De jacht op een meisje, half Eritrees, half Ethiopisch

Hermela in Heerhugowaard

Het meisje Hermela werd in 1988 geboren in Ethiopië. De oorlog met Eritrea en de dood van haar ouders dreven haar uiteindelijk naar Nederland, waar ze hoopte te kunnen blijven. Haar ‘buddy’ vertelt wat er allemaal gebeurde met de jonge asielzoeker.

Het meisje naast mij in de tram maakt zich druk over een afgebroken nagel, terwijl ik aan Hermela denk. Haar telefoon staat uit en bij de schoonmaakbaantjes die ik voor haar geregeld heb, is ze niet verschenen. Ik heb haar vaak gewaarschuwd voor ‘loverboys’. Ook de gedachte aan de vreemdelingendienst komt bij me op. Zou ze niet gestempeld hebben in de bus of door rood hebben gefietst? De politie hield een grootschalige controle in Amsterdam, waarbij tienduizenden mensen zijn gecontroleerd. Driehonderd mensen werden opgepakt. Het lot van Hermela is wellicht ook bezegeld. Ella, een vrouw waar ze schoonmaakt, heeft Hermela donderdagavond om vijf uur uitgelaten. ‘Naomi, heb jij Hermela gezien?’ klinkt er uit de telefoon als ik Ella vrijdag spreek. Ook vind ik een verontrustende e-mail van Peter, haar andere schoonmaakadres, in mijn mailbox. ‘Heb je Hermela gezien? Ze is vandaag niet geweest.’

Ik fiets naar het Ethiopische restaurant Adis Abeba op de Overtoom. De eigenaar kent Hermela via de Koptische kerk. In het restaurant zitten vier mannen pannenkoeken te eten. De baas is aanwezig en herkent mij. ‘Leuk dat je er bent, komt die lieve Hermela ook’, vraagt hij. Een beetje benauwd vertel ik dat ze verdwenen is. ‘Heeft u haar misschien gezien?’ stamel ik. ‘Gisteren (vrijdag) ochtend was ze nog op een conferentie voor Ethiopiërs.’ De gasten praten druk met elkaar in het Amhaars en bellen familie en kennissen. ‘Zeker weet ik het niet, ik was niet aanwezig’, zegt hij. Teleurgesteld loop ik de deur uit.

Het is zaterdagavond. Ik stuur een aantal e-mails naar medewerkers van het supportproject: ‘Weten jullie wie ik moet bellen bij de vermissing van een asielzoeker?’

Het supportproject is een onderdeel van het Rode Kruis Amsterdam, waar Hermela en ik elkaar drie jaar geleden leerden kennen. Tijdens een journalistieke stage bij huis-aan-huisblad Echo schreef ik in 2003 een artikel met als kop: ‘Zeur niet over de samenleving, doe er zelf wat aan’. Het ging om Reguinera, een vluchteling uit Congo die wordt begeleid door de Nederlandse ‘buddies’ Maartje en Sander. Het was een verhaal over een eenzame jongen, die dankzij twee Nederlanders zijn isolement doorbrak.

Na publicatie meld ook ik me als buddy aan. ‘Je weet niet wat je in huis haalt’, en: ‘Deze mensen moeten terug naar waar ze vandaan komen’ zijn de reacties uit mijn omgeving. Tijdens een intakegesprek aarzel ik en zeg alleen een enthousiast meisje te willen begeleiden. Een week later is het geregeld. En zit ze tegenover me in de Heineken Hoek: nog geen zestien jaar. Ze wil verpleegster worden, moet lachen om alles wat ik zeg, spreekt goed Nederlands en is helemaal alleen. Een vriendschap ontstaat. Koken, sporten en huiswerk maken, maar vooral praten over Hermela’s verleden en toekomst.

De in 1988 geboren Hermela is van Ethiopische afkomst. Haar ouders hebben een eigen bedrijf in het dorp Derba. Na een lang ziekbed overlijdt haar moeder Sisaj, Hermela is dan vier. Samen met haar vader groeit ze op. ‘Het was een mooie jeugd’, zegt Hermela. Daaraan komt in 1998 een einde als er oorlog uitbreekt tussen Eritrea en Ethiopië. Yimer Desale, de vader van Hermela, is van Eritreese afkomst. Door de oorlog is hij niet meer welkom in het dorp. Vrienden en zelfs familie keren Hermela en haar vader de rug toe. Op elkaar aangewezen gaan ze verder, tot een bloedige dag in 1999. Net als alle andere dagen werkt Hermela na school in de kruidenierswinkel van haar vader. ‘Er stormden allemaal mannen in uniform bij ons binnen. Ze schreeuwden heel hard’, vertelt Hermela. ‘Het is mijn schuld, de werkneemster wilde mij verstoppen. Toen een man dat zag, pakte hij de vrouw beet en verkrachtte haar. Mij deden ze niks, mijn vader werd meegenomen.’

