Hermans en de misdaad

Op het moment dat ik hoorde van de dood van Hermans, was ik net een artikel aan het schrijven over de uitstekende biografie van Hans van Straten over Multatuli.
Hermans en Multatuli, de eerste overeenkomsten die me te binnen schieten:

  • Beiden overleden aan een longziekte. - Beiden vonden polemiseren heerlijk. - Beiden hadden een volstrekt eigen stijl, die dan ook later is nagebootst. - Beiden hadden bij leven al eigen biografen. - Beiden werden gezien als de grootste schrijver van hun tijd. - Beiden woonden aan het eind van hun leven niet in Nederland. - Beiden kregen de geestelijkheid tegen zich. - Beiden hadden problemen met politici. - Beiden waren min of meer contactgestoord. - Beiden wilden alle discussies winnen. - Beiden waren altijd met geld in de weer. - Beiden verbleven enige tijd in Brussel. - Beiden hadden een literatuuropvatting waarin de hoofdpersonen stonden voor bepaalde ideeen. - Beiden hadden een hekel aan Marx. - Beiden hadden een hekel aan Harry Mulisch. Ik las ‘De donkere kamer van Damocles’ als een misdaadroman. Ik dacht dat het dat was, want zo had ik er mijn oudere broer over horen praten. Ik was toen vijftien jaar en vond het een razend spannend boek, waarin oorlog en judo en spionage en misdaad samenvielen. Sindsdien is het misdadige aspect in het werk van Hermans mij blijven boeien. 'Hermans en misdaad’ is een essay dat nog eens geschreven moet worden. In al zijn vroegere romans speelt een misdaad een belangrijke rol. Hermans hield van detectives - is mij later wel eens verteld door mensen die hem kenden. Hij hield ook van de 'Max Havelaar’ omdat hij dat 'een agressieve held’ vond. Hermans hield van intriges en het uitdenken ervan. Nederlanders zouden nooit goede misdaadromans kunnen schrijven want, zo zei hij: 'Predes tinatie en fatalisme zijn oppermachtig. Ongeluk en tragedie ontstaan in Nederland niet door moedwil of overmoed van een tragische held, maar doordat de melk overkookt, de dijk doorbreekt, de vijand het land overrompelt, hoe dan ook: doordat de natuur, de omstandigheden, god, het zo willen. Onze romanhelden willen zelf nooit wat bijzonders. Het zijn slachtoffers, ze hebben de wind niet mee en daarmee uit.’ De misdaad en Hermans. De detectiveroman vond hij een kunstnijverheidsprodukt. 'Misdaadromans’, schreef Hermans in 'Het sadistisch universum’, 'zijn de enige lectuur die de intellectueel kan opbiechten, zonder gevaar te lopen niet meer voor een intellectueel te worden gehouden. - Maar niet bij mij!’ Hermans schreef heel vroeger voor het geld 'misdaadromannetjes’. En wel onder de naam Fjodor Klondyke. Hermanskenners weten wie deze naam toebehoort. Die misdaadverhaaltjes verwerkte hij later tot een van de drie melodrama’s: 'De leproos van Molokai.’ Hermans en misdaad. John le Carre zou 'De donkere kamer van Damocles’ hebben gelezen en daarna 'Spion aan de muur’ hebben geschreven. Voor wie beide boeken kent, zoals ik, is dat een zeer plausibele verklaring. Toch is deze plagiaat-affaire nooit tot op de bodem uitgezocht. De mens is misdadig. In de jaren zestig schreef Hermans: 'Ik ben al jaren van plan een boek te schrijven met als hoofdpersoon een brandschoon karakter; een die de medemens liefheeft tot in het onbegrijpelijke, iemand die zich nooit ten koste van anderen verrijkt, een djanistische monnik die een doekje voor de mond draagt om geen onschuldig vliegje in te ademen en met een bezem de grond voor zijn voeten veegt om geen wurm te vertrappen. Een monster van heiligheid!’ Goddank heeft Hermans dit boek nooit geschreven.