Hermans’ ongelijk

Willem Frederik Hermans
Het sadistisch universum 1
Bezige Bij, 1964, 197 blz., 314,90.
Verkrijgbaar bij Modern Antiquariaat Van Gennep.

DE ESSAYS van Hermans uit de jaren vijftig en begin jaren zestig, getiteld Het sadistisch universum 1, bereikten in 1983 hun dertiende en ook laatste druk. Hermans leek in die jaren niet meer zo populair als die andere twee van De Drie. Voor het grote publiek, dat het geouwehoer van Reve en de New Age-achtige vertellingen van Mulisch massaal omarmde, was Hermans net een beetje te veel de schrijver bij wie je moest nadenken. En de produktie van de late Hermans kon je maar beter snel vergeten.

Maar wat een groot schrijver was hij in zijn beste tijd. Scherp, nog steeds verrassend actueel, altijd dwars. Typisch Hermans om in het voorwoord te stellen: ‘Ik heb conclusies getrokken waar de lezer geen plezier in heeft.’
In het type melancholieke reportage is Hermans geen ster. Een reis maken naar het vroegere woonhuis van Multatuli en daar niets aantreffen, zoiets kon je overlaten aan Bob den Uyl, maar bij Hermans blijft het te droog. Ook als hij naar de Etna reist, kan hij in het aangezicht van het vulkaangeweld wel wat vreemde vergelijkingen trekken ('Ik zie de lava als een lange brandende heg over de helling liggen.’), maar mij weet hij toch niet het gevoel te geven hoe dat nou was, daar vlak bij die vulkaan. Leuk is het ook te zien dat Hermans natuurlijk niet altijd gelijk had en soms wel eens heel erg ongelijk. In 1961 schreef hij: 'Er is, ook al zou de politie helemaal niets doen (…), even weinig kans dat marihuana inburgert, als er kans is dat de Darracq 1903 het moderne snelverkeer zal ontwrichten.’
Relatief weinig scheldt Hermans in deze bundel op zijn collega’s. De onderwerpen zijn zwaarder, de toon is zelden echt giftig. Een belangrijk poëticaal manifest is het essay 'Antipathieke romanpersonages’, waarin hij nogal oubollig de schrijver op zeer grote hoogte tegenover de journalist plaatst, maar waarin hij ook to the point stelling neemt tegen het misverstand van de zogenaamde realistische roman. Zelfs als Hermans pionierswerk verricht bij het uitleggen van Wittgenstein, de filosoof die alles voor hem betekende, weet hij zich uit die onmogelijke opgave nog heel aardig te redden. Je denkt na lezing wel: welke schrijver zou zichzelf nog serieus kunnen nemen zonder Wittgenstein te bestuderen? Wie bijvoorbeeld nooit precies begrepen heeft waar al dat postmoderne gepraat over taalspelen goed voor was, die moet het essay 'Wittgensteins levensvorm’ er maar eens op nalezen. Duidelijker kan haast niet. Of je neemt Wittgenstein zelf, natuurlijk. Baas boven baas.