Vanaf dat moment staat Hermela er alleen voor. ‘Je vader is vermoord’, krijgt ze een aantal maanden later te horen. De broer van haar moeder, oom Tosfay, en zijn vrouw halen Hermela op en nemen haar mee naar Addis Abeba. ‘Ik hoopte echt dat ik een nieuw leven kon beginnen.’ Maar door haar half Eritreese afkomst wordt Hermela ook door haar tante als minderwaardig gezien. ‘Jullie Eritreeërs zijn besmettelijke mensen’, zegt de tante, die Hermela bespuugt en mishandelt. Tosfay kan dit niet aanzien en laat Hermela vluchten.

Een Somalische man, Mohammed, neemt Hermela mee in een auto. ‘Ik was zo ontzettend bang. Ik wist niet waar ik heen werd gebracht en ik kon niet met die meneer praten.’ Na dagen wordt Hermela op het vliegveld van Kenia afgezet. ‘Ik had nog nooit een vliegtuig gezien.’ Samen met Mohammed komt Hermela op een voor haar onbekende bestemming aan. Hij pakt haar paspoort en loopt weg. ‘Daar sta ik in Nederland, niet wetend waar ik ben of wat te doen. Een man pakt me beet en neemt me mee.’

Vanaf dat moment gaat alles in een vlaag aan Hermela voorbij. Dagenlange verhoren en tests over haar afkomst volgen. Deze eerste verhoren zijn bepalend voor de rest van haar asielprocedure in Nederland. Met haar dertien jaar wordt Hermela na een uitputtingsstrijd naar een asielzoekerscentrum gebracht. Het Nidos (jeugdbescherming voor asielzoekers) plaatst Hermela in een pleeggezin. Het is van korte duur. ‘Mijn pleegmoeder trouwde met iemand uit Saoedi-Arabië en verhuisde’, vertelt ze. Hermela opent haar mail en laat foto’s van pleegmoeder Celia zien.

Na het vertrek van Celia ben ik de enige constante factor in het leven van Hermela. Het Nidos zorgt ervoor dat ze een kamer kan huren en voor 35 euro per week boodschappen, strippenkaarten, schoolspullen en kleding kan kopen. ‘Ik word verpleegster’, zegt Hermela als ze haar vakkenpakket op school heeft gekozen. Het lijkt goed met Hermela te gaan. Ze heeft vriendinnen, gaat naar de kerk en zit op dansles. ‘Een leuke westerse meid’, zegt een vriend van me, haar nakijkend als ze wegloopt.

Toch is er na drie jaar geen uitspraak in haar asielprocedure. ‘Ik voel me niet lekker’, klinkt het zacht door de telefoon. Nog één week en dan weten we of Hermela mag blijven. Tot nu toe ben ik niet in haar kamer geweest. ‘Ik schaam me’, zegt ze elke keer als ik haar thuis wil bezoeken. Toch besluit ik bij het horen van haar stem naar Bos en Lommer te gaan. Wat ik daar aantref? Een vies en rommelig huis met onbekende geuren. Een jonge vrouw, niet ouder dan 23, in traditionele hindoestaanse kledij zit voor de televisie naar een buitenlandse soap te kijken. De vrouw spreekt geen woord Nederlands. Aan haar huilende baby schenkt ze geen aandacht. ‘Hoe praat je in godsnaam met haar?’ vraag ik Hermela. ‘Niet’, antwoordt ze.

Doodsbang voor een vreemde schuift de vrouw op als ik naast haar op de bank plaatsneem. ‘Heeft zij een verblijfsvergunning?’ vraag ik Hermela. ‘Ja, ze gaat zelfs naar een cursus Nederlands. Ik moet haar brengen, omdat ze niet alleen durft te gaan’, lacht ze. ‘Ga morgen naar school’, prent ik haar in. ‘Het heeft geen zin om thuis te zitten wachten, daar word je alleen maar verdrietig van.’

Een week later is de uitspraak er: negatief. Dora de Groot van Vluchtelingenwerk Amsterdam legt uit waarom. ‘De eerste 24 uur dat je in Nederland was, kon je niet vertellen hoe de omgeving eruitzag in de hoofdstad. Waarschijnlijk was je erg in de war, waardoor je verhaal voor de rechtbank niet geloofwaardig is’, zegt ze tegen Hermela.

Samen drinken Hermela en ik warme chocolademelk, waar ze zo gek op is. ‘Waarom ben ik geboren? Ik breng niks anders dan ellende’, zucht ze. ‘Bidden, bidden is wat ik doe. God bepaalt mijn leven en ik vertrouw hem.’ Ik vraag haar wat ze gaat doen als ze terug moet. ‘Ik zal dan in een kartonnen doos gaan wonen’, zegt ze nuchter. We lopen naar de tram. Hermela huilt en houdt me minstens een kwartier stevig vast voordat ze in de derde tram stapt die voorbij komt.

