutelroman Vincent Haman (1898). Paap over Heijermans: 'Het hoofd leeg van alle kennis, thuis alleen in een kringetje der maatschappij, bij joden met vuile neuzen en christenen met luizen, was zijn geschrijf een enkele maal wel aardig, maar in zijn ensemble onaangenaam riekend en grof vervelend van leegheid.’
De hartstochtelijke antisemiet trof Heijermans hier in zijn zwakke plek: zijn joodse afkomst. 'Vervloekte bent van slechte Jodenmenschen/ Met slappe knieen en nog slapper pensen’, had hij zelf reeds gedicht. De joden waren door het isolement in het getto intellectueel, mentaal, moreel en zelfs biologisch achterop geraakt. Het was een volk met een horrelvoet, maar hij kon het hun niet echt kwalijk nemen, daar zij en hij leefden in een 'hinkende tijd’.
Volgens Heijermans was er slechts een remedie tegen deze kwaal: het socialisme. In 1897, hetzelfde jaar waarin Herman Gorter en Henriette Roland Holst deze stap zetten, werd hij lid van de SDAP. Anders dan zijn fijnbesnaarde en gegoede collega- literatoren bekeerde Heijermans zich echter niet tot het orthodoxe marxisme en werkte hij ook niet mee aan het, om zijn dogmatische polemieken vermaarde tijdschrift De Nieuwe Tijd. Integendeel, Heijermans kwam met een concurrerend periodiek, De Jonge Gids, dat hij onder talloze pseudoniemen nagenoeg in z'n eentje volschreef en waarover zijn biograaf, Hans Goedkoop, meldt: 'Nog nooit ging in een Hollands tijdschrift zoveel pus, pis, snot, slijm, sperma, zweet en bloed over de pagina’s. De heersende klasse wordt beschreven als seniel, ziek, stervend of al dood, een lijk in ontbinding, een kreng met kanker en harde sjanker en de sief.’
Ondanks de verbijsterende ijver en energie waarmee workaholic Heijermans aan het tijdschrift werkte, leed De Jonge Gids een kwijnend bestaan. Meer succes had Heijermans in die jaren met zijn toneelstukken. Absolute topper was natuurlijk Op Hoop van Zegen uit 1900, waarmee hij zelfs internationaal doorbrak. Toch was het succes maar van korte duur. Na een aantal jaren gingen zijn stukken minder goed lopen en kwamen er steeds slechtere recensies. Toen Heijermans daarop naar Berlijn vertrok om het krediet dat hij daar genoot te verzilveren, liep dit uit op een enorm fiasco. Het betekende ook het einde van zijn eerste huwelijk.
TERUG IN HOLLAND waren er problemen met het toneelgezelschap waarvan hij de huisschrijver was. Typerend voor Heijermans was dat hij daarop zelf een gezelschap oprichte, ondanks gebrek aan ervaring en aan goede acteurs. Hij werd directeur en eigenaar, en dus een kapitalist. Maar daarmee had hij eigenlijk nooit veel problemen gehad. Eerder had hij zelfs op de beurs gespeculeerd. Voor Heijermans was geld geen doel, slechts een middel dat je nodig had als je iets wilde bereiken. Na een zeer moeizaam begin kende het gezelschap van Heijermans een aantal bloeiende jaren, maar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog ging het steeds slechter.
Overschatte Heijermans zijn capaciteiten niet? Hoe haalde hij het in zijn hoofd om voor vierduizend gulden per week Carre af te huren? Wie zijn rusteloze leven overziet, moet concluderen dat Heijermans eigenlijk nauwelijks een keus had. Zijn leven was een eindeloze wedloop met talloze schuldeisers, die hij zich alleen van het lijf kon houden door het ene gat te dichten met het andere. Uiteindelijk, in 1923, haalden ze hem in en werd hij failliet verklaard.
Maar het leed was nog niet geleden! Er werd kanker in zijn onderkaak geconstateerd en hij werd onderworpen aan de vreselijkste operaties. Op het laatst mocht hij niet meer spreken en communiceerde hij door middel van briefjes.
Zo bleef hij tot het einde trouw aan zijn devies, geleend van Victor Hugo: Nulla dies sine linea - geen dag zonder een zin te schrijven. Op 22 november 1924 stierf het werkpaard van de Nederlandse literatuur. Vier dagen later werd hij door het spontaan toestromende Amsterdamse proletariaat ten grave gedragen.