Hermine de graaf ‘ik ben tevreden als een lezer het braaksel op zijn schoenen voelt’

Een gesprek met de schrijfster van Vijf broden en drie vissen - Verhalen Uitgeverij Meulenhoff, 232 blz., f34,50.
‘Wanneer je als schrijfster debuteert krijg je een stempel opgedrukt dat je moeilijk kwijtraakt. Er wordt me zo vaak gevraagd waarom ik alleen over pubers schrijf, en dan zie ik mensen denken: wanneer word je nu eindelijk volwassen, wanneer pas je je nu eindelijk aan? Maar ten eerste schrijf ik niet alleen over pubers. In Vijf broden en drie vissen zijn alle leeftijdscategorieen vertegenwoordigd. En ten tweede: waarom zou ik me moeten aanpassen?

Gewone personages interesseren me niet. Ik zou niet weten wat ik zou moeten schrijven over een jongen die leeft van A naar B, netjes studeert, en ondertussen de nodige studentes in de billen knijpt.
Ik hou van het bijzondere, van mensen die hun fantasie en hun onbevangen kijk op de dingen behouden hebben. Pubers zijn interessante personages omdat hun wereldbeeld minder verstard is dan dat van volwassenen. Ze vallen openlijker ten prooi aan verwarring. Hun magische wereld staat lijnrecht tegenover de praktische wereld van de volwassene. Als ik aan volwassenen denk - de goede niet te na gesproken - dan denk ik aan gearriveerde mensen, aan van die typen die uit gekwetste ijdelheid en verloren toekomstdromen een ander afknijpen. Alleen volwassenen die niet vergeten zijn hoe ze als kind waren, vind ik boeiende personages.
Ik moet zeggen dat ik aan het schrijven van Vijf broden en drie vissen veel plezier heb beleefd. Hoe problematisch de hoofdpersonen ook zijn, het is minder erg met ze gesteld dan met de figuren uit mijn vorige werk. Je zou ook kunnen zeggen dat het allemaal zo hopeloos is dat het niet anders dan lichtvoetig kan zijn.
Neem Monica, de heldin uit het verhaal ‘Wandeldende nieren’. Als een moeder van een dochter verwacht dat ze een nier afstaat aan een zieke broer, waarvan nota bene niet eens zeker is dat hij zo ziek is als de moeder beweert - dat is toch absurd. Monica moet zich in allerlei bochten wringen om aan de druk van haar moeder te ontsnappen. Ze vlucht naar een camping, gaat in een boomhut wonen, wordt zwanger. Maar hoe naar dat ook allemaal is voor haar, wanneer ze uiteindelijk sterft aan de gevolgen van een motorongeluk (dat was overigens heel eng, om iemands dood te beschrijven, daar had ik me nog nooit aan gewaagd) vind ik dat ze toch een waardig leven heeft geleid. Dat zie ik ook bij het kind Anna. Met zo'n moeder wordt het nooit wat, denk je. Maar Anna gaat haar eigen weg. En dat heeft iets vrolijks. De mensheid heeft toch een onvermoede kracht.
Mijn personages ontstaan altijd vanuit een gevoel, een emotionele patstelling. Ik leef me altijd heel goed in mijn hoofdpersonen in. Daarnaast moet ook een eigentijdse problematiek een rol spelen. Een boek dat alleen over emoties gaat, heeft voor mij geen handen en voeten. Het verhaal moet refereren aan actuele gebeurtenissen die me verbazen, ontroeren of woedend maken. Het is toch vreselijk dat mensen wel huilen om een moederbeer die haar kleine beertjes heeft opgegeten, terwijl er veel ernstiger problemen zijn, zoals de dode soldaten die we dagelijks op de buis zien? Die woede schemert door in mijn personages.
Ik denk dat ik met Monica al zo'n zes jaar bezig was, als het niet langer is. Het idee dat er in een gezond mens wordt gesneden om een nier af te staan, fascineerde me. Het orgaandonorschap is ethisch gezien zo'n moeilijk probleem. Er zijn tegenwoordig zoveel mensen die zich als donor beschikbaar stellen dat het lijkt of je een kaartje om je nek moet gaan hangen waneer je dat niet wilt. Men gaat het menselijk lichaam steeds meer zien als een oude auto die je kunt vervangen. Zo gezien zijn mortuaria autosloperijen geworden, waar artsen de bruikbare delen uit lichamen halen. Dat verontrust me.’