Een telefoongesprek met Dora de Groot wijst uit dat er weinig hoop is. Veel asielzoekers moeten het land verlaten. Het probleem met Hermela ligt volgens haar gecompliceerder: ‘Hermela heeft ouders met verschillende nationaliteiten. Een Eritreese vader en een Ethiopische moeder. Geen van de ambassades wil haar daarom toelaten.’ Hermela is niet de enige. ‘Er zijn tientallen meisjes alleen al in Amsterdam die zowel in Nederland als Ethiopië of Eritrea niet meer welkom zijn’, legt De Groot uit.

Tot Hermela’s achttiende verjaardag verandert er desondanks niks. De staat zorgt voor Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers (ama) zolang ze nog niet volwassen zijn. Daarna wordt de geldkraan dichtgedraaid. Op 10 juli 2006, haar achttiende verjaardag, is voor Hermela dus alles afgelopen en is ze aangewezen op de diensten van anderen. Hermela is vanaf 10 juli helemaal alleen. ‘Het ergste vind ik dat ik niet meer naar school kan.’ Haar schoolvrienden durft ze vanaf dat moment niet meer te bezoeken. ‘Dan denk ik alleen maar aan school en wat ik mis’, vertelt ze als ik vraag waarom er op haar verjaardag geen vrienden bij haar zijn. In het Amsterdamse Bos lopen we uren te slenteren. We huren een kano, waar Hermela peddelend (lees: een plens water in de boot scheppend) voor het eerst weer glimlacht.

Het is een tijdje geleden dat ik Hermela heb gezien. Na een lange depressie is ze voor het eerst in maanden buiten en minstens tien kilo lichter. ‘Kun je werk voor me regelen?’ smeekt ze. Het blijkt geen gemakkelijke opgave te zijn. ‘Steelt ze niet’ en: ‘Een asielzoeker, ik weet het niet hoor’ zijn de eerste reacties. Gechoqueerd hang ik de telefoon telkens op.

Uiteindelijk zijn er vier mensen bereid haar aan te nemen. ‘Mijn badkamer is nog nooit zo schoon geweest’, aldus Peter. Toch merk ik dat het niet goed gaat met Hermela. ‘Mijn vriendin wil dat ik meebetaal aan de huur’, zegt ze. Als ik wil bemiddelen wijst ze dit van de hand. Volgens haar is dit vooralsnog de beste oplossing. ‘Wat doe je eigenlijk als je niet schoonmaakt?’ vraag ik. Een half antwoord volgt, waarbij ze voor zich uit kijkt. ‘Eigenlijk niks, ik heb geen geld en een strippenkaart kan ik ook niet altijd betalen.’

Maar als ze wil overleven, moet ze werken. ‘Het is mooi geweest met je getreur’, zeg ik. Vanaf nu gaan we tweewekelijks een uitstapje maken. ‘Jij mag dan kiezen wat we gaan doen.’ Eindelijk een lach. ‘Ik wil met je bij een Ethiopisch restaurant eten en uitgaan.’ Twee weken later eten we bij Adis Abeba. Hermela eet de pannenkoeken met vlees en groente.

Daarna vertrekken we naar mijn huis. ‘Het zwarte shirt staat je beter’, zeg ik, als ze alle kleding uit mijn kast trekt. Volledig uitgedost gaan we de stad in. Ik drink wijn en laat haar proeven. ‘Dit is echt vies.’ Ze geeft het glas terug. Dansen, lachen en nog meer dansen is wat we doen. Ik zeg tegen iedereen dat ze mijn halfzus is. ‘Mag ik echt je zus zijn?’ vraagt ze. ‘Dat ben je toch’, antwoord ik. De volgende ochtend, op weg naar haar schoonmaakwerk, zegt ze: ‘We zijn echte zussen.’

En nu is ze weg. Ik wacht tot maandagochtend half negen. Misschien weet Vluchtelingenwerk waar Hermela is. Geen antwoord. Het supportproject verwijst naar verschillende instanties.

Half één. Geen spoor van Hermela. Ik bel nogmaals met Vluchtelingenwerk. ‘Mevrouw Desale, zei u? Die is opgepakt.’

‘Waar is ze dan?’

‘Ze kan overal zijn. Op het politiebureau, op Schiphol of in Zeist.’

Ik noteer het nummer van haar advocaat. Wat nu? Hermela zit al dagen vast en ze denkt dat niemand haar mist.

Bijna twee maanden na dato blijkt dat Hermela in een detentiecentrum in Heerhugowaard zit. Elke week bezoek ik haar op een afgelegen industrieterrein met prikkeldraad. Het meisje met schrale wangen van het huilen mag niets anders dan een beetje slapen. Hermela heeft maar één wens: ‘Ik wil één dag geen angst kennen. Eén dag doorbrengen zoals alle andere meisjes van achttien in Nederland. Eén dag zonder problemen, maar vooral: één dag gelukkig zijn.’

www.hermelablijft.nl