'Misschien heb ik meer oog voor de actualiteit omdat ik aan de zijlijn woon. Ik woon in een klein dorp in Drenthe. Als je daar hoort dat er in de buurt vanuit een rijdende auto op een asielzoekerscentrum is geschoten, dan maakt dat meer indruk dan wanneer je in de stad woont, waar elke avond iemand koud wordt gemaakt. In de stad is zoveel informatie dat je al snel door de bomen het bos niet meer ziet.
Ik geef de voorkeur aan het korte verhaal boven de roman, omdat het een geschiktere vorm is voor de actuele problemen die ik beschrijf. Omdat ik in een verhaal geen rekening hoef te houden met de regels en conventies van een roman, kan ik kernachtiger uitdrukking geven aan de chaos die me omringt. Het is crisistijd. De oude ideologiee"n hebben afgedaan. Eigenlijk verschaft alleen de bijbel ons nog een groots scenario. We achten ons niet langer in staat zelfstandig daden te verrichten of problemen te overwinnen, en voelen ons overgeleverd aan een soort hulpeloosheid. En als het overzicht zoek is, kun je met kleinere verteleenheden soms beter uitdrukken wat je ervaart. Dat zie je vaker in de literatuurgeschiedenis. Heinrich Bo"hl en Ingeborg Bachmann gingen in de crisistijd direct na de Tweede Wereldoorlog ook korte verhalen schrijven.
Mijn personages zijn eigentijds, en daar stem ik mijn taal zorgvuldig op af. Ik hou niet van mooi gekrulde zinnen. Krullen verbergen dikwijls datgene wat wordt gezegd. Terwijl mijn personages de situatie vaak verhullen - want in elk verhaal zit een zekere suggestie die tot nadenken stemt -, moet de taal juist onthullend zijn. Ik ben tevreden als een lezer het braaksel van de hoge regeringsambtenaar op zijn schoenen voelt. Ik worstel niet echt met de taal. Het belangrijkste is de juiste toon te vinden. Een valse toon maakt een verhaal waardeloos. Ook moet in elk verhaal iets wezenlijks staan. Ik hou niet van schuimtaartjes.’
'Ik vind het interessanter om over vrouwen dan over mannen te schrijven. Vrouwen zijn gedifferentieerder, leuker, en invoelbaarder. En bovendien: er is al zo veel over mannen geschreven. We weten nu wel hoe de jongetjes hun moeders vereren en de dienstmeisjes begeren. Het probleem met de mannen in Vijf broden en drie vissen is niet zo zeer dat ze soms minder aardig worden afgeschilderd. Dat de mannen in het laatste verhaal de schrijfster ter verantwoording roepen omdat zij vinden dat zij “te kijk zijn gezet als het domme patriarchaat dat niet voor zijn taken berekend is”, zegt meer over de stereotiepe manier waarop mannen kunnen reageren en hun angst ontmand te worden, dan over de karakters die zij in het boek hebben.
Onder de mannen zijn grote mispunten, zoals de psychiater, die niet ziet dat zijn cliente zwanger is en haar probleem, de zwangerschap, met therapeutische programma’s probeert te verhelpen. Dat is natuurlijk kwalijk. Maar er zijn ook sympathieke personen bij; hun zonden zijn niet zo groot, wil ik maar zeggen. Ik heb mannen en vrouwen niet tegenover elkaar willen stellen. Het leed is eigenlijk dat de mannen in het boek zo'n marginale rol spelen. Het gaat gewoon niet over ze. En daar hebben ze maar genoegen mee te nemen.
Mijn roman Alleen de heldere uren heb ik wel vanuit het perspectief van een man geschreven. Omdat die man zijn beperkingen had, was ook de roman niet volmaakt. De kritiek nam me dat boek dan ook niet in dank af. Voor mijn ontwikkeling als schrijfster vond ik het toentertijd echter noodzakelijk me te bevrijden van personages met een karakter dat erg op dat van mezelf lijkt. Ik moest even afstand nemen.
Dat ik nu langer heb gewacht met het publiceren van een nieuwe boek dan voorheen, heeft niet met die kritiek te maken. Ik ben de afgelopen periode veel verhuisd, en dan hou je niet alleen in je huis, maar ook in je hoofd grote schoonmaak. Je vraagt je af waarom je eigenlijk elk anderhalf jaar een nieuwe boek moet publiceren. De kritiek is wel belangrijk, dat kan ik niet ontkennen. Na een slechte recensie loop ik dagenlang te tandenknarsen. Maar na vijf dagen ruim ik m'n bureau op, lap ik de ramen, en ga ik weer aan het werk. Je raakt wel iets van je onschuld kwijt. Het schrijven zelf blijft echter onbevangen. Als ik schrijf, kan niemand over mijn schouder meekijken.’